NJB 2024/1562:Witwassen door ‘verbergen’ en ‘verhullen’, art. 420bis lid 1, aanhef en onder a, en 420quater lid 1, aanhef en onder a, Sr: deze bestanddelen hebben betrekking op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op onder meer de herkomst van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten ook geschikt zijn om dat doel te bereiken. De doelgerichtheid van het handelen kan worden afgeleid uit de objectieve strekking ervan (het verbergende of verhullende effect). Niet hoeft te worden bewezen dat de verdachte het oogmerk had om te verbergen of te verhullen. In casu heeft het hof aldus de grondslag van de tenlastelegging verlaten. Een standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan de feitenrechter is voorgelegd, art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv: in casu moet als zodanig worden aangemerkt hetgeen dat het OM naar voren heeft gebracht over de wetenschap van onder anderen de verdachte over de omstandigheid dat de in de tenlastelegging bedoelde bitcoins en geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Tekortschietende motivering door hof.