Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/4.6.4
4.6.4 Nederlands niveau
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633575:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Overkleeft-Verburg 2000, p. 155.
Kamerstukken II 1976/77, 13872, nr. 7, p. 35; zie ook Bunschoten 2015, artikel 10 GW, aant. 2, p. 39.
Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3 p. 39, 40.
Kamerstukken II 1997/98, 25892, nr. 3, p. 7-11; zie hierover Overkleeft-Verburg 2000, p. 177.
Overkleeft-Verburg 2000, p. 167.
Overkleeft-Verburg 2000, p. 167, 178.
Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3, p. 23; Bunschoten 2015, artikel 10 GW, aant. 5 en 6, p. 41.
Overkleeft-Verburg 2000, p. 174.
Kamerstukken II 1997/98, 25892, nr. 3, p. 83; zie hierover Verkleeft-Verburg 2000, p. 175.
Artikel 10 GW beschermt sinds 1983 het recht op eerbieding van de persoonlijke levenssfeer.1 Het grondrecht op privacybescherming komt ook groepen en organisaties toe en omvat kantoren en andere bedrijfsruimten.2 Het eerste lid bevat een algemeen geformuleerd klassiek grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer met een onthoudingsplicht voor de overheid.3 Het tweede en het derde lid betreffen specifieke voorzieningen voor verwerking van persoonsgegevens. Deze duiden op positieve verplichtingen voor de overheid om regels te stellen voor privacybescherming in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens. Daaronder vallen regels voor aanspraken op kennisneming van verwerking van persoonsgegevens en op verbetering van die gegevens.
De gehele verwerking van persoonsgegevens valt onder het grondrecht op privacy van artikel 10 GW, artikel 8 EVRM en artikel 8 Handvest Grondrechten EU.4 Niet elke gegevensverwerking vormt echter een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, maar de verwerking van gevoelige gegevens zal veelal wel een dergelijke inbreuk opleveren.5 Het gaat dan om gegevens over onder meer iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid en seksuele leven (art. 9 AVG, voorheen gold artikel 16 Wbp). Dit grondrecht op privacy van artikel 10 GW kan bij of krachtens de wet beperkt worden, zodat delegatie van beperkingsbevoegdheden is toegestaan. De beperking hoeft dus slechts herleidbaar te zijn tot een formele wet. Dit in tegenstelling tot de beperkingsclausule van artikel 8 EVRM, waarbij aan de beperking meer eisen worden gesteld: (1) voor zover bij de wet voorzien; (2) in een democratische samenleving noodzakelijk en (3) in het belang van een van de vermelde doelcriteria.
Dit verklaart waarom artikel 8 EVRM niet aan betekenis heeft ingeboet na de inwerkingtreding van artikel 10 GW in 1988.6 De meerwaarde van artikel 8 EVRM – en artikel 8 Handvest Grondrechten EU – ligt vooral in de ruimere toetsingsbevoegdheid van de rechter op rechtmatigheid, zoals de toetsing op het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. Aan de andere kant biedt artikel 10 lid 1 GW meer bescherming omdat de beperkingsclausule herleidbaarheid tot een formeel wettelijke grondslag van beperkingen vereist.7 Gezien de terminologie in lid 2 en 3 over de verwerking van persoonsgegevens (“De wet stelt regels”) is autonome regelgeving van lagere overheidsorganen met beperkingen echter niet uitgesloten.8
Voor de informationele privacy prevaleert de betekenis van het Unierecht boven die van artikel 10 GW.9Artikel 10 GW behoudt zijn betekenis rondom de invulling van het begrip ‘wettelijk’ in artikel 6, lid 1, sub c AVG: een gegevensverwerking die noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen is rechtmatig. De invulling van dit begrip wordt volgens het Europese recht primair door het nationale recht bepaald, zodat een wettelijke verplichting tot gegevensverwerking in een specifieke wet moet voldoen aan de bescherming van artikel 10 GW en 8 EVRM. Dit betekent dat die wettelijke verplichting alleen bij of krachtens een wet in formele zin kan ontstaan voor zover dit in een democratische samenleving noodzakelijk is met het oog op een van de doelcriteria van artikel 8 EVRM. De rechterlijke toetsing zal uiteindelijk uitwijzen of aan deze voorwaarde is voldaan.10