HR, 17-10-2023, nr. 22/03924
ECLI:NL:HR:2023:1446
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-10-2023
- Zaaknummer
22/03924
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1446, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑10‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:829
ECLI:NL:PHR:2023:829, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 26‑09‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1446
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑01‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0176
Uitspraak 17‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Aanwezig hebben van cocaïne, art. 2.C Opiumwet. Kan uit een aan raadsman gerichte brief worden afgeleid dat afschrift van dagvaarding in hoger beroep aan raadsman van verdachte is gezonden? Art. 48 Sv. Uit stukken blijkt dat advocaat zich bij e-mail aan strafgriffie hof heeft gesteld als raadsman van verdachte in h.b. Bij stukken bevindt zich verder kopie van dagvaarding in h.b. Op die kopie staat geen mededeling waaruit kan blijken dat afschrift van deze dagvaarding aan raadsman van verdachte is verzonden. Ook o.g.v. andere stukken die aan HR zijn gezonden, kan niet zo’n vaststelling worden gedaan. Dat zich bij stukken aan (kantooradres van) raadsman gerichte brief bevindt waarin i.v.m. opgeven van bezwaren tegen vonnis in eerste aanleg melding wordt gemaakt van datum en tijdstip van zitting in h.b., is niet toereikend om aan te nemen dat afschrift van dagvaarding in h.b. aan raadsman van verdachte is verzonden. Volgens p-v van tz. in h.b. is daar noch verdachte noch diens raadsman verschenen. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat t.a.v. dagvaarding in h.b. voorschrift van art. 48 (tweede volzin) Sv niet is nageleefd. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03924
Datum 17 oktober 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 oktober 2022, nummer 22-000292-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Weisfelt, advocaat te ‘s–Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat in strijd met artikel 48 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman van de verdachte is gezonden.
2.2
Uit de stukken blijkt dat de advocaat H. Weisfelt zich bij e-mail van 22 februari 2022 aan de strafgriffie van het hof heeft gesteld als raadsman van de verdachte in hoger beroep. Bij de stukken bevindt zich verder een kopie van de dagvaarding in hoger beroep. Op die kopie staat geen mededeling waaruit kan blijken dat een afschrift van deze dagvaarding aan de raadsman van de verdachte is verzonden. Ook op grond van andere stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, kan niet zo’n vaststelling worden gedaan. Dat – zoals in de conclusie van de advocaat-generaal onder 11 is vermeld – zich bij de stukken een aan (het kantooradres van) de raadsman gerichte brief bevindt waarin in verband met het opgeven van bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg melding wordt gemaakt van de datum en het tijdstip van de zitting in hoger beroep, is niet toereikend om aan te nemen dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman van de verdachte is verzonden. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is daar noch de verdachte noch diens raadsman verschenen.
2.3
Op grond hiervan moet worden aangenomen dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift van de tweede volzin van artikel 48 Sv niet is nageleefd. Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2023.
Conclusie 26‑09‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Klacht over verstekverlening en niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep door het hof, omdat verzuimd zou zijn een afschrift van de appeldagvaarding te verzenden aan de advocaat van de verdachte. Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een afschrift van die dagvaarding gericht aan de advocaat, op grond waarvan kan worden aangenomen dat dit stuk is verzonden. Conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03924
Zitting 26 september 2023
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] in 1994,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
- 1.
Bij arrest van 5 oktober 2022 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
- 2.
De verdachte is bij vonnis van 28 januari 2022 door de rechtbank Den Haag wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft de rechtbank de teruggave gelast van twee inbeslaggenomen telefoontoestellen.
- 3.
Namens de verdachte heeft H. Weisfelt, advocaat te Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.
II. Het middel en de bespreking daarvan
4. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet ter terechtzitting verschenen verdachte en de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep, terwijl aan de evenmin ter terechtzitting aanwezige raadsman van de verdachte geen afschrift van de dagvaarding voor die terechtzitting is verstrekt ondanks een daartoe strekkend verzoek in een stelbrief.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 5 oktober 2022 houdt onder meer het volgende in:
“De verdachte, gedagvaard als:
[…]
is niet ter terechtzitting verschenen.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
De voorzitter deelt mede dat de zitting van heden een zogenaamde strafrolzitting betreft, waarop een aanvang wordt gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de zaak in die zin dat uitsluitend de stand van zaken met betrekking tot het naar eerdere indruk zonder grieven ingestelde hoger beroep aan de orde zal komen.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch heden ter terechtzitting is verschenen, dat de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof - na kort onderling beraad - terstond uitspraak.”
6. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier relevant, in:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
7. Onder de op voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding, bevinden zich, voor zover hier van belang:
(i) de aantekening mondeling vonnis d.d. 28 januari 2022 met parketnummer 09-097900-21 van de politierechter in de rechtbank Den Haag, locatie ’s-Gravenhage;
(ii) het daaraan voorafgaande proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter. Daarin staat vermeld dat ter terechtzitting de gedagvaarde verdachte niet is verschenen, maar wel mr. H. Weisfelt, advocaat te Den Haag, als raadsman van de verdachte en dat de raadsman uitdrukkelijk verklaart gemachtigd te zijn de verdachte ter terechtzitting te verdedigen;
(iii) een appelakte inhoudende:
“Parketnummer 09-097900-21
Op 01 februari 2022 kwam ter griffie van deze rechtbank [betrokkene 1] ambtenaar ter voormelde griffie die - daartoe gemachtigd blijkens de aan deze akte gehechte brief welke dient te worden beschouwd als een bijzondere volmacht - verklaarde namens
[verdachte] ,
geboren op 1994 te [geboorteplaats]
wonende te [a-straat 1], [postcode] [plaats]
hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis, door de politierechter in deze rechtbank, locatie ’s-Gravenhage, op 28 januari 2022 gewezen.”;
(iv) de aan de appelakte gehechte en kennelijk als bijzondere volmacht beschouwde brief van mr. H. Weisfelt, die per e-mail is verzonden aan de rechtbank;
(v) een stelbrief van 22 februari 2022 van mr. H. Weisfelt. Achter “Verzendwijze” is hier opgenomen het e-mailadres “rp.hof.denhaag.algemeen@om.nl.” Het bericht houdt in dat mr. Weisfelt zich als raadsman van de verdachte stelt en dat hij verzoekt om hem afschrift van alle processtukken te doen toekomen;
(vi) een schrijven gekenmerkt als “Dagvaarding van verdachte in hoger beroep” d.d. 8 september 2022 betreffende de zaak met parketnummer 09-097900-21, afkomstig van het ressortsparket, vestiging Den Haag, en gericht aan mr. H. Weisfelt, Pletterijkade 20, 2515 SG, ’s-Gravenhage, met (kort gezegd) de mededeling dat nog geen grieven tegen het vonnis zijn binnengekomen en er nog gelegenheid is die bezwaren schriftelijk in te dienen, dan wel ter terechtzitting op 5 oktober 2022 om 11:04 uur ter terechtzitting mondeling op te geven;
(vii) de appeldagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 5 oktober 2022 om 11:04 uur, welke dagvaarding op 19 september 2022 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] in [plaats] en vervolgens op 27 september 2022 is uitgereikt aan de medewerker van het openbaar ministerie;
(viii) het hierboven aangehaalde proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2022 waarin is opgenomen dat de verdachte niet is verschenen en dat tegen hem verstek is verleend;
(ix) het bestreden arrest van 5 oktober 2022 waarin het hof op de voet van art. 416, tweede lid, Sv de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaart in het hoger beroep.
8. Art. 48 Sv luidt:1.
“Ten aanzien van de bevoegdheid van de raadsman tot de kennisneming van processtukken en het verkrijgen van afschrift daarvan vinden de artikelen 30 tot en met 34 overeenkomstige toepassing. Van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht, ontvangt de raadsman, behoudens het bepaalde in artikel 32, tweede lid, onverwijld afschrift.”
9. Aan de beantwoording van de vraag of er al dan niet een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman van de verdachte is verzonden, gaat vooraf de vraag of de raadsman zich op de juiste wijze heeft gesteld. Als dat niet het geval blijkt te zijn, is daarin reeds de reden gelegen dat hij geen afschrift van de dagvaarding heeft ontvangen.
10. Het onderhavige dossier bevat de hierboven onder (v) genoemde stelbrief. Anders dan de onder (vi) genoemde brief inhoudende het verzoek tot het instellen van het hoger beroep, blijkt uit de gedingstukken niet dat aan de stelbrief een e-mailbericht was gehecht waaruit volgt dat het bericht ook daadwerkelijk aan de geadresseerde is verzonden en daar is ontvangen. Toch meen ik dat daaruit niet de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat er met betrekking tot het zich stellen iets is misgegaan. Het is namelijk ook mogelijk dat het e-mailbericht door de ontvangende instantie niet is geprint en/of niet in het dossier is gevoegd. Ook merk ik op dat de stelbrief dezelfde opmaak heeft als de brief die hierboven onder (iv) wordt genoemd en dat in de schriftuur wordt meegedeeld dat de raadsman van de verdachte (mr. H. Weisfelt) op 21 april (ik, A-G, begrijp 2022) stukken heeft ontvangen, te weten het dossier in eerste aanleg. Op grond van dit een en ander meen ik dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de raadsman van de verdachte zich op correcte wijze heeft gesteld en zal ik om die reden de klacht bespreken.
11. Die bespreking kan kort zijn. Ook als ervan wordt uitgegaan dat de raadsman zich tijdig bij het hof heeft gesteld, leidt het middel naar mijn inzicht niet tot cassatie. Onder de in cassatie voorhanden stukken van het geding bevindt zich namelijk het in randnummer 7, ad (vi) genoemde schrijven van de advocaat-generaal bij het ressortsparket, vestiging Den Haag, van 8 september 2022 dat gericht is aan de raadsman, met het juiste adres van diens kantoor. Ik meen – mede gelet op HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:7162.– dat daaruit het ernstige vermoeden kan worden afgeleid dat dit schrijven daadwerkelijk aan de raadsman is verzonden en dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in art. 48 Sv is nageleefd. Alsdan komt de feitelijke grondslag aan het middel te ontvallen.
III. Slotsom
12. Het middel faalt.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑09‑2023
Zie echter ook HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1049 en HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:785. In die zaken bevond zich bij de desbetreffende stukken het dubbel resp. een kopie van de dagvaarding in hoger beroep. De Hoge Raad stelde vast dat noch uit mededelingen gesteld op dat dubbel resp. de kopie van de dagvaarding, noch uit enig ander aan de Hoge Raad gezonden stuk kon blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan de raadsvrouw van de verdachte was gezonden, en oordeelde dat daaruit het ernstige vermoeden voortvloeide dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van art. 51 (oud) Sv resp. art. 48 Sv niet was nageleefd, reden waarom in beide gevallen de bestreden uitspraak van het hof niet in stand kon blijven. Omdat ik in geen van beide zaken het dossier kan raadplegen, blijft voor mij onduidelijk waarin het verschil met HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:716 precies is gelegen.
Beroepschrift 26‑01‑2023
Hoge Raad der Nederlanden
Korte Voorhout 8
2511 EK DEN HAAG
CASSATIESCHRIFTUUR
Verzendwijze | per: digitaal portaal HR |
Datum | 26 januari 2023 |
Dossiernummer | 23.0611/HW |
Dossiernaam | [verdachte] cassatie |
Parketnummer | 22/000292-22 |
HR rolnummer | S22/03924 |
Cliënt | [verdachte] |
Betreft | Cassatieschriftuur |
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
(strafzaken)
Den Haag, 26 januari 2023
Geeft eerbiedig te kennen:
[verdachte], geboren [geboortedatum] 1994, wonende [adres], [postcode] [woonplaats];
dat rekwirant van cassatie van een hem betreffend arrest van het gerechtshof te Den Haag, uitgesproken op 5 oktober 2022, het volgende middel van cassatie voordraagt:
Middel I
Het recht is geschonden en / of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 51, 280, 281, 348, 415, 416 en 422 Sv geschonden doordat het hof tegen rekwirant, die niet verschenen was, verstek heeft verleend en haar wegens het ontbreken van een schriftuur en het achterwege blijven van mondelinge bezwaren in haar beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, terwijl aan de raadsman van rekwirant, die evenmin ter zitting was verschenen, ondanks een daartoe strekkend verzoek in een stelbrief, geen afschrift van de dagvaarding voor die terechtzitting was verstrekt.
Toelichting
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 oktober 2022 is rekwirant niet op die zitting verschenen. Het proces-verbaal vermeldt niets over het al dan niet verschijnen van enig raadsman of -vrouw. Het gerechtshof heeft tegen rekwirant verstek verleend en hem niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.
Het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter van 28 januari 2022 was tijdig ingesteld. Blijkens de stelbrief van 22 februari 2022 en de akte cassatie die ik aan deze schriftuur heb gehecht, heeft de raadsman van rekwirant zich tijdig als raadsman van rekwirant bij het gerechtshof gesteld.
De raadsman van rekwirant, ondergetekende, heeft op 21 april stukken ontvangen. Dit betrof het dossier eerste aanleg. Maar geen dagvaarding. Het beroepsdossier in deze zaak is nagenoeg leeg.
Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de dagvaarding aan de raadsman van rekwirant is verzonden.
Uit het feit dat het proces-verbaal van de terechtzitting niets vermeldt over het al dan niet verschijnen van enig raadsman of — vrouw kan worden afgeleid dat er niet alleen geen raadsman is verschenen maar dat van rekwirant ook geen raadsman bekend was. Anders is het gebruikelijk dat het proces-verbaal vermeldt ‘De raadsman van verdachte, mr. Weisfelt, is evenmin ter terechtzitting verschenen’.
Naleving van het voorschrift van art. 51 Sv had ertoe kunnen leiden dat de beide beslissingen die het hof genomen heeft (verstekverlening en niet-ontvankelijkverklaring) rechtens niet mogelijk waren. Dat was het geval geweest indien naar aanleiding van het verstrekken van afschrift van de processtukken (met inbegrip van een afschrift van de dagvaarding) een gemachtigd raadsman was verschenen die verweer had gevoerd. De schending van het voorschrift is daarmee van rechtstreeks belang geweest voor de uitkomst van de zaak, 's Hofs uitspraak kan daarom niet in stand blijven.
Op bovengenoemde gronden verzoekt rekwirant Uw Raad het bestreden arrest te vernietigen.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. H .Weisfelt, advocaat te Den Haag, kantoorhoudende aan de Pletterijkade 20 (2515 SG), die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Hoogachtend,
H.Weisfelt
Bijlagen:
- •
Stelbrief Hof
- •
Akte cassatie met appel door raadsman.