Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/14.1
14.1 De grondslag voor en doelstelling van het strafrechtelijk beleid van de EU
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS454595:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 606 en P. Craig, The Lisbon Treaty. Law, Politics, and Treaty Reform, Oxford: Oxford University Press 2010, p. 343-4.
Zie HvJ 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), par. 77-78. Deze zaak wordt in par. 15.3.2 uitgebreider besproken. Zie tevens HvJ 30 mei 2013, C-168/13 PPU, ECLI:EU:C:2013:358 (F./Premier ministre), par. 50, en Advies 2/13 van het Hof (voltallige zitting) van 18 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2454, par. 191. Advies 2/13 wordt in par. 15.3.3 uitgebreider besproken.
De grondslag voor het strafrechtelijk beleid van de Unie is te vinden in artikel 67, derde lid, VWEU: ‘De Unie streeft ernaar een hoog niveau van veiligheid te waarborgen, door middel van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en van racisme en vreemdelingenhaat, maatregelen inzake coördinatie en samenwerking tussen de politiële en justitiële autoriteiten in strafzaken en andere bevoegde autoriteiten, alsmede door de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken en, zo nodig, door de onderlinge aanpassing van de strafwetgevingen.’ De belangrijkste wijziging, naast redactionele verschillen, is dat het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken, dat al eerder werd erkend als centraal beginsel van de samenwerking in strafzaken in de Europese Unie, nu is gecodificeerd.1 Die codificatie wordt herhaald in artikel 82, eerste lid, VWEU, dat is te vinden in hoofdstuk 4 betreffende ‘Justitiële samenwerking in strafzaken’ van Titel 5 van het VWEU. Die samenwerking berust ‘op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen’, maar omvat bovendien ‘de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op de in lid 2 [van artikel 82, TK] en in artikel 83 genoemde gebieden’.
Men kan zeggen dat met deze codificatie van het beginsel van wederzijdse erkenning als basis van de justitiële samenwerking in strafzaken ook het vertrouwensbeginsel in zekere zin is verankerd in het institutionele recht van de Europese Unie. Het beginsel van wederzijdse erkenning veronderstelt immers een hoog niveau van onderling vertrouwen en verbindt daaraan de conclusie dat bepaalde beslissingen in strafzaken genomen door autoriteiten van de ene lidstaat door de andere lidstaat worden erkend, hetgeen zou kunnen worden vertaald als een sterke normatief-beperkende (uit)werking van het vertrouwensbeginsel. Die erkenning betekent immers dat nadere toetsing van de te erkennen beslissing niet of slechts in beperkte mate plaatsvindt. Dit is ook door het Hof van Justitie in zijn rechtspraak uitdrukkelijk onderschreven.2 De vraag is evenwel hoe het beginsel van wederzijdse erkenning werkt in het licht van het vertrouwensbeginsel en waarop de aannames die ten grondslag liggen aan het beginsel van wederzijdse erkenning zijn gebaseerd, in het bijzonder de aanname dat feitelijk sprake is van onderling vertrouwen.