TK 1994-1995, 24219 MvT, paragraaf 5b.
Hof Amsterdam, 17-10-2018, nr. 23/004611-17
ECLI:NL:GHAMS:2018:4729
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
17-10-2018
- Zaaknummer
23/004611-17
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2018:4729, Uitspraak, Hof Amsterdam, 17‑10‑2018; (Hoger beroep, Raadkamer)
ECLI:NL:GHAMS:2018:1771, Uitspraak, Hof Amsterdam, 16‑05‑2018; (Hoger beroep, Rekestprocedure)
Uitspraak 17‑10‑2018
Inhoudsindicatie
Voorlopige hechtenis: verzoek oivs wegens ontbreken klemmende redenen.
GERECHTSHOF AMSTERDAM,
MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER
BESCHIKKING op het verzoek strekkende tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.
De feiten en de rechtsgang
Het hof heeft gezien de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte, alsmede het veroordelend vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2017 waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zijn ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege is gelast. Voorts heeft het hof gezien het door de verdachte ingediende verzoekschrift van 27 september 2018 waarin de raadsman verzoekt te verstaan dat de voorlopige hechtenis is opgeheven omdat deze per 16 juli 2018 van rechtswege is geëindigd.
Het hof heeft bij de behandeling in raadkamer op 17 oktober 2018 gehoord de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte, mr. R.T. Poort die heeft waargenomen voor mr. H.J.G. Dudink.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de raadsman kort weergegeven het navolgende aangevoerd. Op 15 juni 2018 heeft het hof bij tussenarrest beslist op onderzoekswensen van de zijde van de verdediging. Het hof heeft verzuimd in dit arrest een beslissing te nemen over de aanhouding van de behandeling en het voortduren van de voorlopige hechtenis. Op grond van het bepaalde in artikel 282 Sv kan het onderzoek niet langer dan voor de duur van drie maanden geschorst worden wanneer een verdachte in voorlopige hechtenis zit, en wanneer er klemmende redenen zijn op grond waarvan de zaak niet binnen één maand weer op zitting kan worden behandeld. Niet is gebleken dat er sprake was van dergelijke klemmende redenen en het hof heeft dit in ieder geval niet vastgesteld. In die omstandigheden vloeit uit het bepaalde in artikel 282 Sv voort dat de voorlopige hechtenis één maand na schorsing van het onderzoek van rechtswege is opgeheven. Dit betekent dat op 16 juli 2018 de voorlopige hechtenis van de verdachte was geëxpireerd.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat op een vergelijkbaar verzoek al op de terechtzitting van 25 september 2018 is beslist, dan wel dat het moet worden afgewezen. Meer subsidiair heeft zij de gevangenneming gevorderd op grond van artikel 66a Sv.
De beoordeling
Het hof constateert dat het thans voorliggende verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling niet (geheel) gelijk is aan het eerdere verzoek ex artikel 69 Sv dat is gedaan op de terechtzitting van 25 september 2018. Er is dan ook geen reden tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek op de grond dat daarop al beslist zou zijn zoals de advocaat-generaal heeft aangevoerd.
Het hof stelt vast dat in de tussenuitspraak van dit hof van 15 juni 2018 ten onrechte niet is vermeld dat de behandeling wordt aangehouden, noch voor welke periode dat zal zijn. Artikel 282 Sv vermeldt niet dat bij een schorsing van de behandeling van langer dan één maand maar niet langer dan drie maanden, in het geval dat een verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, de klemmende redenen in het proces-verbaal moeten worden vermeld. Aan die enkele niet-vermelding zijn dan ook geen consequenties verbonden. Wel dient, wil de rechter het onderzoek voor langer dan een maand aanhouden, uit andere bronnen van de daarvoor geldende klemmende redenen te blijken zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis.1.Klemmende redenen zijn al die redenen die noodzakelijk zijn voor het onderzoek, bijvoorbeeld het verrichten van een klinisch psychiatrisch onderzoek van de verdachte, maar ook de bezetting van het zittingsrooster.
In het tussenarrest van 15 juni 2018 is de zaak naar de raadsheer-commissaris verwezen voor het horen van drie getuigen. De ervaring leert dat niet te verwachten valt dat een dergelijk onderzoek binnen één maand is afgerond en dat brengt mee dat er klemmende redenen zijn voor een langere aanhouding dan voor de duur van één maand, zij het dat die aanhouding maximaal drie maanden mag duren. De zaak is opnieuw op zitting geweest op 11 september 2018. Deze datum valt binnen de hiervoor genoemde termijn van drie maanden, gerekend vanaf de zitting van 15 juni 2018 waarop het tussenarrest is uitgesproken. Van een situatie zoals in het arrest van de Hoge Raad van 25 april 1988 (NJ 1989/141) is dan ook geen sprake. Dat brengt mee dat de voorlopige hechtenis niet op enig tijdstip van rechtswege is geëindigd.
Het vorenstaande betekent dat er geen aanleiding is voor het geven van een bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. Evenmin komt het hof toe aan het nemen van een beslissing op de meer subsidiair gedane vordering gevangenneming van de advocaat-generaal.
De beslissing
Het hof:
WIJST AF het verzoek van de raadsman.
Deze beschikking is gegeven op 17 oktober 2018 in raadkamer van dit hof door
mr. J.L. Bruinsma, voorzitter,
mrs. A.M. Kengen en P.H.M. Kuster, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Grote Ganseij als griffier.
De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.
Amsterdam, 17 oktober 2018,
de advocaat-generaal
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑10‑2018
Uitspraak 16‑05‑2018
Inhoudsindicatie
Schorsingsverzoek raadkamer gevangenhouding
GERECHTSHOF AMSTERDAM,
MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER
BESCHIKKING op het verzoek strekkende tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte:
[appellant] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
[adres]
thans gedetineerd in [gedetineerd] .
De feiten en de rechtsgang
Het hof heeft gezien de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte, alsmede het veroordelend vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2017 waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zijn ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege is gelast. Voorts heeft het hof gezien het door de verdachte ingediende verzoekschrift van 9 mei 2018 en de van de zijde van de verdachte bij de behandeling in raadkamer overgelegde stukken.
Het hof heeft bij de behandeling in raadkamer op 16 mei 2018 gehoord de advocaat-generaal en de verdachte en zijn raadsman mr. H.J.G. Dudink.
De beoordeling
Het hof stelt vast dat het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis er primair op is gericht medisch onderzoek te ondergaan buiten de muren van het huis van bewaring. Daaraan ligt mede de stelling ten grondslag dat de verdachte in het huis van bewaring onvoldoende medische zorg krijgt en het door hem gewenste onderzoek niet wordt uitgevoerd. Het hof overweegt dat een dergelijk verzoek moet worden gericht aan de directeur van het huis van bewaring en/of de medische dienst. In het geval daaraan niet of onvoldoende gehoor wordt gegeven bestaat de mogelijkheid van een klachtprocedure. Ook in hetgeen overigens is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte over te gaan.
De beslissing
Het hof:
WIJST AF het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Deze beschikking is gegeven op 16 mei 2018 in raadkamer van dit hof door
mr. J. Piena, voorzitter,
mrs. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en S.M.M. Bordenga, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Grote Ganseij als griffier.
De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.
Amsterdam, 16 mei 2018,
de advocaat-generaal