Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.4.4:5.4.4 De toerekening betreft het handelen zelf en niet de gevolgen van dit handelen
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.4.4
5.4.4 De toerekening betreft het handelen zelf en niet de gevolgen van dit handelen
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS493952:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Par. 5.3.9.
Het feit dat A een prestatie verricht aan C op grond van een bevoegdheid (opdracht) van B, kan slechts verklaren waarom de verrichting van deze prestatie wordt toegerekend aan B. Deze bevoegdheid kan in zichzelf geen rechtvaardiging vormen voor toerekening van het handelen (ontvangen) van C. Flume (2003, p. 167) en Du Perron (2006, p. 72-73) gaan hieraan voorbij.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het patroon dat in de vorige paragraaf is besproken, kan worden afgeleid wanneer toerekening mogelijk is. Echter, voordat wordt besproken wanneer toerekening in het kader van artikel 6:203 plaats kan vinden, dient eerst te worden opgemerkt dat toerekening het handelen van de betrokken partijen betreft en niet de gevolgen daarvan. De toerekening in het kader van artikel 6:203 betreft het verrichten en het ontvangen van een prestatie, en niet de gevolgen daarvan. De reden is dat de gevolgen van het verrichten en ontvangen van een prestatie moeten worden bepaald aan de hand van de vraag of een rechtsgrond bestaat voor de prestatie die wordt teruggevorderd.1
Een voorbeeld verduidelijkt dit. Stel dat A ten onrechte een schuld meent te hebben aan B. B heeft een (werkelijk bestaande) schuld aan C. In opdracht van B verricht A een feitelijke prestatie aan C. Het ontvangen van de prestatie door C kan worden toegerekend aan B. A presteert dus ook aan B. Het verrichten van de prestatie door A kan – zoals hieronder blijkt – worden toegerekend aan B. Ook B presteert dus aan C. Of A de betaling kan terugvorderen van B wordt bepaald aan de hand de vraag of een rechtsgrond ontbreekt voor de prestatie van A aan B en niet door toerekening aan B van de gevolgen van het verrichten van de onverschuldigde prestatie door A aan C.
Toerekening van feitelijk handelen brengt tevens mee dat – in afwijking van de heersende leer – moet worden aanvaard dat in bepaalde gevallen een feitelijke handeling tot meerdere betalingen in de zin van artikel 6:203 kan leiden. In deze gevallen vormt de prestatie niet een rechtshandeling die in naam van de opdrachtgever is verricht of is ontvangen. Bijvoorbeeld, als het verrichten van de prestatie door A aan C wordt toegerekend aan B, verricht zowel A als B een betaling in de zin van artikel 6:203.
Opmerking verdient dat voor het toerekenen van het handelen een onderscheid moet worden gemaakt tussen de toerekening van het verrichten van de prestatie en de toerekening van het ontvangen van de prestatie. Dit zijn verschillende feitelijke handelingen.2 Dat betekent dat de presterende partij soms tussenpersoon is, terwijl in andere gevallen de ontvangende partij als tussenpersoon moet worden aangeduid. Als bijvoorbeeld B opdracht geeft aan zijn schuldenaar A om rechtstreeks te presteren aan C, verricht A de prestatie en ontvangt C haar. Of het verrichten door A kan worden toegerekend aan B (zodat B bij een gebrek in BC kan terugvorderen van C) is een andere vraag dan of het ontvangen door C kan worden toegerekend aan B (zodat A bij een gebrek in AB kan terugvorderen van B).