Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/2.3.1
2.3.1 Inleiding
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS584043:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 6, p. 204.
Zie bijv. Fesevur 2017/16. Zie over de retentierechten bij erfpacht en opstal: Heesakkers 2015, p. 257-260, Asser/Bartels 5 2017/242, De Jong & Ploeger 2008/44 en 59, en Vonck, GS Zakelijke rechten, art. 5:105 BW, aant. 3 (online, bijgewerkt t/m 22 augustus 2017). Zie over de vervoerrechtelijke retentierechten met name het proefschrift van Logmans uit 2011. Er is in het verleden aanzienlijke discussie geweest over de verhouding tussen de vervoerrechtelijke retentierechten en het retentierecht uit Boek 3 BW, zie Heyning-Plate 1973, p. 161, Haak 1997, p. 80-81, Van de Laarschot 1997, p. 29-30 en verdere verwijzingen. Zie over art. 8:210a BW, dat een expliciet afwijking van Boek 3 bevat: Snijders 1998, p. 33-34, Haak 1998, p. 34 en Van de Laarschot 1998, p. 37-38.
34. Afdeling 3.10.4 BW geeft in samenhang met afdeling 6.1.7 BW een algemene regeling voor het retentierecht. Naast deze algemene regeling bestaan verspreid door het BW een aantal regelingen van retentierechten. Zo zijn in Boek 5 BW een aantal goederenrechtelijke retentierechten opgenomen en in Boek 8 BW staan specifiek vervoerrechtelijke retentierechten. Ook in art. 7:109 BW is een retentierecht te vinden met betrekking tot de ontbonden huurkoopovereenkomst. Deze specifieke retentierechten buiten Boek 3 BW laat ik verder buiten beschouwing. Volgens de parlementaire geschiedenis dienen ze de rechtszekerheid en stellen de betreffende schuldeiser in staat om zelf in de wet te lezen dat hij bevoegd is om de afgifte van een zaak op te schorten.1 Over deze retentierechten in benoemde rechtsverhoudingen is elders al voldoende literatuur te vinden,2 en mijn focus ligt nu juist op de gevolgen van de algemene regeling. Wat betreft de bepalingen buiten afdeling 3.10.4 BW behandel ik in paragraaf 2.3.2 alleen de vraag in hoeverre de algemene regeling van het retentierecht in afdelingen 3.10.4 en 6.1.7 ook van toepassing is op deze specifieke retentierechten. In paragraaf 2.3.3 ga ik in op de verhouding tussen het retentierecht en de exceptio non adimpleti contractus (enac) en in paragraaf 2.3.4 behandel ik het retentierecht van de bezitter van art. 3:120 lid 3 BW en van de houder van art. 3:124 BW. De enac en het retentierecht uit titel 3.5 BW (bezit en houderschap) behandel ik wel, omdat deze niet zien op een benoemde rechtsverhouding (zoals de Boek 5, 7 en 8-retentierechten), maar een algemene strekking hebben.