WFR 2024/341
Maatschappelijke verantwoordelijkheid en fiscaliteit: de suikertax
Prof. dr. G.J. van Norden, datum 09-12-2024
- Datum
09-12-2024
- Auteur
Prof. dr. G.J. van Norden1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS992889:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Verbruiksbelastingen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Gert-Jan van Norden is partner indirect tax bij Meijburg & Co en hoogleraar belastingrecht, in het bijzonder indirecte belastingen, aan Tilburg University. Daarnaast werkzaam als rechter-plaatsvervanger in de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.
L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001, Deventer: Kluwer 2020, p. 6. Zie ook J.L.M. Gribnau, ‘Grenzen aan instrumentalisering’, WFR 1997/807.
Zie S. Cnossen, ‘Accijnzen om markt- en individueel falen te corrigeren’, WFR 2024/138 die aangeeft dat accijnzen daarnaast kunnen worden aangewend om ‘externe’ kosten bij benadering in rekening te brengen waardoor de gebruiker en verbruiker zijn of haar consumptie tot het optimale niveau zal beperken. Zo zal de markt efficiënter werken en wordt individueel falen gecorrigeerd.
Zie ook W. J. Corlett & D. C. Hague, ‘Complementarity and the Excess Burden of Taxation’, The Review of Economic Studies, Volume 21, Issue 1, 1953, p. 21-30.
L.G.M. Stevens, ‘Het zure van zoet: de suikertaks’, WFR 2018/98.
A.L.C. Simons, Bespreking van het Rapport van de Commissie ter bestudering van de accijnzen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, no. 156, Deventer: Kluwer 1982, p. 33.
Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 24 februari 2024, 2024-146285 (Belastingen in een maatschappelijk perspectief: Bouwstenen voor een beter belastingstelsel); Kamerstukken I 2023/24, 32140, S, vergezeld van diverse bijlagen, fiches G03 en G04.
Overigens heeft de suikeraccijns vrijwel gedurende zijn gehele bestaan in de 19e eeuw tot 1902 de functie gehad om de suikerexport te ondersteunen. Bij uitvoer verschaft de accijns bovenop de gebruikelijke restitutie bij uitvoer van geraffineerde suiker een uitvoersubsidie aan suikerexporteurs. Zie W.M.G. Visser, De Europese harmonisatie van de suikeraccijns, Tribuut aan Europa (Jubileumbundel van de 50-jarige Federatie van Belastingadviseurs), Amersfoort: 2004, p. 467-487.
Zie Rapport van de Commissie ter bestudering van de accijnzen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, no. 155, Deventer: Kluwer 1981, p. 23 alsmede Kamerstukken II 1954/55, 3885 en 3887, nr. 14, p. 4-5 en 23 r.k.
H.J. Hofstra, Bespreking van het Rapport van de Commissie ter bestudering van de accijnzen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, no. 156, Deventer: Kluwer 1982, p. 25 resp. p. 16.
Rapport van de Commissie ter bestudering van de accijnzen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, no. 155, Kluwer, Deventer, 1981, p. 24-25.
Toevoeging auteur. Bedoeld zal zijn: rechtsgrondslag. De rechtsgrond van een rijksbelasting is gelegen in een formele wet, terwijl bij de rechtsgrondslag wordt gezocht naar de rechtvaardiging van een belasting. Zie onder meer P. den Boer, ‘Discussiebijdrage I’, in: J.H. Christiaanse, Deelnemingsvrijstelling en holdings, Belastingconsulentendag ‘75, Deventer: Uitgeverij FED BV 1975, p. 25.
Rapport van de Commissie ter bestudering van de accijnzen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, no. 155, Kluwer, Deventer, 1981, p. 25.
HR 28 maart 2001, nr. 35 357, BNB 2001/241.
Zie W.M.G. Visser, Accijnzen, Deventer: Kluwer 2008, p. 230-231.
Er zijn nog wel wat kanttekeningen te plaatsen. Zie bijvoorbeeld de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 februari 2023, 3534801-1044365-VGP, in antwoord op Kamervragen over de heffing van ‘limonadebelasting’ op havermelk.
Brief van 26 april 2024, Kamerstukken II 2023/24, 32140, nr. 186.
Zie https://www.internetconsultatie.nl/contourenbriefverbruiksbelasting/b1. De consultatie is inmiddels gesloten en heeft 342 openbare reacties opgeleverd.
Zie https://www.gezondheidsraad.nl/documenten/adviezen/2015/11/04/dranken-toegevoegd-suiker-achtergronddocument-bij-richtlijnen-goede-voeding-2015. Zie ook de beantwoording van de Kamervragen over de contourenbrief, Kamerstukken II 2023/24, 32140, nr. 201, p. 9-10.
Zie de brief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 26 april 2024, 2024-0000236071, in antwoord op Kamervragen over het bericht ‘Appelsientje ontwijkt suikertaks met truc: vleugje zuivel maakt sap belastingvrij’.
In dezelfde zin Verkennend onderzoek suikerbelasting Ecorys, p. 45-47.
Zie ook Ricardo García Antón & Cihat Öner, ‘Public Health Taxes: Should Sugar-Sweetened Beverages Be Taxed? If So, How?’, World Tax Journal 2023, p. 651-652 die ook geen voorstander zijn van een oplossing in de btw-sfeer.
Zie het rapport Evaluatie van het verlaagde btw-tarief dat in opdracht van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst is uitgevoerd; brief van 11 april 2023, 2023-0000092424.
Brief van 14 mei 2024, 2024-0000296998 (Oplevering onderzoek naar de mogelijkheid voor een brede suikerbelasting op voedingsmiddelen), incl. bijlage Verkennend onderzoek suikerbelasting Ecorys.
Vergelijk de UK Guidance on Food products: Although most traditional bakery products, such as bread, biscuits and cakes, are zero-rated, some confectionery is standard-rated, met vervolgens de volgende voorbeelden: zero-rated: Toffee apples and other apples on a stick covered in chocolate, nuts and so on, maar standard rated: Nuts or fruit with a coating, for example of chocolate, yoghurt or sugar; zie https://www.gov.uk/guidance/food-products-and-vat-notice-70114.
Quality Adjusted Life Years.
Verkennend onderzoek suikerbelasting Ecorys, p. 9.
Verkennend onderzoek suikerbelasting Ecorys, p. 10. Volgens het rapport is de norm € 50.000 per QALY.
In dit kader zij opgemerkt dat de vleestax, waar vergelijkbare maatschappelijke vragen spelen, het bijvoorbeeld niet heeft gehaald.
Vergelijk in dit verband de recente uitspraak van Hof Den Haag van 12 november 2024, nr. 200.302.332/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:2099 in het geding tussen Milieudefensie en Shell.
P. Kavelaars, ‘Fiscale bouwstenen’, WFR 2024/182, par. 4.8.
Zie Ricardo García Antón & Cihat Öner, ‘Public Health Taxes: Should Sugar-Sweetened Beverages Be Taxed? If So, How?’, World Tax Journal 2023, p. 643-681 voor een lezenswaardige analyse van de criteria die in acht zouden moeten worden genomen bij de heffing van een suikertax op alcoholvrije dranken.
Zie A.M. Thow, S.M. Downs, C. Mayes, H. Trevena, T. Waqanivalu & J. Cawley, ‘Fiscal policy to improve diets and prevent noncommunicable diseases: from recommendations to action’, Bull World Health Organ.2018 Mar 1;96(3):201-210. doi:10.2471/BLT.17.195982. Epub 5 Feb 2018. PMID: 29531419; PMCID: PMC5840623 en WHO, Report of the commission on ending childhood obesity, 2016 (dat overigens specifiek ziet op een belasting op suikerhoudende dranken).
In deze bijdrage evalueert de auteur de mogelijke invoering van een suikertax in het licht van de maatschappelijke verantwoordelijkheid die de overheid draagt.
1. Inleiding
Leo Stevens is jarenlang een drijvende kracht achter het Weekblad geweest en een aanjager van het fiscale denken. Kenmerkend is dat hij de fiscaliteit steevast vanuit de maatschappelijke context benadert. Naast de ‘budgettaire functie’ van de belastingheffing heeft de huidige belastingheffing een bredere doelstelling. Zij wordt tegenwoordig mede gehanteerd als instrument ter ondersteuning van het algemene overheidsbeleid (de ‘instrumentele functie’).2 Een belangrijke bouwsteen van algemeen overheidsbeleid moet het nemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid zijn. Vanuit die verantwoordelijkheid dient de overheid te zorgen voor haar burgers. De fiscaliteit kan in dat kader worden ingezet. Accijnzen zijn door de jaren heen geëigende belastingen gebleken om vorm te geven aan de maatschappelijke verantwoordelijkheid die de overheid draagt.3 Denk aan de klassieke accijnzen op alcohol en tabak.4
Hoewel de focus van Leo altijd heeft gelegen op de directe belastingen, heeft hij altijd een open oog gehad voor de indirecte belastingen. In combinatie met de thematiek van maatschappelijke verantwoordelijkheid springt in het bijzonder zijn column ‘Het zure van zoet: de suikertaks’ uit 2018 eruit.5 Hij stelt daarin de mogelijke invoering van een suikertax in Nederland ter discussie en de spanning die ontstaat bij (on)gewenste overheidsinmenging in onze levensstijl. Waar begint en eindigt betutteling door de overheid en wanneer wordt de collectiviteit dusdanig geraakt door persoonlijk gedrag met hoge (zorg)kosten tot gevolg, dat overheidsingrijpen is gerechtvaardigd? De vraag is hoe ver de maatschappelijke bereidheid reikt om de kosten te dragen die voortvloeien uit de als ‘persoonlijk’ geclaimde levensstijl, aldus Leo.
Aangezien belastingen moeten meegroeien met het maatschappelijk verkeer,6 is in navolging van de ontwikkelingen in andere landen de afgelopen jaren de vraag weer opgekomen naar de mogelijke invoering van een suikertax in Nederland. Zo komt de suikertax, als onderdeel van de gezondheidsbelastingen, aan de orde in de Fiscale Bouwstenennotitie van begin dit jaar.7 In deze bijdrage evalueer ik de mogelijke invoering van een suikertax in het licht van de maatschappelijke verantwoordelijkheid die de overheid draagt.
2. Historisch perspectief
De suikertax is geen onbekend fenomeen in het Nederlandse belastingrecht. In de negentiende eeuw kenden we al een suikertax. In 1819 werd de accijns op de consumptie van buitenlandse suiker ingevoerd. Vanaf 1858 werd ook een accijnsheffing op binnenlandse suiker geïntroduceerd. Uiteindelijk werden beide accijnzen in één wet ondergebracht.8 Interessant is dat suiker aanvankelijk als een genotsmiddel werd beschouwd, waardoor het tarief van de suikeraccijns om budgettaire redenen vrij hoog werd gesteld. Geleidelijk aan werd suiker echter een algemeen voedingsmiddel. In dat kader werd het tarief van de suikeraccijns in de tweede helft van de twintigste eeuw in verschillende stappen afgebouwd.9 Aan de suikertax lagen in het verleden geen gezondheidskundige argumenten ten grondslag. Hofstra en Ploeger meenden dat de suikeraccijns zo hoog mogelijk zou moeten worden gemaakt, aangezien suiker niet een artikel is dat voor de gezondheid onmisbaar is en bovendien een aanzienlijke opbrengst kan opleveren.10 Per 1 januari 1993 werd de suikeraccijns afgeschaft, aangezien deze niet langer in overeenstemming was met de accijnzen die binnen de Europese interne markt mochten worden geheven.
De accijns op alcoholvrije dranken kent een minder lange historie. Deze accijns is in 1972 ingevoerd. Aan de invoering van deze accijns lagen enkel budgettaire redenen ten grondslag.11 Ook voor deze accijns werden toentertijd geen gezondheidskundige argumenten naar voren gebracht. In 1981 werd door de Commissie ter bestudering van de accijnzen van de Vereniging voor Belastingwetenschap betoogd dat de frisdrankaccijns zou moeten worden afgeschaft, omdat zij een rechtsgrond(slag)12 zou missen.13 Hoewel in het geharmoniseerde stelsel van accijnzen geen plaats meer is voor een accijns op frisdranken, is een soortgelijke heffing wel toegestaan, mits deze geen problemen oplevert in de handel tussen lidstaten. De per 1 januari 1993 ingevoerde verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken die een vlak tarief kent, is geheel in overeenstemming met het Europese recht, zoals is bevestigd door de Hoge Raad.14 Politiek heeft deze belasting overigens regelmatig ter discussie gestaan, vooral in relatie tot de (eventuele verhoging van de) alcoholaccijns.15 Momenteel bestaat deze verbruiksbelasting nog steeds. Gezondheidsoverwegingen zijn in de loop van de tijd wel een rol gaan spelen bij deze belasting. Zo is vanaf 1 januari 2024 het tarief verhoogd van € 17,30 naar € 26,13 per hectoliter, terwijl tegelijkertijd de verbruiksbelasting van mineraalwater is afgeschaft.16 Op deze wijze wordt getracht gezonder leven te stimuleren door de keuze voor water boven frisdrank financieel aantrekkelijker te maken.
3. Suikertax in de Bouwstenennotitie
In de Bouwstenennotitie komt de suikertax in twee gedaanten voor. Op de eerste plaats ziet fiche G03 op een suikertax op alcoholvrije dranken. Dit betreft in feite de huidige algemene verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken met een vlak tarief. Over het algemeen wordt deze belasting overigens niet aangeduid als suikertax, maar veeleer als frisdrankbelasting. Op de tweede plaats heeft fiche G04 betrekking op een mogelijke nieuwe suikertax die ziet op suikers in, kort gezegd, overige producten niet zijnde niet-alcoholische dranken.
3.1 Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken
De huidige verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken kent een vlak tarief. De belasting differentieert dus niet naar de mate van suiker. Het voorstel, zoals gedaan in fiche G03, is om een dergelijke differentiatie wel aan te brengen. Het gaat hier dus om aanpassing van een bestaande belasting. Op 26 april 2024 hebben de Staatssecretarissen van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de Tweede Kamer via hun zogenoemde contourenbrief geïnformeerd over de mogelijkheden van een gedifferentieerde verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken op basis van het suikergehalte. In de brief zijn vijf varianten voorgesteld.17 Op basis hiervan heeft ook een internetconsultatie plaatsgevonden.18 De beslissing die via de contourenbrief voorligt, is om de belasting zo in te richten dat het tarief toeneemt naarmate het suikergehalte in de drank toeneemt, ongeacht of sprake is van natuurlijke dan wel toegevoegde suikers. In het bijzonder bestaat discussie over de gelijkstelling van natuurlijke en toegevoegde suikers. Zo zijn de makers van pure vruchtensappen reeds bij de verhoging van het tarief per 1 januari 2024 in verzet gekomen vanuit de gedachte dat pure vruchtensappen met natuurlijke suikers wel gezond zijn,19 terwijl de Gezondheidsraad mensen adviseert zo min mogelijk suikers binnen te krijgen via dranken, ongeacht of het natuurlijke suikers of toegevoegde suikers zijn.20 Ook wordt er in voorkomende gevallen getracht om onder de heffing uit te komen.21 Het eerste onderzoek naar de in april 2018 in het Verenigd Koninkrijk ingevoerde Soft Drinks Industry Levy (‘SDIL’) laat een daling van de suikerinname zien.22 De hoogte van de te betalen SDIL is afhankelijk van het suikergehalte in de drank.23 Gelet op de demissionaire status van het vorige kabinet, heeft dat de verdere keuzes aan de Tweede Kamer en het volgende kabinet gelaten. Het nieuwe kabinet heeft deze handschoen nog niet opgepakt.
3.2 Suikertax (overige producten)
Fiche G04 ziet op een nieuw in te voeren belasting op suikers in andere producten dan alcoholvrije dranken, een suikertax. Het beoogde doel van een dergelijke belasting is het verminderen van de consumptie van suikers met gezondheidswinst als gevolg. De bedoeling is dat de belasting toeneemt naarmate het suikergehalte in het voedingsmiddel toeneemt. Daardoor wordt zowel de prikkel voor het bedrijfsleven om minder suiker toe te voegen, als de prikkel voor consumenten om minder suiker te eten, groter. Of en in hoeverre de gezondheidskundige doelstellingen met een suikertax zouden worden bereikt, is niet aangegeven in het fiche. De effectiviteit van een suikertax is geen gegeven. Zoals opgemerkt in het fiche, levert onderzoek naar suikertaxes op etenswaren in Hongarije en Denemarken daar geen overtuigend bewijs voor. De suikertax in Hongarije lijkt op het eerste oog niet effectief, nu de consumptie van belaste producten in de eerste drie jaar daalde maar daarna terugkeerde op het oude niveau. Voor Denemarken geldt dat de effectiviteit lastig is te meten, omdat de belasting al sinds 1922 bestaat. In Portugal lijken overigens wel positieve effecten waarneembaar van de suikertax op dranken.24 Nader onderzoek is nodig om te beoordelen hoe dit precies zit. Het fiche maakt niet duidelijk hoe een Nederlandse suikertax er precies uit zou moeten gaan zien. Ecorys heeft onderzoek gedaan naar een Nederlandse suikertax, maar dit onderzoek was ten tijde van de Bouwstenennotitie nog niet afgerond.
Een suikertax vormgegeven via de verhoging van de btw op bepaalde suikerhoudende producten zal vanwege het fiscale neutraliteitsbeginsel overigens niet haalbaar zijn.25 Suikerhoudende producten zullen immers altijd ook concurreren met geen of minder suikerhoudende producten. Gelet op de doelstelling van de suikertax, zouden die laatste echter buiten de heffing moeten worden gelaten. Dat past dus niet binnen het btw-systeem.26 Het gedragsturende effect van btw-tarieven lijkt in algemene zin overigens beperkt, zoals kan worden opgemaakt uit de evaluatie van het verlaagde btw-tarief.27
4. Onderzoek suikertax
Zoals aangekondigd in de Bouwstenennotitie, heeft Ecorys medio dit jaar een onderzoek naar een suikertax opgeleverd. Dit onderzoek hebben de Staatssecretarissen van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst en Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 14 mei 2024 met de Tweede Kamer gedeeld.28 Het onderzoek is gericht op de vraag of een brede suikertax op voedingsmiddelen een effectief instrument is voor het verminderen van de consumptie van suiker via die voedingsmiddelen. In het onderzoek is ingegaan op de vraag hoe een dergelijke belasting kan worden vormgegeven zodat wordt bijgedragen aan dit gezondheidsdoel. Uit het onderzoek blijkt dat een suikertax kan bijdragen aan het verminderen van de consumptie van suiker via voedingsmiddelen en dat het effect van een suikertax op de suikerconsumptie het grootst is onder de top 20% suikerconsumenten (de mensen die het meeste suiker consumeren). Logischerwijs is ook de gezondheidswinst het grootst bij deze groep mensen. De varianten van een brede suikertax op voedingsmiddelen die Ecorys heeft doorgerekend hebben een budgettaire opbrengst tussen de € 700 miljoen en € 1,2 miljard.
Uitgangspunt is een belasting op basis van het suikergehalte dat in de voedingswaarde op het etiket moet worden vermeld. De productafbakening is op grote lijnen gebaseerd op de zogenoemde Schijf van Vijf. Het advies is om producten te belasten vanaf minimaal 6% suikergehalte. Verwacht mag worden dat de productafbakening in de praktijk vraagstukken gaat opleveren.29 Qua gezondheidswinst bevat het onderzoek de volgende conclusies. De suikertax verhoogt de gezonde levensjaren (QALY’s)30 met circa een half jaar per persoon voor de top 20% suikerconsumenten, maar heeft – aldus de onderzoekers – betrekkelijk weinig invloed op de QALY’s van de overige 80%. Dit komt vooral door een reductie van de kans op diabetes over de levensloop met 3 tot 7 procentpunt, en een reductie van de kans op een hartaanval of beroerte met respectievelijk 1 tot 3 procentpunt, voor respectievelijk de overige 80% en de top 20% suikerconsumenten. De besparing op suikerconsumptie gerelateerde zorgkosten (diabetes, hartaanvallen en beroertes) wordt overtroffen door toenemende ouderdomsgerelateerde zorgkosten. Toch levert de suikertax volgens het onderzoek per saldo financiële baten op door een productiviteitswinst als gevolg van lager ziekteverzuim en lagere arbeidsongeschiktheid. De totale jaarlijkse financiële baten van de suikertax bedragen daarmee circa € 500 tot 600 miljoen per jaar.31 De financiële baten van de verbeterde volksgezondheid zijn overigens nog exclusief een in geld uitgedrukte waardering van de winst in QALY’s. Een dergelijke waardering op geld lijkt mij niet eenvoudig en op zijn minst voor discussie vatbaar.32 Belangrijke vraag is wel in hoeverre de suikertax uitvoerbaar is. Het rapport gaat daar te weinig op in.
Op basis van het onderzoek van Ecorys lijkt de invoering van een suikertax te leiden tot gezondheidswinst. Hoewel het onderzoek de effectiviteit van een suikertax dus onderbouwt, is geen aandacht besteed aan de vraag of de doelstellingen van een suikertax niet beter kunnen worden bereikt via niet-fiscaal-instrumentalistische weg. Die vraag is niet aan de onderzoekers voorgelegd, maar die is daarmee niet minder relevant.
5. Evaluatie maatschappelijke verantwoordelijkheid en suikertax
Een legitieme voorvraag voordat we toekomen aan de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de overheid is die naar de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de suiker gebruikende burger zelf. Is het niet de burger die op de eerste plaats verantwoordelijk is voor zijn eigen voedsel- en drankinname en gezondheid?33 Als de burger bij ongezond gedrag de financiële gevolgen van extra medische zorg niet zelf hoeft te dragen, maar die worden gedragen door onze collectiviteit, dan ligt dit wellicht toch genuanceerder. Dan moet de overheid mogelijk namens ons allen opstaan. Een logische aanpalende voorvraag is overigens hoe het zit met de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de voedselindustrie. Heeft het bedrijfsleven niet een eigen verantwoordelijkheid naar zijn klanten, de consumenten? Of reikt die verantwoordelijkheid slechts tot daar waar de overheid het bedrijfsleven daadwerkelijk verplichtingen oplegt?34 Denkelijk ligt er ook een verantwoordelijkheid voor scholen om te zorgen voor een gezond kantineaanbod en bijvoorbeeld een gezamenlijk gezond ontbijt. Wat er ook zij van de maatschappelijke verantwoordelijkheden van burgers zelf, het bedrijfsleven en scholen, de overheid is er om namens het collectief maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen.
In het kader van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de overheid voor de gezondheid van haar burgers is de invoering van een suikertax te begrijpen. De vraag rijst wel of er betere, lees effectievere en efficiëntere, instrumenten voorhanden zijn om overgewicht en schadelijke gezondheidseffecten van suikerinname te voorkomen dan de invoering van een suikertax. Als alternatief voor een suikertax zou bijvoorbeeld ook kunnen worden gekozen voor beperking van de suikertoevoeging door middel van een maximeringsregel voor de voedingsindustrie, waar onder meer Kavelaars op wijst.35 Hij trekt de vergelijking met de methode die de Europese Commissie heeft toegepast met betrekking tot de beheersing van de CO2-uitstoot door auto’s: vanaf 2035 mogen dergelijke auto’s in de EU in principe niet meer worden verkocht. Een dergelijke methodiek zou in een voor suikerproducten passende vorm mogelijk te overwegen zijn. Daarbij zal dan veel afhangen van de mogelijkheden tot substitutie van suikerhoudende producten door gezondheidsvriendelijke producten. Verder zal, zoals Kavelaars zelf ook benoemt, moeten worden nagedacht over natuurlijke suikers. Ook subsidies voor gezonde voedingsmiddelen zouden een alternatief kunnen zijn voor een suikertax.
Voor de differentiatie in tarief van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken gelden in principe dezelfde afwegingen, met het verschil dat deze belasting reeds bestaat. Bezien vanuit de lens van de maatschappelijke verantwoordelijkheid ligt het voor de hand om tariefdifferentiatie toe te passen. Op welke wijze dat precies moet gebeuren, vergt vermoedelijk nader onderzoek en een aantal politieke keuzes, in het bijzonder op het terrein van de natuurlijke suikers. Ook de uitvoerbaarheid verdient nadere aandacht.36 De invoering van een suikertax op EU-niveau verdient, ook gelet op grenseffecten, in principe de voorkeur boven een nationale suikertax. De kans op een EU-suikertax is echter dermate gering dat vanuit maatschappelijk perspectief actie op nationaal niveau is te prefereren.
Bij dit alles dient te worden bedacht dat de enkele invoering van een suikertax niet voldoende is om de beoogde vermindering van de consumptie van suikers en gezondheidswinst te bereiken. Volgens de World Health Organization (‘WHO’) is een pakket van maatregelen nodig, waarbij fiscale maatregelen worden versterkt door het vergroten van bewustzijn onder consumenten, het verbeteren van informatie om ongezonde voeding (makkelijker) te identificeren en het (meer) reguleren van marketing van ongezonde voeding.37
6. Conclusie
De maatschappelijke vragen die Leo in zijn column uit 2018 heeft gesteld met betrekking tot een mogelijke invoering van een suikertax, zijn momenteel zeer actueel. Vanuit de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de overheid voor de gezondheid van haar burgers is de introductie van een dergelijke belasting te begrijpen. Dan moet wel voldoende overtuigend zijn aangetoond dat dit een effectieve maatregel is om gezondheidskundige doeleinden te bereiken. Het onderzoek van Ecorys wijst in die richting. Bovendien zou de vraag nog moeten worden bekeken of de doelstellingen van een suikertax niet beter kunnen worden bereikt via niet-fiscaal-instrumentalistische weg. Wellicht zal het ‘do something’-argument uiteindelijk het doorslaggevende argument blijken: de invoering van een suikertax is een niet perfecte stap om gezondheidskundige doeleinden na te streven, maar is wel een stap in de goede richting. Zeker als de suikertax wordt geflankeerd door andere maatregelen ter verbetering van onze gezamenlijke gezondheid, zoals voorgestaan door de WHO. Passend in deze bijdrage en dit afscheidsnummer wens ik Leo een goede gezondheid toe en dat hij kan blijven opereren in his own sweet way!