ABRvS, 13-05-2026, nr. 202404628/1/R2
ECLI:NL:RVS:2026:2759
- Instantie
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
- Datum
13-05-2026
- Zaaknummer
202404628/1/R2
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2026:2759, Uitspraak, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 13‑05‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 13‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 4 juni 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze het wijzigingsplan "Maasstraat ong (nabij […]), Heesch" vastgesteld. Met het wijzigingsplan beoogt het college de bouw van drie seniorenwoningen in één bouwvolume, een twee-onder-één-kapwoning en een vrijstaande woning op twee percelen rond een bestaande woning aan [locatie] in Heesch mogelijk te maken. De wijzigingsbevoegdheid die het college voor het wijzigingsplan heeft toegepast, staat in artikel 28.4 van de planregels van het bestemmingsplan "De kommen van Bernheze", dat geldt voor de locaties waar het wijzigingsplan over gaat. Appellanten wonen in de Maasstraat en vrezen voor aantasting van het karakter van de straat.
202404628/1/R2.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in Heesch, gemeente Bernheze,
2. [appellant sub 2], wonend in Heesch, gemeente Bernheze,
3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend in Heesch, gemeente Bernheze,
4. [appellant sub 4], wonend in Heesch, gemeente Bernheze,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Bernheze,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 4 juni 2024 heeft het college het wijzigingsplan "Maasstraat ong (nabij […]), Heesch" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.
Bij besluit van 19 november 2024 heeft het college het wijzigingsplan "Maasstraat, Heesch" vastgesteld (het herstelbesluit).
[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] hebben nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 20 februari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.D. Oegema en S. Blokland, is verschenen. Ook zijn op zitting [partij A] en [partij B], en [partij C] en [partij D], als partijen gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het wijzigingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 21 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Met het wijzigingsplan beoogt het college de bouw van drie seniorenwoningen in één bouwvolume, een twee-onder-één-kapwoning en een vrijstaande woning op twee percelen rond een bestaande woning aan [locatie] in Heesch mogelijk te maken. De wijzigingsbevoegdheid die het college voor het wijzigingsplan heeft toegepast, staat in artikel 28.4 van de planregels van het bestemmingsplan "De kommen van Bernheze", dat geldt voor de locaties waar het wijzigingsplan over gaat.
Appellanten wonen in de Maasstraat en vrezen voor aantasting van het karakter van de straat.
3. In het besluit van 19 november 2024 is het wijzigingsplan "Maasstraat, Heesch" vastgesteld. Met dit besluit is het besluit van 4 juni 2024, tot vaststelling van het wijzigingsplan "Maasstraat ong. (nabij […]), Heesch", vervangen. Het herstelbesluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Hierna wordt met "wijzigingsplannen" gedoeld op het wijzigingsplan en het herstelbesluit samen.
Toetsingskader
4. In artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening is geregeld dat in een bestemmingsplan kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen. Het college moet daarbij voldoen aan de in het plan gegeven regels.
Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarover de wijzigingsbevoegdheid gaat in beginsel als een gegeven worden beschouwd als is voldaan aan de in het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden die in een bestemmingsplan zijn opgenomen, doet niets af aan de plicht van het college van burgemeester en wethouders om in de besluitvorming over de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming gerechtvaardigd is.
Het beroep
5. Appellanten betogen dat het college de wijzigingsplannen in strijd met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 28.4 van het bestemmingsplan "De kommen van Bernheze" heeft vastgesteld. Zij voeren aan dat het college de ontwikkelingsvisie Noordrand Heesch niet in acht heeft genomen, omdat de percelen waar de wijzigingsplannen over gaan daarin zijn aangemerkt als ‘doorkijk’. De doorkijken worden met de wijzigingsplannen teniet gedaan. Daarnaast doen de wijzigingsplannen afbreuk aan het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. De woningen die de wijzigingsplannen mogelijk maken passen namelijk niet in de lintstructuur van de Maasstraat. Ook past volgens hen het type woningen niet bij de vrijstaande woningen in de rest van de straat.
Daarnaast voert [appellant sub 4] aan dat de nieuwe woningen de lichtinval in haar woning onevenredig beperken. Hier heeft het college onvoldoende aandacht aan gegeven in de belangenafweging.
6. In de wijzigingsbevoegdheid van artikel 28.4 stelt onderdeel a als voorwaarde voor het gebruik van de bevoegdheid dat de ontwikkelingsvisie Noordrand Heesch in acht wordt genomen. Onderdeel i stelt als voorwaarde dat geen afbreuk mag worden gedaan aan het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.
7. Over het betoog dat de ontwikkelingsvisie niet in acht is genomen, oordeelt de Afdeling als volgt. De ontwikkelingsvisie bevat onder meer het gemeentelijk beleid voor bebouwing in Heesch, waaronder de noordrand van deze kern. De wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan gaat over een groot deel van deze noordrand. De wijzigingsplannen hebben slechts betrekking op enkele percelen binnen dit gebied.
In deze visie zijn gebieden aangemerkt als gebieden waar bebouwing wordt toegestaan en gebieden waar de keuze is gemaakt om de openheid intact te laten. De percelen waar de wijzigingsplannen over gaan, zijn op de kaarten in die visie aangeduid als "doorkijk", waarover staat: "Deze aanduiding geeft aan waar de aanwezige openheid landschappelijk waardevol is en bebouwing niet gewenst." In de ontwikkelingsvisie staat echter ook dat dit een beleid op hoofdlijnen is en dat bepaald kan worden of een initiatief passend is.
Appellanten kunnen gevolgd worden in hun standpunt dat er sprake is van enige aantasting van de openheid van het landschap. Anderzijds is de Afdeling van oordeel dat de voorziene woningen op zo’n manier zijn ingepast in het landschap dat een mate van openheid blijft bestaan. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de handhaving van een deel van de agrarische bestemming en uit de open positionering van de voorziene woningen. Met de voorziene bebouwing uit de wijzigingsplannen is de ontwikkelingsvisie dan ook in acht genomen, omdat het college voldoende heeft onderbouwd dat het initiatief passend is. Er is dus geen strijd met artikel 28.4, aanhef en onderdeel a, van de planregels van het bestemmingsplan "De kommen van Bernheze".
Het betoog slaagt niet.
8. Over het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse oordeelt de Afdeling dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de wijzigingsplannen hier geen afbreuk aan doen. In de plantoelichting staat beschreven hoe de positionering van de woningen de lintstructuur in de straat versterkt. Met de open opzet en toevoeging van beplanting wordt het karakter van de Maasstraat behouden. Tegelijkertijd heeft het college verklaard dat het vanuit stedenbouwkundig oogpunt wenselijk is om variatie te creëren. De Maasstraat bestaat nu uit aaneengesloten bebouwing en diepe kavels. Het college heeft gebruik willen maken van deze diepte. Met de erfconstructie die een cluster van woningen vormt, worden de nadelen van lintbebouwing opgevangen. Daarbij beoogt het college met de wijzigingsplannen bij te dragen aan de diversiteit van het woningaanbod in de gemeente.
Met deze toelichting heeft het college voldoende onderbouwd dat de woningen die de wijzigingsplannen mogelijk maken passen binnen het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Daarmee zijn de wijzigingsplannen vastgesteld met inachtneming van onderdeel i van de wijzigingsbevoegdheid.
Het betoog slaagt niet.
9. Over het betoog van [appellant sub 4] dat de nieuwe woningen de lichtinval in haar woning onevenredig beperken, overweegt de Afdeling als volgt.
De afstand tussen de voorziene woningen en haar woning is ten minste 11 meter en de hoogte is in het herstelbesluit begrensd op 8 meter voor de vrijstaande woning en 7,5 meter voor de andere woningen. De woningen wijken in dit opzicht niet af van de andere woningen in de Maasstraat en het college sluit met het plan aan bij het bebouwingsritme in de straat. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling voldoende inzichtelijk gemaakt dat de gevolgen voor de lichtinval voor [appellant sub 4] beperkt blijven en niet onevenredig zijn. Het college mocht in dit geval een groter belang hechten aan de komst van de nieuwe woningen die de wijzigingsplannen mogelijk maken dan aan het belang dat [appellant sub 4] en de andere appellanten hebben bij een ongewijzigde woonomgeving.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
10. De beroepen zijn ongegrond.
Proceskosten
11. De raad hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en [appellant sub 4] ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Scheele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
723-1192