Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/4.1
4.1 Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS481359:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Op het eerste gezicht klinkt het merkwaardig dat in de vergadering van de ondernemingsraad onderwerpen aan de orde gesteld kunnen worden waarvan de ondernemingsraad dat wenselijk acht. De bedoeling van de wetgever is geweest tot uiting te brengen dat de vraag of een bepaald onderwerp aan de orde komt een beslissing is van de gehele ondernemingsraad en niet van afzonderlijke leden van die raad (Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 6, p. 14). In vergelijking met de huidige regeling was het voor de bestuurder, die destijds slechts één stem in de ondernemingsraad had en dus een kleine minderheid vormde, niet eenvoudig te bewerkstelligen dat een door hem gewenst onderwerp besproken werd.
Kenmerkend voor de gewijzigde samenstelling van de ondernemingsraad (waarvan de bestuurder geen deel meer uitmaakt) is dat art. 23 in de Wet van 1970 was opgenomen in het hoofdstuk ‘Bevoegdheden van de ondernemingsraad’, maar vanaf 1979 in een (nieuw) hoofdstuk ‘Het overleg met de ondernemingsraad’.
Tot de wetswijziging van 1979 vond het overleg van de ondernemingsleiding met de werknemers plaats in de ondernemingsraad. Daarin konden ‘alle aangelegenheden, de onderneming betreffende’ aan de orde gesteld worden waarvan de ondernemer dan wel de ondernemingsraad overleg wenselijk achtte (art. 23 lid 1 van de Wet van 1971).1 Sinds 1979 maakt het hoofd of de bestuurder van de onderneming geen deel meer uit van de ondernemingsraad.2 Het overleg van de ondernemingsleiding met de werknemers, vertegenwoordigd door de ondernemingsraad ‘nieuwe stijl’, vindt sindsdien plaats in de overlegvergadering, een speciaal daartoe in het leven geroepen ‘orgaan’. De regeling betreffende het overleg kenmerkt zich door gelijkwaardigheid: een overlegvergadering vindt plaats ongeacht de vraag of de ondernemer dan wel de ondernemingsraad daarom heeft verzocht (art. 23 lid 1 WOR), zowel de ondernemer als de ondernemingsraad kunnen onderwerpen van overleg aan de orde stellen (art. 23 lid 2 WOR)3 , en de overlegvergadering wordt beurtelings geleid door de bestuurder en de voorzitter van de ondernemingsraad dan wel hun plaatsvervangers (art. 23a lid 2 WOR). Op enige onderdelen van de regeling inzake de overlegvergadering komt een bepaalde spanning naar voren tussen de Wet op de ondernemingsraden en de vennootschap. Het gaat dan zowel om inhoudelijke punten (art. 23 lid 2 en art. 24 lid 1 WOR) als om de aanwezigheid van bepaalde functionarissen (art. 24 lid 2 WOR). Op beide zal ik in dit hoofdstuk ingaan.