Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/4.3.2.1
4.3.2.1 Algemeen
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS296858:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Dam (2007), p. 1.
Overgenomen uit: HR 13 oktober 2006, LJN AW2080, JOR 2006, 296, JRV 2006, 752, NJ 2008, 528 (Vied’Or), conclusie A-G, onderdeel 1.1.
RvT 10 april 1997 en CBb 3 december 1998 Jurisprudentie tuchtrechtspraak registeraccountants 1999-10.
Annotatie H. Beckman bij HR 13 oktober 2006, LJN AW2080, JOR 2006, 296 en Bras (2008), p. 67.
Bras (2008), p. 67.
RvT 10 april 1997 en CBb 3 december 1998 Jurisprudentie tuchtrechtspraak registeraccountants 1999-10.
Bras (2008), p. 68.
Annotatie H. Beckman bij HR 13 oktober 2006, LJN AW2080, JOR 2006, 296.
Rb ’s-Gravenhage 13 juni 2001, NJ 2001/445 en Gerechtshof ’s-Gravenhage 27 mei 2004, JOR 2004/ 206.
Bras (2008), p. 67.
Van Dam (2007), p. 2.
Vie d’Or oefende vanaf 1 november 1985 het levensverzekeringsbedrijf uit, sinds 26 februari 1988 krachtens een door de Verzekeringskamer verleende vergunning. Vie d’Or gaat binnen tien jaar na haar oprichting aan haar eigen succes ten onder. Deels wordt dit veroorzaakt door het feit dat zij de enorme toeloop van polishouders administratief niet aankon. Een andere oorzaak betreft de wijze van financiering van haar verplichtingen, die haar uiterst kwetsbaar maakte.1 Op 14 december 1993 heeft de Verzekeringskamer de vergunning van Vie d’Or ingetrokken. Op 15 december 1993 heeft de arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch op aanvraag van de Verzekeringskamer ten aanzien van Vie d’Or de noodregeling uitgesproken en op 11 december 1995 is Vie d’Or failliet verklaard. Bij overeenkomst van 1 augustus 1994 zijn de verplichtingen van Vie d’Or jegens de polishouders overgedragen aan Levensverzekeringsmaatschappij Twenteleven N.V. waarbij die verplichtingen aanzienlijk werden gekort.2 De voormalig polishouders (tezamen handelend onder de naam Stichting Vie d’Or) hebben de actuaris, de controlerend accountant (Deloitte) en de Verzekeringskamer aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade die veroorzaakt is door onrechtmatig handelen. Door de Stichting Vie d’Or werd jegens de accountant een beroep gedaan op zowel een tekortschieten in de controleplicht als de informatieplicht aan de interne toezichthouder (raad van commissarissen) en de externe toezichthouder (Verzekeringskamer).
Bij de tuchtrechter werd stichting Vie d’Or grotendeels in het gelijk gesteld, eerst door de Raad van Tucht en vervolgens in hoger beroep door het CBb.3 Het oordeel van de tuchtrechter komt in hoofdlijnen hierop neer:4
Er was sprake van materiële gebreken in de administratie en interne organisatie van Vie d’Or. Deze gebreken hadden niet door aanvullende werkzaamheden geheeld kunnen worden. De accountant had daarom geen goedkeurende verklaring mogen afgeven;
Een aantal voorbeelden van gebreken: de rekening-courant administratie per tussenpersoon ontbrak tot 1992, er was geen interne controle op de volledigheid van de premiebetalingen per polis, de interne organisatie voldeed door onvoldoende functiescheidingen niet aan de daaraan te stellen eisen en het automatiseringssysteem functioneerde niet goed.5
Een voor productontwikkeling betaalde provisie had, gelet op haar bijzondere karakter, nader moeten worden onderzocht door de accountant en de raad van commissarissen had op dit punt door de accountant moeten worden geïnformeerd;
Overweging Raad van Tucht6 terzake de provisie van omstreeks ƒ 10,5 miljoen, betaald voor kosten van ontwikkeling en research voor het IDP: “Naar het oordeel van de Raad is hier sprake van een betaling met een bijzonder karakter. Dit bijzondere karakter komt tot uitdrukking in de hoogte van het provisiebedrag, de betaling aan een op Aruba gevestigde vennootschap en het feit dat de provisie uiteindelijk ten goede kwam aan een zeer belangrijke tussenpersoon van Vie d’Or in Nederland. Gelet op dit bijzonder karakter had de controlerend accountant het zakelijke karakter van de betaling aan een nader onderzoek dienen te onderwerpen of ten minste de Raad van Commissarissen van deze betaling op de hoogte moeten stellen. De enkele vermelding in de jaarrekening is in dit kader onvoldoende”.
Het herverzekeringscontract was onjuist verwerkt in de jaarrekening;
Er was sprake van een herverzekeringscontract omdat Vie d’Or aanvankelijk kampte met lage inkomsten en hoge kosten. Om tegenwicht aan de druk op de solvabilteitsmarge te bieden, werd een vordering op de herverzekeraar gecreëerd die in de winst- en verliesrekening als bate werd verantwoord terwijl premies pas in volgende boekjaren ten laste van het resultaat werdengebracht. Op deze manier werden toekomstige baten naar voren gehaald. Het contract werd echter onjuist verwerkt omdat tegenover de (aanzienlijke) vordering op de herverzekeraar een schuld had moeten staan.7
Beckman 8 wijst in zijn annotatie bij het arrest terecht op het feit dat het bestuur de verwerking en toelichting bepaalt en niet de accountant. De accountant moet slechts beoordelen ‘of de door het bestuur gekozen gedragslijn past binnen de beoordelingsmarge die aan het bestuur binnen de grenzen van Titel 9 Boek 2 BW toekomt’.
De mededeling van de accountant aan de Verzekeringskamer dat de door deze geëiste aflossingen op vorderingen op de vennootschappen van de directeur hadden plaatsgevonden, was misleidend, nu nieuwe betalingen aan deze vennootschappen de vorderingen niet substantieel hadden doen afnemen; en
De accountants hebben de raad van commissarissen van Vie d’Or onvoldoende ingelicht.
De accountants kregen tuchtrechtelijk een schriftelijke berisping opgelegd vanwege het ten onrechte afleggen van goedkeurende verklaringen bij de jaarrekeningen over 1989 en 1992. De rechtbank en het hof ’s-Gravenhage9 zagen in deze verwijten aanleiding om de onrechtmatigheid van het handelen van de accountants jegens de voormalig polishouders aan te nemen.10 De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Den Haag, omdat het hof een verkeerde aansprakelijkheidsnorm tot uitgangspunt had genomen (zoals nader toegelicht in paragraaf 4.3.2.2) en omdat het feitelijke stellingen van gedaagden niet of onvoldoende in zijn overwegingen had betrokken.11 De Hoge Raad verwijst de zaak vervolgens naar het hof Amsterdam. In 2008 heeft stichting Vie d’Or vervolgens overeenstemming bereikt over een minnelijke regeling van de schade met Deloitte & Touche en de actuaris (Heijnis & Koelman) van Vie d’Or, DNB, de Staat en het Verbond van Verzekeraars. Deze regeling is vastgelegd in een overeenkomst, die voorziet in de vorming van een fonds van ongeveer € 45.000.000,- waaruit aan gedupeerden schadevergoedingen zullen worden betaald.