Einde inhoudsopgave
Transparante en eerlijke verdeling (Meijers-reeks) 2015/12.2.2
12.2.2 De transparantieverplichting, het -beginsel en de -vereisten
A. Drahmann, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
A. Drahmann
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel de terminonogie van het Hof van Justitie niet consequent is, kan wel worden geconstateerd dat vaker wordt gesproken over een ’verplichting’ dan een ’beginsel’. Zo oordeelde het Hof van Justitie in oktober 2013 dat ‘het Unierecht met name het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers of gegadigden en de daaruit voortvloeiende verplichting tot transparantie’ toepast (HvJ EU 10 oktober 2013, C-336/12).
O.a. HR 4 november 2005, BR 2006/36, m.nt. H. Nijholt en NJ 2006/204, m.nt. M.R. Mok.
O.a. HvJ EG 29 april 2004, C-496/99 (Succhi di Frutta).
HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1078. Vgl. ook HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9231, TBR 2013/33, m.nt. B.J.H. Blaisse-Verkooyen en ECLI:NL:HR:2012:BW9233. De Hoge Raad gebruikt een identieke formulering om de transparantieverplichting te omschrijven, maar voegt hier nog aan toe: ’Een en ander brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaatsheeft, zoals de selectiecriteria.’
In dit hoofdstuk wordt onderscheid gemaakt tussen de transparantieverplichting, het -beginsel en de -vereisten. De transparantieverplichting is de hoofdterm die wordt gebruikt voor de, hierna nog uitgebreider omschreven, Unierechtelijke verplichting om elk risico van favoritisme en willekeur uit te bannen door, onder meer, een passende mate van openbaarheid in acht te nemen. De eerste reden hiervoor is dat hiermee aangesloten wordt bij de terminologie van het Hof van Justitie.1 De tweede reden is dat als een van de deelvragen is óf sprake is van een beginsel, het niet zuiver lijkt om het ’transparantiebeginsel’ als hoofdterm te nemen, omdat dit de suggestie wekt dat aan het begin van het onderzoek al de conclusie vast zou staan dat sprake is van een beginsel, hetgeen niet het geval is. De term transparantiebeginsel wordt dus in deze slotbeschouwing uitsluitend gebruikt als ook daadwerkelijk gedoeld wordt op het transparantiebeginsel als zelfstandig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Ten slotte kan de transparantieverplichting (alsmede het transparantiebeginsel) worden geconcretiseerd. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie kan een aantal concrete vereisten worden afgeleid. Deze vereisten worden in dit boek aangeduid als transparantievereisten en vormen dus onderdeel van de transparantieverplichting.
De transparantieverplichting die in dit onderzoek centraal staat, is de Unierechtelijke, aanbestedingsrechtelijke transparantieverplichting. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad2 en het Hof van Justitie3 strekt de transparantieverplichting in essentie ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Dit betekent in het bijzonder dat aanbestedende diensten bij het begin van een aanbestedingsprocedure een ’passende mate van openbaarheid’ moeten betrachten. De transparantieverplichting is door de Hoge Raad op 9 mei 2014 als volgt omschreven:
‘Uit vaste rechtspraak van het HvJEU (zie onder meer HvJEU 29 april 2004, C-496/ 99 P, ECLI:NL:XX:2004:BG2419 (Succhi di Frutta), punten 108 en 110) volgt dat de aanbestedende dienst het beginsel van gelijke behandeling moet respecteren. Dit beginsel beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van het in hun offertes gedane voorstel dezelfde kansen krijgen. Het betekent derhalve dat voor deze offertes voor alle mededingers dezelfde voorwaarden moeten gelden.
De aanbestedende dienst dient voorts het transparantiebeginsel in acht te nemen (zie genoemd arrest Succhi di Frutta, punt 111). Dat beginsel heeft in essentie ten doel te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Het impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Deze eisen betreffen mede de door de aanbestedende dienst te hanteren beoordelingssystematiek.’4
Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie kunnen een drietal doelstellingen en negen verplichtingen die voortvloeien uit de transparantieverplichting worden afgeleid. Deze zullen hierna bij de beantwoording van de eerste deelvraag (paragraaf 12.3) worden beschreven.