Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/4.5.4
4.5.4 Nederlands niveau
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633780:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Leenknegt webeditie 2021, par. 2, laatst geraadpleegd op 29 november 2021.
Naar een definitie van Löwensteyn: ‘De vrijheid tot het stichten van een organisatie gericht op het duurzaam samengaan van personen’, Löwensteyn 1982, p. 196.
Vermeulen 2000-b, p. 138.
Bunschoten 2015, artikel 8 GW, aant. 1, p. 34.
Bijvoorbeeld de bevoegdheid van het ministerie van Justitie gebaseerd op de Wet controle op vennootschappen (Stb 2003, 203) om vennootschappen te controleren met het oog op de voorkoming en bestrijding van misbruik van rechtspersonen.
Het grondrecht van vereniging en vergadering dateert van 1848 en werd in de Grondwet van 1983 gesplitst in een recht tot vereniging (art. 8 GW) en een recht tot vergadering en betoging (art. 9 GW). De splitsing was onder meer vanwege het gewenste onderscheid in de beperkingsclausules.1 Het woord ‘vereniging’ in artikel 8 GW heeft een ruime betekenis en omvat naast de rechtsvorm vereniging ook andere rechtspersonen die in boek 2 BW voorkomen “en daarnaast elke min of meer bestendige organisatie van gelijkgestemde burgers”, aldus Leenknegt.2 De verenigingsvrijheid wordt dan ook omschreven als de vrijheid tot het oprichten van een organisatie met het duurzaam samengaan van personen als doel.3
De bescherming die artikel 8 GW biedt, omvat voor natuurlijke personen het recht een organisatie in een bepaalde rechtsvorm op te richten en te ontbinden, het toetreden daartoe en het uittreden daaruit. Het grondrecht geldt ook voor rechtspersonen, zoals verenigingen, stichtingen en kerkgenootschappen. Het beschermt tevens het handelen in verband met het doel, zoals het zelfstandig en onder eigen naam deelnemen aan het rechtsverkeer. Daaronder valt ook het sluiten van contracten en het openen en beheren van een bankrekening.4 De toepassing van het grondrecht van vereniging is niet beperkt tot rechtspersonen. Het grondrecht staat ook open voor vormvrije groepen.5
Het grondrecht op verenigingsvrijheid kan alleen bij de wet in formele zin worden beperkt. Delegatie is dus niet mogelijk. De beperking moet in het belang van de openbare orde zijn (art. 8 GW). Het begrip ‘openbare orde’ is weliswaar ruim, maar de verenigingsvrijheid is in Nederland in feite ook bijzonder groot, aldus de regering.6 Een stelsel van preventief toezicht (voorafgaand verlof of toestemming zoals een vergunningstelsel) is volgens de regering niet uitgesloten.7 Ook is repressief toezicht op rechtspersonen mogelijk.8 Voorbeelden van repressieve maatregelen om de activiteiten van een rechtspersoon te beperken, zijn strafbaarstelling van deelname aan en voortzetting van een criminele organisatie (140 SR) en civielrechtelijk ontbinden en verbieden van een rechtspersoon (2:20 BW).
Artikel 103 GW regelt dat in uitzonderingstoestanden (noodtoestand) afwijking van bepaalde grondrechten is toegestaan. Deze afwijking geldt volgens lid 2 van deze bepaling ook voor het recht tot vereniging (art. 8 GW).