Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/69.3.1
69.3.1 Contactmomenten
prof. mr. G.A. van der Veen, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. G.A. van der Veen
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
M.J. Jacobs, ‘Aantekening 1 bij Afd. 2.3’, in: T. Borman e.a. (red.), T&C Algemene wet bestuursrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017.
ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:214.
Zie ABRvS 16 januari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO1836, waarin pas van een aanvraag sprake is indien wordt verzocht om een bepaald, naar strekking concreet aangeduid besluit, versus een soepeler lijn in ABRvS 19 november 2004, ECLI:NL:RVS: 2004:AR6256.
Dat geldt zeker wanneer die aanvrager RetailPlan heet (zie o.m. ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:189 en ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:3460), maar soms ook bij anderen (ABRvS 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3541).
Het uiteindelijk voorgenomen artikel 16.1 lid 3 Omgevingswet biedt een grond voor de exclusiviteit van digitale verstrekking van gegevens en bescheiden, het indienen van aanvragen en het doen van meldingen. Immers, bepaald kan worden dat die communicatie alleen elektronisch kan plaatsvinden.
Artikel 16.1 lid 3 gaat aldus verder dan de thans bestaande Afdeling 2.3 Awb en de op handen zijnde modernisering van de betreffende bepalingen over elektronisch bestuurlijk verkeer. Kennelijk bepaalt dat wetsvoorstel dat bestuursorganen langs elektronische weg bereikbaar moeten zijn, maar regelt het niet dat burgers verplicht worden om langs elektronische weg met de overheid te communiceren.1
In het huidige omgevingsrecht zijn burgers en bedrijven nog niet verplicht om elektronisch te communiceren. Desondanks acht de bestuursrechter relevant of zij van elektronische middelen gebruik maken, waar dat mogelijk is. Passeren zij die weg om niet goed verklaarbare redenen, dan maakt hen dat blijkbaar ‘verdacht’. De verdenking lijkt dan dat gepoogd is om op sluwe wijze een vergunning van rechtswege te krijgen. De Afdeling reageert door een (mogelijk) versluierde aanvraag toch niet als aanvraag te betitelen: ‘De rechtbank heeft ook terecht van belang geacht dat RetailPlan deskundig is op het gebied van de ruimtelijke ordening en geacht mag worden bekend te zijn met de gebruikelijke weg om een aanvraag om omgevingsvergunning in te dienen, via het Omgevingsloket online of met gebruikmaking van het formulier als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Bor. Dat RetailPlan deze weg niet heeft gevolgd, betekent op zichzelf niet dat de brief van 17 december 2015 geen aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De rechtbank heeft deze omstandigheid echter wel, in samenhang bezien met hetgeen zij overigens heeft overwogen, bij haar oordeel dat geen sprake is van een aanvraag, kunnen betrekken.’2 Het is de vraag of deze lijn past bij eerdere jurisprudentie.3 Duidelijk is wel, dat burgers en bedrijven onder om- standigheden de schijn tegen kunnen krijgen, wanneer zij geen digitale weg volgen.4
Het zou op zijn minst wenselijk zijn, wanneer bij de voorgenomen modernisering van de bepalingen over elektronisch bestuurlijk verkeer in de Awb, wordt bezien of burgers en bedrijven ten volle de vrijheid houden om niet-digitaal te communiceren, of dat zij via mogelijke verwijten omtrent passeren van die digitale weg, achteraf te horen krijgen dat zij toch eigenlijk wel digitaal hadden moeten communiceren. De Afdelingsjurisprudentie ter voorkomen van vergunningverlening op basis van ‘verdachte aanvragen’ kan nog wel begrijpelijk zijn, maar is ook nogal casuïstisch.