Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/7.2.2.3
7.2.2.3 Fiscale gevolgen van de kwalificatie onzakelijke lening
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS398313:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In BNB 2014/98 doet de Hoge Raad een uitspraak omtrent het moment dat het opgeofferd bedrag wordt verhoogd. “Pas als definitief vaststaat dat de debiteur niet meer aan zijn aflossingsverplichting zal voldoen – zoals bij kwijtschelding van de (oninbare) vordering of bij liquidatie van de vennootschap – zal dat verlies gelijkgesteld moeten worden met een informele kapitaalstorting.” Volledigheidshalve merk ik op dat bij een lening omhoog (bijvoorbeeld van deelneming naar moedermaatschappij) het verlies definitief niet in aftrek komt. Een toekomstig liquidatieverlies is in deze feitelijke constellatie niet aan de orde, aangezien een dochtervennootschap optreedt als crediteur/schuldeiser en niet deelneemt in de inlenende moedervennootschap (debiteur/schuldenaar).
HR 22 mei 2016, nr. 15/03701, BNB 2016/133.
Staat eenmaal vast dat er sprake is van een onzakelijk lening, dan geldt voor de crediteur dat een verlies ter zake van een afwaardering niet ten laste van de fiscale winst kan worden gebracht. Bij een zogenoemde lening omlaag (van moedermaatschappij naar deelneming) kan een afwaarderingsverlies mogelijk nog te gelde worden gemaakt bij een eventuele liquidatie van de deelneming door toepassing van de liquidatieverliesregeling (art. 13d Wet VPB 1969).1
Er zijn – voor zover thans bekend - geen fiscale gevolgen voor de debiteur op het moment dat een lening als onzakelijk wordt bestempeld. De onzakelijke lening is voor de debiteur een schuld en deze schuld blijft doorgaans op de fiscale balans op de nominale waarde staan. De terugbetalingsverplichting voor de debiteur blijft immers onverkort bestaan. In BNB 2016/1332 heeft de Hoge Raad expliciet beslist dat wat voor de crediteur geldt, ook voor de debiteur geldt. Waar de schuldeiser een verlies op een onzakelijke lening niet in aftrek kan brengen, hoeft de schuldenaar volgens de Hoge Raad geen winst in aanmerking te nemen, aangezien dit voordeel ook voor de schuldenaar opkomt in de (onbelaste) aandeelhouderssfeer.