Rb. Noord-Nederland, 07-05-2026, nr. 18-053468-25
ECLI:NL:RBNNE:2026:1644
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
18-053468-25
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2026:1644, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 07‑05‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak)
- Wetingang
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood tot een taakstraf van 100 uren.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-053468-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 april 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.M. Chung, advocaat te Amsterdam.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.D. van Essen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 september 2024 te Oude Pekela, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als (beginnend) bestuurder van een motorrijtuig (te weten een auto), daarmee rijdende over de provinciale weg, de N367 ter hoogte van hectometerpaal 11.1, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, hierin bestaande dat verdachte:
- -
genoemd voertuig heeft bestuurd terwijl hij (zeer) vermoeid was en/of vervolgens tijdens het besturen van dat voertuig in slaap is gevallen en/of zijn aandacht onvoldoende op de weg en het verkeer heeft gehouden en/of
- -
daardoor de door hem bestuurde auto niet voortdurend onder controle heeft gehad en/of
- -
vervolgens een dubbele doorgetrokken streep heeft overschreden en (deels) terecht is gekomen op de weghelft bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer en/of
- -
in botsing is gekomen met een hem tegemoetkomende personenauto, te weten een Mercedes-Benz Citan,
waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 september 2024 te Oude Pekela, althans in Nederland, als (beginnend) bestuurder van een voertuig (een auto), daarmee rijdende over de provinciale weg, de N367 ter hoogte van hectometerpaal 11.1,
- -
genoemd voertuig heeft bestuurd terwijl hij (zeer) vermoeid was en/of vervolgens tijdens het besturen van dat voertuig in slaap is gevallen en/of zijn aandacht onvoldoende op de weg en het verkeer heeft gehouden en/of
- -
daardoor de door hem bestuurde auto niet voortdurend onder controle heeft gehad en/of
- -
vervolgens een dubbele doorgetrokken streep heeft overschreden en (deels) terecht is gekomen op de weghelft bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer en/of
- -
in botsing is gekomen met een hem tegemoetkomende personenauto, te weten een Mercedes-Benz Citan,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft een zeer kort moment van verminderde aandacht op de weg gehad. Mogelijk is hij kortstondig ingedut. Een plotselinge, kortdurende onoplettendheid zonder voorafgaande signalen is onvoldoende om schuld aan te nemen in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 16 april 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 18 september 2024 reed ik s avonds na werk vanuit de richting Oude Pekela en gaande in de richting van Nieuwe Pekela over de N367. Normaal gesproken ga ik als ik s avonds rijd altijd even stoppen bij een tankstation om een rondje te lopen zodat ik helder blijf. Ik dacht die bewuste avond dat ik nog wel een stukje verder kon rijden voordat ik pauzeren. Ik was niet alert. Ik was een kort moment aan het knikkebollen. Ik heb toen onvoldoende rechts aangehouden en ben op de verkeerde weghelft terechtgekomen waar ik op het voertuig ben gebotst dat uit tegengestelde richting kwam rijden.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van FO Verkeer d.d. 2 december 2024, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier d.d. 21 januari 2025, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Wij zagen dat de N367 ter hoogte van het verkeersongeval was verdeeld in 2 rijstroken, die onderling gescheiden werden door dubbele ononderbroken markering. De bestuurder van een Landrover reed daarmee over de N367 komende vanuit de richting Oude Pekela en gaande in de richting van Nieuwe Pekela. Ter hoogte van hectometerpaal 11.1 kwam hij met zijn voertuig op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer waar op dat moment de bestuurder van een Mercedes reed. De Landrover botste met zijn linker voorzijde tegen de linker voorzijde van de Mercedes. De bestuurder van de Mercedes is als gevolg van dit ongeval ter plaatse overleden.
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt vast dat verdachte in de avond van 18 september 2024 in een Landrover reed over de N367 in de richting van Nieuwe Pekela. De twee rijstroken van die weg zijn gescheiden door een dubbele doorgetrokken streep. De andere rijstrook is bedoeld voor het verkeer uit tegengestelde richting. Daar reed het slachtoffer in een Mercedes Citan. Verdachte heeft verklaard dat hij vermoeid was en dat hij normaal gesproken altijd even een stop maakt om alert te blijven als hij s avonds moet rijden. Dit keer maakte hij de inschatting dat een stop nog niet nodig was. Vervolgens nam hij een rotonde en naderde hij een flauwe bocht naar links. Verdachte is tijdens het besturen van de auto kortstondig in slaap gevallen, in elk geval even weggevallen. Hij heeft zijn auto daardoor niet voldoende onder controle gehad, waardoor het voertuig op de andere weghelft terecht is gekomen. Verdachte is toen in botsing gekomen met een tegemoetkomende auto, te weten het voertuig van het slachtoffer. Het slachtoffer is als gevolg van deze botsing om het leven gekomen.
Bij beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
In zijn algemeenheid kan niet worden aangegeven of een enkele verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van dit wetsartikel. Van schuld in de zin van dit wetsartikel is pas sprake in geval van (ten minste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld op te leveren in de zin van artikel 6 WVW. Daarnaast is het zo dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van een dergelijke mate van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
Provinciale wegen waarvan de rijstroken voor tegemoetkomend verkeer niet fysiek gescheiden zijn vereisen bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van weggebruikers. Dit geldt in nog sterkere mate op de locatie van het ongeval: de weg maakt daar een flauwe bocht. De noodzaak tot extra voorzichtigheid wordt daarnaast nog benadrukt door de dubbele doorgetrokken streep. Daarnaast noopt duisternis tot zeer prudent rijgedrag. Gelet hierop mag van weggebruikers op deze weg een hoge mate van waakzaamheid worden verwacht.
Verdachte verkeerde in een toestand van vermoeidheid en pleegt om die reden altijd een tussenstop te maken om alert te blijven. Op de betreffende avond heeft hij echter een inschattingsfout gemaakt door van een dergelijke stop af te zien. Hij was zich, gelet op het feit dat hij doorgaans wel een tussenstop maakte, bewust van de risicos. Doordat verdachte een kort moment in slaap is gevallen dan wel gedurende korte tijd is weggevallen, heeft hij zijn voertuig niet voortdurend onder controle gehad. Door op deze weg als bestuurder niet zoveel mogelijk rechts te houden, maar zo veel naar links te sturen dat hij op de voor het hem tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook terecht is gekomen, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank zich dermate aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen dat het verkeersongeval aan zijn schuld is te wijten, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 18 september 2024 te Oude Pekela, als verkeersdeelnemer, namelijk als (beginnend) bestuurder van een motorrijtuig (te weten een auto), daarmee rijdende over de provinciale weg, de N367 ter hoogte van hectometerpaal 11.1, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te handelen, hierin bestaande dat verdachte:
- -
genoemd voertuig heeft bestuurd terwijl hij vermoeid was en vervolgens tijdens het besturen van dat voertuig in slaap is gevallen en zijn aandacht onvoldoende op de weg en het verkeer heeft gehouden en
- -
daardoor de door hem bestuurde auto niet voortdurend onder controle heeft gehad en
- -
vervolgens een dubbele doorgetrokken streep heeft overschreden en terecht is gekomen op de weghelft bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer en
- -
in botsing is gekomen met een hem tegemoetkomende personenauto, te weten een Mercedes-Benz Citan, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , werd gedood.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. primair overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit te volstaan met de oplegging van een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 19 mei 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 maart 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop. Hij is s avonds laat in vermoeide toestand gaan rijden, is kort ingedut en op de andere weghelft terechtgekomen waarna hij op het voertuig van het slachtoffer is gebotst. Het slachtoffer is ter plekke overleden. Verdachte was er niet op uit om een verkeersongeval te veroorzaken, maar erkent wel dat hij
een fout heeft gemaakt door vermoeid door te rijden.
Het overlijden van het slachtoffer heeft in het leven van nabestaanden een groot gat achter gelaten. Dat immense verdriet blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van de vrouw van het slachtoffer, de voorgelezen slachtofferverklaring namens de broers van het slachtoffer en de vooraf opgenomen en ter zitting beluisterde slachtofferverklaring van de zoon van het slachtoffer. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele strafoplegging het verdriet en het gemis van de nabestaanden kan compenseren.
Bij het bepalen van de straf en de omvang daarvan neemt de rechtbank in aanmerking de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten. Deze hanteren als uitgangspunt voor het door schuld veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout, waarbij een slachtoffer is overleden en de verdachte niet onder invloed van alcohol verkeerde, een taakstraf van 240 uur en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van een jaar.
De rechtbank ziet in dit geval reden om af te wijken van de oriëntatiepunten. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden en houding van verdachte alsmede het tijdsverloop.
Verdachte neemt verantwoordelijkheid voor zijn handelen en is schuldbewust. Bovendien laat de impact die het verkeersongeval op het leven van de nabestaanden heeft verdachte niet onberoerd. Tijdens de voorgedragen en afgespeelde slachtofferverklaringen ter zitting raakte verdachte zichtbaar geëmotioneerd, waarna hij zei dat het hem enorm speet. De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij meermaals en reeds in een vroeg stadium heeft aangegeven graag in gesprek te gaan met de nabestaanden.
De rechtbank acht alles afwegende oplegging van een taakstraf van 100 uur passend. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast een rijontzegging op te leggen. Uit het dossier blijkt niet verdachte zich zodanig op de weg heeft gedragen dat een rijontzegging noodzakelijk is ter bescherming van de verkeersveiligheid. Verdachte verkeerde niet onder invloed van alcohol of drugs, heeft de maximale snelheid niet overschreden en er is vastgesteld dat hij niet met zijn telefoon of andere apparatuur bezig was tijdens het rijden.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een taakstraf voor de duur van 100 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. A.L.J.M.A. Janssens en
mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door J. Kunst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 mei 2026.