Omzetting als rechtsvormwijziging
Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/1.2:1.2 Doel en opzet van het onderzoek
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/1.2
1.2 Doel en opzet van het onderzoek
Documentgegevens:
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS497807:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Rechtsvormwijziging is een interessante rechtsfiguur om nader te onderzoeken. In jurisprudentie en literatuur wordt aan deze rechtsfiguur tot op heden namelijk, tot het proefschrift van Van de Streek1, niet veel aandacht besteed. Parallel aan dit onderzoek heeft een onderzoek naar de rechtsfiguur `rechtsvormwijziging' vanuit fiscaal oogpunt plaatsgevonden.2 Beide boeken behandelen de rechtsfiguur `rechtsvormwijziging', zij het vanuit verschillend perspectief. In dit boek wordt ingegaan op de civiele aspecten van deze rechtsfiguur terwijl in het proefschrift van Van de Streek de fiscale aspecten centraal staan. Voor fiscale beschouwingen verwijs ik graag naar het proefschrift van Van de Streek.
De onderzoeksvraag die in dit boek centraal staat, luidt als volgt:
Wat is de aard, de functie en het (wenselijke) toepassingsbereik van rechts-vormwijziging in het Nederlandse rechtspersonenrecht?
Vanuit de beantwoording van deze vraag geef ik antwoord op enkele belangrijke concrete rechtsvragen en geef ik een toekomstvisie op deze rechtsfiguur. Voor sommige specifieke problemen heb ik het Duitse recht bestudeerd. Ik heb onderzocht of in het Duitse recht gehanteerde oplossingen wellicht voor Nederland van belang kunnen zijn. Het Nederlandse rechtspersonenrecht is het uitgangspunt van dit onderzoek, maar ook is gekeken naar het vermogensrecht, erfrecht en verbintenissenrecht.
De opzet is als volgt: na deze algemene inleiding waarin de introductie van het nieuwe woord voor de rechtsfiguur 'omzetting' als bedoeld in de artikelen 2:18, 2:71, 2:72, 2:181 en 2:183 BW en een algemene karakteristiek van deze rechtsfiguur wordt gegeven, volgt een beschrijving en analyse van de huidige wettelijke regeling in het tweede hoofdstuk. Een overzicht van het aantal geëffectueerde rechtsvormwijzigingen in Nederland maakt daarvan onderdeel uit. Voor de praktijkjurist is voorts een overzicht opgenomen van de toepasselijke wettelijke bepalingen van elk denkbare variant van rechtsvormwijziging. In het derde hoofdstuk komt het rechtskarakter van rechtsvormwijziging aan de orde. De wetgever heeft in het verleden aan het begrip `rechtsvormwijziging' een ander rechtsgevolg toegekend.
De problematiek van de vermogensklem bij rechtsvormwijziging van een stichting komt in het vierde hoofdstuk aan bod. Dit onderwerp krijgt in de literatuur de meeste aandacht. De beschikbare jurisprudentie gaat ook veelal over de invulling van de vermogensklem van een stichting na rechtsvormwijziging.
Hoofdstuk vijf gaat over de invloed van rechtsvormwijziging op bestaande rechtsverhoudingen. Ingegaan wordt op de vraag wat het gevolg van rechtsvormwijziging van een contractspartij bij een overeenkomst is. Daarnaast onderzoek ik of bevoordelingen als bijvoorbeeld een schenking aan een stichting onverminderd in stand blijven na rechtsvormwijziging. Ten slotte ga ik in op de gevolgen van rechtsvormwijziging indien de betrokken rechtspersoon de anbi-status heeft of een vergunning op naam heeft staan.
De procedure van rechtsvormwijziging wordt niet altijd (volledig) goed gevolgd. Welke omissies zich kunnen voordoen en wat daarvan de juridische gevolgen zijn, komt aan de orde in het zesde hoofdstuk. Daar wordt tevens ingegaan op de herstelmogelijkheden.
Het zevende, tevens laatste, hoofdstuk is gewijd aan de bijzondere rechtsvormen. Ingegaan wordt op kerkgenootschappen, de op korte termijn in te voeren mogelijkheid van rechtsvormwijziging van een personenvennootschap in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (en vice versa) en de internationale samenwerkingsvormen (EESV, SE en SCE).