Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes
Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/5.6:5.6 Afsluiting
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/5.6
5.6 Afsluiting
Documentgegevens:
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947816:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Grondwettelijk gezien wordt de bewegingsruimte van politieke partijen beperkt door de artikelen 50, 60 en 67 lid 3 Gw. Het samenspel van deze bepalingen betekent dat Kamerleden in onafhankelijkheid het algemeen belang moeten behartigen en staat in de weg aan het ontvangen van een wederprestatie van degenen voor wier belangen Kamerleden zich inzetten. Deze normen zijn ook van belang voor de regulering van giften die politieke partijen (in of buiten verkiezingstijd) ontvangen en zijn in zoverre te beschouwen als uitgangspunten voor een vrij en eerlijk verkiezingsverloop.1
Hoewel de liberale grondhouding ten opzichte van partijregulering steeds aan een expliciete grondwettelijke erkenning van de politieke partij in de weg heeft gestaan, onder meer uit vrees voor nadere partijregulering die een dergelijke vermelding zou uitlokken, heeft zij niet kunnen verhinderen dat zich toch een weliswaar versnipperd, maar gedetailleerd stelsel van partijregulering ontwikkelde op het gebied van verkiezingsdeelname en partijfinanciering. Dit gebeurde aanvankelijk met regelgeving die in de kern faciliterend van aard is. Gewezen zij op de in 1956 ingevoerde mogelijkheid tot naamsregistratie bij verkiezingsdeelname, die de herkenbaarheid van partijen moest vergroten. Andere regelingen, te weten de regeling omtrent zendtijd voor politieke partijen en de subsidiëringsregelingen voor politieke partijen ontwikkelden zich geleidelijk aan, vanaf respectievelijk de eerste helft van de vorige eeuw en de jaren zeventig van de vorige eeuw.2 Van een principiële erkenning van het belang van de partij en het goed functioneren van het partijwezen voor de democratie was daarbij geen sprake.
Het versnipperde karakter van deze regelgeving heeft aan een overkoepelende beschouwing van de politieke partij in de weg gestaan. Als het aan de kabinetten Rutte-III en Rutte-IV ligt, moet deze versnipperde regelgeving samengevoegd worden in een overkoepelende Wet op de politieke partijen. Deze wet biedt de wetgever de kans om tot de principiële wettelijke erkenning te komen waaraan het tot nog toe steeds heeft ontbroken. Zelfs wanneer deze wet, overigens anders dan het kabinet voornemens is, niet veel meer zou zijn dan een bundeling van de bestaande regelgeving op het gebied van politieke partijen, komt daarin expliciet tot uitdrukking dat de opvatting van de wetgever over partijregulering is verschoven van een liberale naar een meer egalitair-democratische, waaruit een expliciete erkenning van de publieke functie van politieke partijen spreekt.
Deze opvatting doet meer recht aan de essentiële rol die partijen spelen in een vertegenwoordigende democratie als de Nederlandse. Hoewel allerlei van oudsher aan politieke partijen toegeschreven functies vandaag de dag onder druk staan, staat de kandideringsfunctie van partijen nog altijd fier overeind. Deze functie is een noodzakelijk uitvloeisel van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging in combinatie met een lijstenstelsel, dat in de praktijk niet buiten de betrokkenheid van politieke partijen kan. De noodzakelijke betrokkenheid van partijen bij het verkiezingsverloop betekent dat het stellen van regels omtrent het functioneren van politieke partijen geboden is voor zover een vrij en eerlijk verkiezingsverloop daarbij gebaat is. Die regulering is een balansoefening, omdat ook de vrijheid van meningsuiting en de verenigingsvrijheid immers onderdeel uitmaken van het beoordelingskader voor verkiezingsregulering. Afwezigheid van partijregulering geeft deze uitgangspunten ruim baan, nu partijen in dat geval naar eigen goeddunken kunnen handelen. Zij worden door partijregulering echter in deze bewegingsvrijheid beperkt. Steeds moet bekeken worden of deze beperkingen opwegen tegen de mate waarin andere uitgangspunten voor vrije en eerlijke verkiezingen worden gewaarborgd.