Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.3.2
6.3.2 Geen bevoegdheid tot verwerping van het door de erflater toegekende vermogen
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232246:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Uiteraard voor zover deze niet voortvloeien uit familierechtelijke betrekkingen, dergelijke betrekkingen zijn voor een stichting immers nooit mogelijk.
Zie artikel 4:190 BW en artikel 4:201 BW.
Vgl. HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3329, NJ 2016/168, m.nt. S. Perrick. In deze uitspraak oordeelde de Hoge Raad dat niemand kan worden gedwongen afstand te doen van zijn wettelijke erfrechtelijke bevoegdheden.
In 6.3.3.1.4 geef ik een voorbeeld van een dergelijke zeer bijzondere omstandigheid.
Hütteman/Rawert, Staudinger BGB 2010 § 83 Rn 17.
Hütteman/Rawert, Staudinger BGB 2010 § 83 Rn 17; Hof in v.Campenhausen/Richter § 6 Rn 105. Ook Schewe is de mening toegedaan dat de stichting een beschikking niet mag verwerpen. Hij ziet daarvoor echter een andere rechtsgrond. Volgens hem is de rechtsgrond gelegen in de beperking in de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur die uit het recht voortvloeit. Het verwerpen van de making moet worden gezien als een besluit tot ontbinding van de stichting. Dit recht kan het bestuur echter niet of niet zelfstandig uitoefenen, Schewe 2004, p. 275-278.
Als een bij dode opgerichte stichting erfgenaam, legataris, lastbevoordeelde of zelfs begunstigde uit een levensverzekering kan zijn, zoals hiervoor bleek, komt het beeld naar voren dat de bij dode opgerichte stichting in dit opzicht een ‘gewone’ stichting is waarvoor ten volle het bepaalde uit artikel 2:5 BW geldt: een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. Een dergelijke wettelijke ‘tenzij’ is ten aanzien van de erfrechtelijke positie van de bij dode opgerichte stichting niet aan te wijzen. Een uitvloeisel hiervan is dat de bij dode opgerichte stichting ook alle rechten kan uitoefenen die een natuurlijk persoon als erfrechtelijke begunstigde heeft.1 Een van die bevoegdheden is het recht een making te verwerpen.2 Daarmee stuiten wij op een bijzonder aspect van de bij dode opgerichte stichting als gerechtigde tot de nalatenschap van de erflater/oprichter.
Als een bij dode opgerichte stichting het haar vermaakte verwerpt, wordt geen recht gedaan aan de wil van de oprichter, welke wil toch een prominente plaats inneemt in het stichtingenrecht, zo bleek in 2.2.2.4.1. Hoe zit het dan met de mogelijkheid tot verwerping? In de Nederlandse literatuur trof ik niets aan over de mogelijkheid tot verwerping van erfrechtelijke begunstigingen opgenomen in dezelfde uiterste wil als waarin de uiterste wilsbeschikking tot oprichting van een stichting is opgenomen. Toch is het wel of niet mogen verwerpen van groot belang voor de vraag of de bij dode opgerichte stichting dat kan brengen wat de erflater zich bij ‘zijn’ stichting voorstelde. Het is immers de erflater die zijn eigen erfrechtelijke verkrijger creëert en naar zijn eigen inzichten modelleert. Dat deze verkrijger zou kunnen verwerpen, zal waarschijnlijk niet eens opkomen bij de erflater. Maar de door hemzelf bij uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting dwingen tot aanvaarding van de door hem gemaakte begunstigingen kan hij ook niet (artikel 4:4 lid 1 BW).3 De beslissing tot aanvaarding berust geheel en al bij de verkrijger. Niettegenstaande het algemene beginsel dat een erfrechtelijke bevoordeling niet opgedrongen kan worden, is de bij dode opgerichte stichting slechts onder zeer bijzondere omstandigheden bevoegd een door de erflater/oprichter gemaakte erfrechtelijke bevoordeling te verwerpen.4 Ondanks het ontbreken van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling is aanvaarding van de nalatenschap van de erflater/oprichter hier de norm. Voor de duidelijkheid: voor andere dan door de erflater/oprichter bij dode opgerichte stichtingen geldt dit niet zonder meer.
Voor het antwoord op de vraag of verwerpen mogelijk is, ben ik geïnspireerd door het Duitse recht. Vooropgesteld moet worden dat in Duitsland een bij dode opgerichte stichting bij haar oprichting nooit te maken kan krijgen met een negatief vermogen van de erflater. De reden daarvoor is de Duitse Anerkennung. Als het vermogen onvoldoende is om het doel na te streven, zal Anerkennung achterwege blijven en zal de stichting niet ontstaan.5 Dit is een gevolg van de centrale rol van het vermogen van de stichting (zie 2.3.2.5). Verder is van belang dat in Duitsland algemeen wordt aangenomen dat de bij dode opgerichte stichting zichzelf niet van haar Existenzgrundlage (bestaansbasis) kan beroven. Daarom is het de Duitse bij dode opgerichte stichting niet toegestaan makingen van de erflater te verwerpen.6
Een Nederlands verbod tot verwerping kan wel tot gevolg hebben dat de stichting met verplichtingen geconfronteerd wordt die haar vermogen te boven gaan. Dit hoeft geen bezwaar op te leveren, zo zal hierna blijken.