Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/6.3.2.1:6.3.2.1 Doorwerking onderscheid vordering en verhaalsrecht in het beslagrecht
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/6.3.2.1
6.3.2.1 Doorwerking onderscheid vordering en verhaalsrecht in het beslagrecht
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS588747:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de vraag of dit evenwicht wordt gevonden bij conservatoir beslag uitgebreid het rapport van Jongbloed & Meijsen 2010 en Meijsen 2013.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
271. In paragraaf 6.2.3 heb ik het uiteenlopen van vordering en verhaalsrecht, respectievelijk schuld en verhaalsaansprakelijkheid uiteengezet. Doorgaans is de schuldenaar dezelfde persoon als de beslagene (of, in executie, de geëxecuteerde). Maar bij verhaal op goederen van een derde lopen de schuld en de verhaalsaansprakelijkheid, of – aan de actieve zijde – de vordering en het verhaalsrecht uiteen. Uit paragraaf 6.2.3 bleek dat het wettelijk systeem de ruimte biedt om het verhaalsrecht van een vordering (in ruime zin) bij een ander dan de schuldenaar zelf neer te leggen. Vordering en verhaalsrecht zijn niet onlosmakelijk verbonden. Wel roept deze verplaatsing van het verhaalsrecht naar de derde de vraag op, hoe het procesrecht moet omgaan met dit afwijkende geval. Het procesrecht is erop gericht om de aanspraken die uit het materiële recht voortvloeien te verwezenlijken. De voorschriften in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering beogen een evenwicht aan te brengen tussen de belangen van de schuldeiser die recht heeft op voldoening van zijn vordering en die van de schuldenaar, die moet worden beschermd tegen (ongefundeerde) beperkingen in de beschikking over zijn vermogen bij conservatoir beslag1 en bij executoriaal beslag het risico op algeheel verlies van het goed. Bij verhaal op het goed van een derde is de derde, en niet de schuldenaar, het doelwit van de schuldeiser. Omdat niet de schuldenaar wordt uitgewonnen, maar een derde, is het de positie van die derde die procesrechtelijk relevant is. De relevante persoon voor het beslag- en executierecht is met andere woorden niet per se de schuldenaar, maar degene wiens goed wordt uitgewonnen. Omdat dat in de meeste gevallen de schuldenaar zelf is, maakt Rv geen duidelijk onderscheid tussen de schuldenaar die verhaalsaansprakelijk is en de bloot-verhaalsaansprakelijke. Maar als niet de schuldenaar op basis van art. 3:276 BW wordt uitgewonnen, maar een derde die op grond van een uitzondering op de hoofdregel bloot-verhaalsaansprakelijk is, dan moet die derde voor zover mogelijk worden behandeld als schuldenaar. De procedurevoorschriften die betrekking hebben op de schuldenaar, moeten waar mogelijk op de derde worden toegepast. Dit blijkt voor conservatoir beslag expliciet uit art. 708 Rv, dat ik in paragraaf 6.3.4 nader bespreek. Als een derde bloot-verhaalsaansprakelijk is, is de schuldenaar alleen in zoverre relevant, dat – in de regel – alleen hij zich inhoudelijk kan verweren tegen de vordering van de schuldeiser.
Overigens moet wel worden bedacht dat uitwinning van de zaak door de retentor kan betekenen dat de retentor met zijn beslag door de rechtsverhouding tussen de derde en de schuldenaar heen fietst. Onder meer kan de vraag opkomen of de retentor wanprestatie pleegt door de zaak te executeren terwijl de schuldenaar nog gerechtigd was tot houderschap vanwege diens bestaande rechtverhouding met de anterieure eigenaar. Dit soort vragen, dat voornamelijk ligt op het terrein van overeenkomsten en derden, blijven buiten beschouwing.