Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.1.1
II.1.1 Onderzoeksvragen
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460174:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Er zijn nog andere factoren te onderscheiden. Zo kan bijvoorbeeld voor het opleggen van een bijkomende straf aanvullende vereisten gelden ten opzichte van de hoofdstraf. Verder moeten naast het daderschap ook de elementen wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid worden vervuld. Dit komt aan bod in par. II.2.4.
Welke milieuvoorschriften strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd, komt aan bod in par. II.2.2. Zie over delictsbestanddelen: par. II.2.3.
In par. II.2.5 geef ik een algemene schets van het strafrechtelijke daderschapslandschap.
De daderschapsvorm plegen speelt een belangrijke rol in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Zie hieromtrent par. II.6.
Uitvoeriger over deze standpunten met verdere verwijzingen: par. II.7.
In dit proefschrift onderzoek ik onder welke voorwaarden natuurlijke personen met een leidinggevende functie binnen een onderneming persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het schenden van een milieunorm, en of er reden is om leidinggevenden aanvullend te beschermen tegen deze aansprakelijkheid. In dit hoofdstuk ga ik in op de strafrechtelijke dimensie van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden.
Welke materiële voorwaarden gelden voor strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van een leidinggevende, hangt in ieder geval1 af van twee factoren: 1) het milieudelict dat in een concreet geval ten laste wordt gelegd en 2) de daderschapsvorm waarop de aansprakelijkheid wordt gebaseerd. De eerste factor is delictspecifiek: ieder milieuvoorschrift dat strafrechtelijk kan worden gehandhaafd heeft een delictsomschrijving met aansprakelijkheidsvoorwaarden (‘bestanddelen’) die moeten worden vervuld voordat er sprake is van een strafbaar feit.2 De tweede factor is algemener van aard: de daderschapsvorm bepaalt op welke manier de aangesprokene betrokken moet zijn geweest bij het vervullen van de bestanddelen van het milieudelict om te kunnen spreken van strafwaardig handelen. De vereisten die gelden voor een specifieke daderschapsvorm – bijvoorbeeld plegen, medeplegen of feitelijk leidinggeven – werken in principe voor ieder delict hetzelfde.3
In dit hoofdstuk ga ik met name in op de tweede factor van strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid: dus op de vraag wanneer een leidinggevende kan worden aangemerkt als dader van een milieudelict. Daartoe geef ik een overzicht van de verschillende toepasselijke daderschapsvormen en de daarbij horende vereisten, en breng ik in kaart op welke manier deze daderschapsvormen zijn toegepast in de milieustrafrechtelijke jurisprudentie voor de aansprakelijkheid van leidinggevenden. Daarnaast geef ik per daderschapsvorm – voortbouwend op de algemene leerstukken en de milieustrafrechtelijke jurisprudentie – handvatten voor de beoordeling van gevallen waarin een leidinggevende aansprakelijk wordt gesteld voor een milieudelict.
De eerste factor die ik noemde komt ook zijdelings aan bod: om de werking van de daderschapsvormen te illustreren en voor een goed begrip van de milieustrafrechtelijke jurisprudentie, bespreek ik welke soorten milieunormen relevant zijn voor de milieubelastende activiteiten van ondernemingen, en ook zal ik ingaan op bepaalde kenmerken en criteria van enkele specifieke delicten. Zo breng ik van een aantal milieudelicten in kaart of de verplichting uit de norm ook is geadresseerd aan natuurlijke personen met een leidinggevende functie binnen een onderneming. Het zogeheten ‘normadressaatschap’ is een kenmerk van een milieuvoorschrift dat onder meer relevant is voor het antwoord op de vraag of een leidinggevende kan worden aangemerkt als pleger van een milieudelict.4
Uit de bestudering van de strafrechtelijke daderschapsvormen en de toepassing daarvan in milieukwesties blijkt dat er verschillende juridische aanvliegroutes bestaan voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Daarom verschaf ik in dit hoofdstuk ook aanknopingspunten om te helpen kiezen welke daderschapsvorm in een concreet geval het best past bij de situatie.
In dit hoofdstuk zal ik ook onderzoeken of er aanleiding bestaat om (bepaalde soorten) leidinggevenden aanvullend te beschermen tegen strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid. Hoewel de discussie over (de wenselijkheid van) de aanvullende bescherming van bestuurders minder speelt in het strafrecht dan in het privaatrecht, wordt er in de literatuur wel verschillend gedacht over de ondergrens voor strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden. Er zijn auteurs die oproepen om terughoudend om te gaan met strafrechtelijke aansprakelijkheid van natuurlijke personen in bedrijfscontext, terwijl anderen juist menen dat momenteel te strenge eisen gelden voor het daderschap van deze personen.5 Aan het einde van dit hoofdstuk sta ik daarom stil bij de hoogte van de aansprakelijkheidsdrempel voor strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. In dat kader zal ik de argumenten die in de literatuur worden genoemd voor en tegen de aanvullende bescherming tegen strafrechtelijke aansprakelijkheid in kaart brengen en evalueren, zodat ik uiteindelijk de balans kan opmaken of het in het leven roepen van een uitzonderingspositie voor bestuurders en andere leidinggevenden gerechtvaardigd is.