Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/4.4:4.4 Conclusie
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/4.4
4.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Monetaire integratie en economische integratie kunnen, zoals de eurocrisis aantoont, niet geheel van elkaar worden gescheiden. Om monetaire samenwerking houdbaar te maken zal er een zekere mate van economische convergentie plaats moeten vinden. De vraag is echter hoever deze economische convergentie zal moeten gaan. Hiervoor zal een afweging moeten worden gemaakt tussen nationale belangen en het behoud van nationale autonomie op het gebied van economisch beleid en het belang van een optimale monetaire unie.
De eurocrisis toonde aan dat het in het Verdrag van Maastricht neergelegde kader niet opgewassen was tegen een dergelijke crisis. Het EMU-kader moest worden versterkt. Verdere economische integratie dan reeds neergelegd in het Verdrag van Maastricht is echter ook na de eurocrisis niet nagestreefd: het economisch beleid is nog steeds een bevoegdheid van de nationale lidstaat. In plaats van het nastreven van verdere economische integratie, door middel van het overhevelen van bevoegdheden naar EU-niveau, hebben de lidstaten gezocht naar manieren om de coördinatie van het budgettair en economisch beleid te verbreden en te verdiepen.1 Dit heeft geleid tot een ‘centralisatie paradox’.2 Het toezicht is niet meer enkel geconcentreerd op het corrigeren van het budgettair beleid, maar ook is veel aandacht voor het afstemmen van het budgettair en economisch beleid van de lidstaat met de EU-brede doelen voordat er op nationaal niveau structurele hervormingen worden doorgevoerd en de begroting op nationaal niveau is vastgesteld. Lidstaten worden steeds meer onderworpen aan gedetailleerde aanbevelingen om richting te geven aan hun economisch en budgettair beleid waarmee het toezicht meer prescriptief wordt.3
Doordat intergouvernementele besluitvormingsprocedures en supranationaal toezicht worden gecombineerd, is er echter sprake van een verantwoordingstekort. De gangbare verantwoordingsmechanismen worden omzeild. De intergouvernementele besluitvormingsprocedures en de daarmee gepaard gaande democratische legitimatie lijken niet te kunnen compenseren voor het supranationale toezicht en het effect dat het toezicht heeft op de nationale besluitvorming over de begroting: de directe verantwoordingsrelatie tussen degene die de middelen opbrengt en degene die de middelen besteedt lijkt deels te worden doorbroken. Dit leidt tot asymmetrische verantwoordingsrelaties. Om dit verantwoordingsgat te verkleinen zou in het bijzonder de betrokkenheid van het nationale parlement bij het Europees economisch bestuur moeten worden versterkt. Dit kan zowel op het nationaal niveau, bij de controle van de regering in het kader van de Europese besluitvorming als op EU-niveau, door de directe betrokkenheid te waarborgen bij de EU-besluitvorming.
Door de besluitvormingsprocedures, de doorlopende cyclus, de verwevenheid tussen soft law- en hard law-elementen en de complexiteit van de regels en de procedures wordt de ruimte voor het parlement om op nationaal niveau te beslissen over de begroting en de besteding van de middelen tot op zekere hoogte gemarginaliseerd.
In de volgende twee hoofdstukken zal ik bezien in hoeverre het Europees economisch bestuur en de nieuwe beleidscyclus de besluitvorming over de begroting en het budgetrecht van het parlement beïnvloeden.