Vreemdelingenwet 2000.
Rb. Den Haag, 29-04-2026, nr. NL26.21239
ECLI:NL:RBDHA:2026:10077
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
29-04-2026
- Zaaknummer
NL26.21239
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:10077, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 29‑04‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 29‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Eerste beroep bewaring – beroep ongegrond
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21239
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw1.opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1986 en de Vietnamese nationaliteit te hebben. Zij heeft geen rechtmatig verblijf. De maatregel is terecht gebaseerd op artikel 59 van de Vw.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden2.vermeld dat eiseres:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden3.vermeld dat eiseres:
- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiseres betwist alle zware gronden en lichte gronden 4c en 4d. Dat haar verblijfsvergunning voor verblijf bij haar partner is ingetrokken, doet niet af aan het feit dat zij Nederland destijds met een mvv voor dat verblijfsdoel en dus op de voorgeschreven wijze binnen is gekomen. Ook stelt zij zich nooit aan het toezicht te hebben onttrokken. Zij heeft immers dertien jaar ingeschreven gestaan op een adres in [plaats]. Nadat de Vreemdelingenpolitie daar in september 2025 is langsgeweest, is zij meermaals op een gehoor geweest en is zij altijd op dit adres blijven wonen. Het was voor verweerder dan ook altijd bekend waar zij verbleef.
4. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 10 april 20264.geoordeeld dat de zware grond 3c en lichte gronden 4b en 4c feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. Deze gronden zijn nog altijd feitelijk juist en worden daarom eveneens terecht aan de huidige maatregel ten grondslag gelegd. Hiermee is het een risico op onttrekking aan het toezicht al voldoende onderbouwd. De overige gronden behoeven geen verdere bespreking, omdat dat niet tot een ander uitkomst zal leiden.
5. Eiseres stelt dat ten onrechte geen lichter middel is toegepast. Niet valt in te zien waarom zij het moment dat de Vietnamese autoriteiten toestemming geven voor haar terugkeer niet in vrijheid mag afwachten. Zij heeft zich nooit onttrokken aan het toezicht van de IND en heeft altijd hetzelfde adres in [plaats] gehad, waar zij nu ook zou kunnen verblijven.
6. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat met een lichter middel had moeten worden volstaan. Verweerder heeft voldoende toegelicht dat het risico op onttrekking niet voldoende met een lichter middel kan worden ondervangen. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat dat eiseres sinds 2012 op geen enkele wijze heeft gewerkt aan haar vertrek uit Nederland. Daarbij heeft zij meerdere, kennelijk niet-inwilligbare verblijfsaanvragen ingediend. De enkele stelling dat zij nu wel wil vertrekken en dat zij contact heeft gezocht met het IOM5.is onvoldoende om erop te vertrouwen dat eiseres, als zou worden volstaan met een lichter middel, zelfstandig zal vertrekken uit Nederland. Vooralsnog is ook niet gebleken dat het IOM daadwerkelijk gaat bemiddelen bij het verkrijgen van een lp.6.
7. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.