Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.3.2.3
6.3.2.3 Hoge Raad: geen rigide imperatief karakter
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS494619:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 5.3.3.4.
Ten aanzien van de motivering van het oordeel van de kort geding rechter in een opheffingskortgeding heeft de Hoge Raad in HR 14 juni 1996, LJN ZC2149, NJ 1997, 481, m.nt. H.J. Snijders (De Ruiterij/MBO-Ruiters) met betrekking tot het de vraag of de vordering waarvoor het beslag is gelegd, deugdelijk of ondeugdelijk is, bepaald (rov. 3.3) dat het hier niet om meer dan een voorlopig oordeel gaat en voor de motivering ervan dan ook minder strenge eisen gelden dan moeten worden gesteld aan de motivering van de beslissing in de bodemprocedure. Zie over motiveringsverplichtingen ook paragraaf 4.6.2.4 onder b. en c.
MvA I 1984/85, 16593, nr. 141a, p. 11.
Zo ook: A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie onder het arrest Bijl/Van Baalen c.s. onder 2.14: ‘Het tweede lid van artikel 705 lid 2 Rv bevat vier gronden voor opheffing van het beslag. De vier gronden zijn in beginsel imperatief, in die zin dat wanneer een van de gronden aanwezig blijkt, de voorzieningenrechter het beslag moet opheffen’ (…). Soortgelijk Jansen: ‘Indien echter een van deze gronden zich voordoet, dan moet de rechter het beslag opheffen. Er staat namelijk niet in het artikel ‘de opheffing kan onder meer worden uitgesproken, maar ‘de opheffing wordt onder meer uitgesproken’: Jansen 2008, p. 4.
Wat is nu het gevolg van deze uitleg die de Hoge Raad geeft aan het imperatief karakter van opheffingsgronden? De benadering die wordt toegepast op de beoordeling in een opheffingskortgeding komt, zo is mijn conclusie, neer op een niet-rigide imperatieve toepassing van opheffingsgronden (en handhavingsgronden), gelijk deze in de praktijk plaatsvindt bij de beoordeling van beslagrekesten. Ook dan is immers steeds sprake van een beoordeling die niet kan plaatsvinden zonder een belangenafweging. Zo behoeft een op het eerste gezicht deugdelijk recht dat aan het beslag ten grondslag wordt gelegd, niet steeds tot verlofverlening te leiden, zo is eerder betoogd.1 In zichzelf heeft een dergelijke benadering het voordeel van een vrijheid van beoordeling door de voorzieningenrechter, waarbij met de bijzondere omstandigheden van het geval rekening kan worden gehouden. In de parlementaire geschiedenis wordt gesproken over een spectrum, met de hiervoor besproken arresten Smits c.s./curatoren en Piccioli/Impag als uitersten van enerzijds de situatie waarin een vordering onaannemelijk is en een belangenafweging desondanks kan leiden tot handhaving van het beslag en anderzijds het geval van een aannemelijke vordering waarbij een belangenafweging kan resulteren in een opheffing van het beslag. Hoewel de in de parlementaire geschiedenis genoemde voorbeelden misschien niet de meest gelukkige zijn, meen ik dat de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden te kunnen beslissen op grond van een belangenafweging, zonder daarbij te zijn gebonden aan een rigide imperatieve toepassing, kan bijdragen aan een op de omstandigheden van het geval toegesneden besluitvorming. De goede verstaander zal al hebben begrepen dat ik hier doel op uitzonderlijke situaties, waaraan in mijn visie een verzwaring van de in kort geding over het algemeen niet al te hoge eisen die aan de motiveringsplicht van de rechter worden gesteld, dient te worden verbonden.2 Uitgangspunt moet zijn, dat wanneer een vordering onaannemelijk is, het beslag dient te worden opgeheven. Omgekeerd zal in geval van een aannemelijke vordering in beginsel het beslag dienen te worden gehandhaafd, tenzij bijzondere omstandigheden nopen tot een ander oordeel. Een dergelijke invulling van het imperatief karakter van de opheffingsgronden van artikel 705 lid 2 Rv is in mijn visie niet strijdig met hetgeen in de parlementaire geschiedenis is bedoeld. Hetgeen goed voor ogen moet worden gehouden is dat de daarin aangehaalde voorbeelden als uitersten op een spectrum zijn geformuleerd. Ik kan niet voldoende benadrukken dat zij dan ook niet als algemene regel moeten worden beschouwd.
Het in de praktijk nog wel eens gehoorde credo dat ‘ook voor een vooralsnog geheel onbewezen vordering conservatoir beslag moet kunnen worden gelegd’, eveneens afgeleid uit de hier besproken parlementaire geschiedenis,3 heeft naar mijn oordeel derhalve betrekking op een van de uitersten op een spectrum, en dient in de praktijk ook als zodanig te worden geïnterpreteerd en gehanteerd: dit kan derhalve slechts in uitzonderlijke omstandigheden aan de orde zijn.
Een en ander laat uiteraard onverlet dat de wettekst zonder omhaal duidt op een strikt(er) imperatief karakter van de opheffingsgronden van artikel 705 lid 2 Rv: ‘de opheffing wordt onder meer uitgesproken’ (curs.: MM). Ik vermoed dat dit ook de bedoeling is geweest.4 De uitleg in de parlementaire geschiedenis bij de wijziging van het NBW, later overgenomen door de Hoge Raad, doet dan ook geconstrueerd aan.