HR, 30-01-2015, nr. 14/03580
ECLI:NL:HR:2015:142, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-01-2015
- Zaaknummer
14/03580
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:142, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑01‑2015; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2014:2772, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑07‑2014
- Vindplaatsen
BNB 2015/69 met annotatie van J.W. Zwemmer
NTFR 2016/206
NTFR 2015/846 met annotatie van mr. E.C.G. Okhuizen
FutD 2015-0245
Viditax (FutD) 2015013004
Uitspraak 30‑01‑2015
Partij(en)
30 januari 2015
nr. 14/03580
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 6 juni 2014, nr. BK-14/00008, op het hoger beroep van [X] B.V. (voorheen B.V. [A]) te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 13/5768) betreffende de aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak maart 2013. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
2.1.1.
Belanghebbende heeft de aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: loonheffingen) voor de maand maart 2013 op 19 april 2013 ingediend. Het aangegeven bedrag van € 54.884 heeft belanghebbende niet afgedragen.
2.1.2.
Bij brief van 2 mei 2013, bij de Inspecteur ingekomen op 6 mei 2013, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het aangegeven bedrag van € 54.884.
2.1.3.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 24 mei 2013 een naheffingsaanslag in de loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 54.884 en een verzuimboete van € 1097.
2.1.4.
Op 24 mei 2013 heeft belanghebbende de naheffingsaanslag en de boete betaald.
2.1.5.
Bij uitspraak van 5 juni 2013 heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is belanghebbende gewezen op de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag. Belanghebbende heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat het bezwaar niet kan worden ontvangen voor zover het is gericht tegen de afdracht op aangifte, omdat geen afdracht heeft plaatsgehad dan wel de afdracht niet tijdig, dat wil zeggen vóór 1 mei 2013, is geschied.
2.2.2.
Het Hof heeft verder overwogen dat het bezwaarschrift van 2 mei 2013 (mede) wordt geacht te zijn gericht tegen de naheffingsaanslag. Weliswaar is het bezwaar bij de Inspecteur ingekomen voordat de naheffingsaanslag is opgelegd, maar voor partijen is zonneklaar dat de bij bezwaar betwiste beschikking van de Inspecteur al is genomen en het geschil daarmee als voldoende omlijnd vaststaat, aldus het Hof. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat, naar de Inspecteur ter zitting desgevraagd heeft verklaard, een belastingplichtige in alle gevallen dat een op aangifte vermeld bedrag niet wordt afgedragen, erop kan rekenen dat een naheffingsaanslag volgt ter grootte van het aangegeven bedrag. Vervolgens heeft het Hof de zaak verwezen naar de Inspecteur.
2.3.1.
Het middel keert zich tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof met rechts- en motiveringsklachten.
2.3.2.
Het onderhavige geval kenmerkt zich erdoor dat afdracht van de verschuldigde belasting op aangifte achterwege is gebleven. In een zodanig geval is het bezwaar zonder voorwerp en dient het om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard (vgl. HR 21 mei 2010, nr. 07/11207, ECLI:NL:HR:2010:BG5375, BNB 2010/218). De omstandigheid dat de over het onderhavige tijdvak verschuldigde belasting wel reeds was betaald op een naheffingsaanslag toen de Inspecteur uitspraak deed op het bezwaar, maakt dit niet anders. Die belasting was immers niet op aangifte afgedragen. ’s Hofs hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordeel is dan ook juist.
2.3.3.
Anders dan het Hof heeft geoordeeld, brengt “het formele stelsel van bezwaar” niet mee dat het bezwaarschrift dat is ingediend naar aanleiding van een aangifte waarop de aangegeven belasting niet is afgedragen, moet worden geacht te zijn gericht tegen de naheffingsaanslag die is opgelegd naar aanleiding van het achterwege blijven van die afdracht. Dit wordt niet anders indien, zoals in het onderhavige geval, de uitspraak op het bezwaar wordt gedaan nadat de desbetreffende naheffingsaanslag is opgelegd.
Op grond van artikel 6:10, lid 1, Awb blijft de niet-ontvankelijkverklaring van een prematuur bezwaar achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening van het bezwaar reeds was genomen, of indien het besluit toen nog niet tot stand was gekomen maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. De omstandigheid dat een aangegeven maar niet afgedragen bedrag aan belasting in alle gevallen wordt nageheven, zoals de Inspecteur ter zitting van het Hof desgevraagd heeft verklaard, rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat het besluit om de belasting na te heffen reeds tot stand is gekomen ten tijde van het maken van bezwaar tegen het aangegeven bedrag, noch dat een belanghebbende dit redelijkerwijs kan menen. Andere omstandigheden die deze gevolgtrekking in het onderhavige geval wel zouden kunnen dragen, zijn niet door het Hof vastgesteld en de gedingstukken bevatten ook geen aanwijzingen dat zulke omstandigheden zich hebben voorgedaan.
2.3.4.
Gelet op het voorgaande slaagt het middel. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2015.
Beroepschrift 17‑07‑2014
Den Haag, [17 JUL 2014]
Kenmerk: DGB 2014-3996
Beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Den Haag van 6 juni 2014, nr. 14/00008, inzake B.V. [X] te [Z] betreffende de naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak van 1 maart 2013 tot en met 31 maart 2013. Van deze uitspraak is op 12 juni 2014 een afschrift aan de Belastingdienst, kantoor Den Haag toegezonden.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het Nederlands recht, met name van artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), doordat het Hof heeft geoordeeld dat het bezwaarschrift tegen de afdracht van loonheffingen (die op dat moment niet afgedragen was) aangemerkt kan worden als een bezwaarschrift tegen de nog op te leggen naheffingsaanslag, zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen.
- 1.
Belanghebbende heeft op 19 april 2013 aangifte loonheffingen gedaan over de maand maart 2013 voor een bedrag van € 54.884. Belanghebbende heeft dit bedrag niet afgedragen.
- 2.
Op 6 mei 2013 maakt belanghebbende bezwaar tegen de afdracht op de elgen aangifte, terwijl op dat moment nog niets afgedragen is.
- 3.
Op 24 mei 2013 wordt een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd voor het niet op aangifte betaalde bedrag van € 54.884.
- 4.
Op 24 mei 2013 betaalt belanghebbende het bedrag van de naheffingsaanslag.
- 5.
Op 5 juni 2013 doet de inspecteur uitspraak op bezwaar. In deze uitspraak wordt het bezwaar tegen de afdracht niet ontvankelijk verklaard omdat er nog niet afgedragen was. Tevens wijst de inspecteur er op dat bezwaar kan worden gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De termijn daarvoor liep nog tot 4 augustus 2013.
- 6.
Tegen de naheffingsaanslag is geen bezwaar gemaakt.
- 7.
Tegen de uitspraak op bezwaar d.d. 5 juni 2013 komt belanghebbende in beroep bij de Rechtbank. Het beroepschrift komt binnen bij de Rechtbank op 16 juli 2013.
- 8.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur het bezwaarschrift terecht niet ontvankelijk heeft verklaard.
- 9.
Het Hof oordeelt in hoger beroep dat het bezwaarschrift tegen de afdracht van loonheffingen terecht niet ontvankelijk is verklaard, doch dat het bezwaarschrift geacht moet worden mede gericht te zijn tegen de naheffingsaanslag.
- 10.
Het Hof geeft daarvoor als motivering dat voor partijen zonneklaar is dat de bij bezwaar betwiste beslissing van de inspecteur al is genomen en het geschil daarmee als voldoende omlijnd vaststaat.
- 11.
Het Hof geeft daarmee blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het bezwaarschrift is niet gericht tegen de (nog op te leggen) naheffingsaanslag.
- 12.
Op het moment waarop het bezwaarschrift werd ingediend was de naheffingsaanslag nog niet opgelegd. Artikel 6:10, eerste lid, onderdeel a, Awb mist derhalve toepassing.
- 13.
Artikel 6:10, eerste lid, onderdeel b, Awb mist ook toepassing omdat het Hof niet heeft vastgesteld dat aannemelijk was dat de indiener redelijkerwijs kon menen dat de naheffingsaanslag al was opgelegd. Het Hof oordeelt slechts dat op basis van de uitlatingen van de inspecteur belanghebbende kon menen dat een naheffingsaanslag opgelegd zou worden. Daarmee is echter niet komen vast te staan dat belanghebbende kon menen dat de naheffingsaanslag ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift tegen de afdracht op aangifte al opgelegd was.
- 14.
Daarbij roep ik in herinnering dat de inspecteur belanghebbende in de uitspraak op bezwaar erop heeft gewezen dat bezwaar gemaakt kan worden tegen de naheffingsaanslag. Op het moment dat belanghebbende daarvan kennis nam had zij nog ruim vier weken de tijd om tijdig een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag in te dienen. Belanghebbende heeft dat echter niet gedaan.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
Hoogachtend,
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco