Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.3.4.2
II.4.3.4.2 Soepel bepaaldheidsvereiste
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625527:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1984/85, 17496, 10, p. 15 en 16 (MvA II Inv.), Parl. Gesch. Boek 3, p. 1123-1124. Zie ook paragraaf 4.2.3 ‘Parlementaire geschiedenis van Titel 3.2 BW’ en paragraaf 4.3.4.1 ‘Bepaalbaarheid van verbintenissen’.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 285; Asser/Hijma 2013 (7-I”), nr. 200.
Zie hierboven paragraaf 4.3.2.2 onder C ‘Bepaaldheid van verbintenissen… in de literatuur’ en de voorbeelden uit de rechtspraak in paragraaf 4.3.3.2.
Zie ook paragraaf 4.2.3 en 4.3.1.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 895-896. Vgl. Kamerstukken II 1984/85, 17496, 10, p. 15 en 16 (MvA II Inv.), Parl. Gesch. Boek 3, p. 1123.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 285.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 285.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken die genoemd zijn in Asser/Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 285.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 896.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 896.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2014 (6-III), nr. 287.
Het bepaaldheidsvereiste in art. 6:227 BW is ‘een versoepeling voor de obligatoire overeenkomst van de voor alle rechtshandelingen geldende eis van een bepaald onderwerp, en wel één die niet los gezien kan worden van de eisen van redelijkheid en billijkheid waardoor de obligatoire overeenkomst blijkens art. 6:248 BW mede wordt beheerst.’1
Het bepaaldheidsvereiste in art. 6:227 BW dient zodoende soepel te worden opgevat: bepaalbaar volstaat (vgl. art. 1356 oud BW).2 In subparagraaf 4.3.2.2 zagen we al dat bepaalbaar niet hetzelfde is als bepaald. Indien de inhoud van een overeenkomst op het moment dat de overeenkomst wordt aangegaan door partijen bepaald moet zijn, kan de nadere vaststelling van haar inhoud niet op een later moment geschieden. Bij bepaalbaar is dit wel het geval. De bepaaldheid kan dan op een later moment worden vastgesteld. Deze vaststelling kan zelfs geschieden door een handeling van een derde of een van de partijen.3 In de parlementaire geschiedenis van Boek 6 BW is dit herhaald. Daarin is te lezen dat, zoals ook is opgemerkt in de parlementaire geschiedenis van Boek 3 BW,4 de verbintenissen bepaalbaar zijn wanneer:
‘[…] de vaststelling naar van te voren vaststaande criteria kan geschieden. De criteria kunnen overigens een subjectief element inhouden. In een overeenkomst kan namelijk de nadere vaststelling van de inhoud aan een derde, ja zelfs aan een der partijen worden opgedragen [….] (curs. NB).’5
Ofwel: bepaalbaar wil concreet zeggen dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst niet tot in detail moeten hebben verklaard waaruit de bedoelde verplichtingen bestaan. Over de bijzonderheden en juiste omvang mogen partijen op het moment van het sluiten van de overeenkomst nog in onzekerheid verkeren. Het is voldoende dat dit naderhand kan worden bepaald. Dit is bijvoorbeeld het geval indien partijen de bedoeling hebben gehad om overeen te komen zoals tussen hen of in de desbetreffende tak van handel of bedrijf gebruikelijk is.6Het gebruik of de gewoonte is hier de maatstaf aan de hand waarvan de bepaalbaarheid van verbintenissen kan worden vastgesteld (vgl. art. 6:248 lid 1 BW dat bepaalt dat een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft, maar ook die welke naar de aard van de overeenkomst uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien).
De nadere vaststelling van de inhoud van een verbintenis kan, zoals gezegd, ook een subjectief element inhouden. Dat wil zeggen dat zij ook door een van de partijen of een derde kan geschieden. Indien partijen duidelijk hebben afgesproken hoe de inhoud van de verbintenis verder zal worden vastgesteld (door één van hen, door hen gezamenlijk, door een derde etc.), ontbeert de overeenkomst niet voldoende bepaaldheid.7 Geschiedt de nadere invulling van de verbintenissen door een van de partijen dan zal hierbij steeds gehandeld dienen te worden met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid. Want, zo is in de vervolgzin van het zojuist weergegeven citaat uit de parlementaire geschiedenis van Boek 6 BW te lezen:
‘Deze laatste [bedoeld wordt een van de partijen aan wie de nadere vaststelling van de inhoud van de overeenkomst wordt opgedragen, toev. NB] moet, gelijk in een constante rechtspraak8 is aangenomen, bij de uitvoering van deze taak te goeder trouw, dat wil zeggen met inachtneming van wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, te werk gaan. Wordt een zodanige opdracht door een partij uitgevoerd op een wijze die met die eisen niet in overeenstemming is, dan heeft het geding zijn effect verloren en wordt de nadere bepaling door de rechter gegeven (curs. NB).’9
En hoe zit het dan met de derde die de vaststelling van de inhoud nader bepaalt? Uit Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934/p. 1205 (zie paragraaf 4.3.3.2) bleek reeds dat ook hier de redelijkheid en billijkheid niet uit het oog moet worden verloren. De redelijkheid en billijkheid geeft met andere woorden een (boven)grens aan waardoor het subjectieve element (de nadere vaststelling door een van de partijen of door een derde), toch enigszins kan worden geobjectiveerd. In de parlementaire geschiedenis van Boek 6 BW wordt voorts opgemerkt dat:
‘Over het geval dat de opdracht tot nadere bepaling aan een derde is gegeven, zal worden gehandeld in de titel Vaststellingsovereenkomsten.’10
Ik kom hierop terug in paragraaf 4.3.7.
Voor wat het voorwerp van de prestatie ofwel ‘de zaak’ betreft, geldt eveneens bepaalbaarheid. Dat wil zeggen dat de hoeveelheid van de zaak, alsook de zaak zelf of de soort zaken niet reeds bij het aangaan van de overeenkomst tot in bijzonderheden vast hoeft te staan.11