Hoge Raad 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356.
Hof Arnhem-Leeuwarden, 05-11-2019, nr. 200.207.735
ECLI:NL:GHARL:2019:9478
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
05-11-2019
- Zaaknummer
200.207.735
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2019:9478, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 05‑11‑2019; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:5852
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2018:8381
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2018:1440
ECLI:NL:GHARL:2018:8381, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 18‑09‑2018; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2019:9478
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2018:1440
ECLI:NL:GHARL:2018:1440, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 13‑02‑2018; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2018:8381
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2019:9478
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2019-1333
JA 2020/13 met annotatie van Bosch, E.W.
PS-Updates.nl 2018-0847
JERF Actueel 2018/403
PS-Updates.nl 2018-0850
JERF Actueel 2018/404
Uitspraak 05‑11‑2019
Inhoudsindicatie
Shockschade. Na deskundigenbericht staat vast dat bij betrokkene (inmiddels 13 jaar), die ook behept is met een autismespectrumstoornis, een posttraumatische stressstoornis heeft opgelopen. Dit is het eindarrest in vervolg op de zaak die al eerder is gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2018:8381 (deskundigenbenoeming). Toekenning shockschade voor betrokkene met autismespectrumstoornis en met diagnose ptss. De dader heeft het slachtoffer te nemen zoals hij dit aantreft.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.207.735
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 294607)
arrest van 5 november 2019
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. J.W. de Bruin,
tegen:
[geïntimeerde] ,
in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van
[T.] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. C.W. Langereis.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
In het laatste tussenarrest van 18 september 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:8381) heeft het hof twee deskundigen (psychiaters) benoemd te weten drs. J.L.M. Schoutrop en dr. F. van Broekhoven, voor een onderzoek naar kort gezegd de geestelijke gesteldheid van [T.] (geboren [geboortedatum] 2006) in verband met het vaststellen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding (shockschade).
1.2
Het deskundigenrapport d.d. 27 mei 2019 is op 28 mei 2019 ter griffie gedeponeerd. Daarna hebben beide partijen hierop kunnen reageren: [appellant] bij akte van 16 juli 2019 en [geïntimeerde] bij antwoordakte van 27 augustus 2019.
1.3
Daarna heeft het hof arrest bepaald.
2. De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep
2.1
[T.] is psychiatrisch onderzocht door deskundige Van Broekhoven die voor hulponderzoek een GZ-psycholoog-registerpsycholoog heeft ingeschakeld wier rapport onderdeel uitmaakt van het deskundigenrapport van beide psychiaters.
Uit het psychiatrisch onderzoek blijkt het navolgende:
“Er wordt een verzorgde jongen gezien met een uiterlijk conform kalenderleeftijd. Er worden geen dysmorfieen [afwijkingen in het gezicht; toev. hof] gezien. Hij is terughoudend, verzettelijk in het contact. Heeft een bozige uitdrukking op zijn gezicht. Erkent desgevraagd ook geen zin te hebben in opnieuw gesprekken. Veel antwoorden beperken zich tot "weet ik niet". Bij doorvragen komen al snel tranen en een kortaf, geprikkeld "ik zeg toch dat ik het niet weet". Bij meer gesloten vragen kan hij beter antwoorden, maar blijft dan voornamelijk beperkt tot zinnen van een of twee woorden. [T.] maakt weinig oogcontact. Hij is rustig, er is weinig psychomotoriek. Lijkt in zichzelf gekeerd en komt rigide over. Geen enkele keer een lachje. (…) Weinig emotie te zien. Bozige stemming, vlak affect. Bij interessevragen naar zijn leven geen enkele aandrang te bespeuren om wat te vertellen. Er is geen wederkerigheid, er ontstaat geen contactgroei. Geeft geen enkele sociale opening. Beperkte fantasie.
Geen bijzonderheden ten aanzien van de gewetensontwikkeling. Verder helder bewustzijn, goed georiënteerd in tijd, plaats en persoon. Aandacht goed te trekken en te behouden. Geen
psychotische fenomenen te zien. Als gemiddeld, misschien laag gemiddeld, geschatte intelligentie. [T.] is verdrietig, angstig, boos, heeft een beperkte emotieregulatie, trekt zich terug, is beperkt in sociale interactie en communicatie en belangstelling en interesses.
Samenvatting aanvullend psychologisch onderzoek
Betrokkene heeft problemen in de sociale communicatie en sociale interactie in uiteenlopende situaties. Daarnaast is er sprake van beperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten. Deze problemen kunnen verklaard worden vanuit de moeite om het grote geheel te zien, de beperkingen in het verbeeldend vermogen en de gebrekkige Theory of Mind. Door dit onvermogen ervaart betrokkene onbegrip en problemen in het contact met anderen waardoor hij spannings- en stemmingsklachten lijkt te ontwikkelen.
Daarnaast is de arousal [lichamelijke/mentale opwinding, vrij vertaald; toev. hof] verhoogd bij betrokkene doordat hij steeds dient te praten over de moord op moeder. Betrokkene vertrouwt volwassenen niet en ervaart ook niet dat anderen hem kunnen helpen bij het verdriet, woede en schuldgevoelens. Tegelijkertijd is hij ambivalent en wil hij toch graag iemand vertrouwen zodat hij het over zijn emoties kan hebben, maar wel op zijn eigen manier.
De psycholoog stelt naar aanleiding van haar onderzoek de volgende DSM-5 classificatie:
299.00 Autismespectrumstoornis, vereist ondersteuning
309.81 Post Traumatische Stress Stoornis
309.89 Persisterende complex rouwstoornis
V61.20 Ouder-kindrelatieprobleem
Deze DSM-5 classificatie komt grotendeels overeen met de door mijzelf op basis van mijn eigen onderzoek gestelde classificatie.(…)
Diagnostische overwegingen
Het betreft een 13-jarige jongen die op zevenjarige leeftijd zijn moeder dood aantrof op de vloer naast haar bed in een plas bloed. Zij bleek vermoord door haar ex-partner met wie [T.] tot dan toe een prettige relatie had. Dit is een traumatische ervaring geweest voor [T.] met stressklachten, vermijding, verhoogde prikkelbaarheid en verhoogde waakzaamheid als gevolg (DSM-5 classificatie: Posttraumatische stressstoornis). Behandelingen van dit trauma hebben maar beperkt effect gehad. Hoewel ouders naar eigen zeggen meerdere keren hebben aangegeven dat zij trekken van autisme bij [T.] zagen, is hier volgens hen destijds niet op ingegaan door behandelaren. Uit het huidige onderzoek komen inderdaad voldoende aanwijzingen naar voren om van een autismespectrumstoornis te spreken (DSM-5 classificatie: Autismespectrumstoornis). Dit betekent dat [T.] ten tijde van het misdrijf en daarna beperkte mogelijkheden had om om te gaan met deze traumatische gebeurtenis. En ook valt nu te verklaren waarom eerdere behandelingen zo
weinig resultaat hadden. Namelijk omdat er geen rekening is gehouden met het ook bestaan van de autismespectrumstoornis. Deze autismespectrumstoornis was per definitie al aanwezig voordat het trauma zich voordeed omdat het een ontwikkelingsstoornis betreft en ontwikkelingsstoornissen zijn aangeboren. Het ontstaan van de PTSS bovenop de al aanwezige autismespectrumstoornis heeft de rouw gecompliceerd.
Ouders ervaren problemen in de omgang met [T.] (DSM-5 classificatie: Ouderkind-relatieprobleem).
Vanuit ontwikkelingsperspectief bekeken hebben traumatische ervaringen in de jeugd invloed op de neurobiologische ontwikkeling van de hersenen. Dat er op het moment van de gebeurtenis geen volwassene in de buurt was draagt hieraan in negatieve zin bij.
Verwerking van schokkende gebeurtenissen verloopt bij kinderen, net als rouw na verlies van een belangrijk persoon, gefaseerd. In de loop van de tijd vinden nieuwe inschattingen plaats van de stresserende gebeurtenissen, waarbij een verandering in de mentale representatie van het gebeuren kan ontstaan in het hoofd van het kind. Bij [T.] heeft dit onvoldoende plaatsgevonden, mogelijk door het autisme en het wantrouwen naar volwassenen. [T.] kan zich niet voorstellen dat een volwassene die zo aardig voor hem was zo iets vreselijks met zijn mama heeft kunnen doen (letterlijke woorden van [T.] ). [T.] is minder tot niet in staat te vertellen over zijn posttraumatische klachten en hij kan deze klachten moeilijk verbinden met de gebeurtenis.
De rouw bij [T.] kenmerkt zich door een gevoel van onthechting en een verlangen naar zijn moeder, tegelijkertijd het niet begrijpen dat zij er daadwerkelijk niet meer is. Het cognitief wel kunnen beredeneren, maar emotioneel niet kunnen voelen. Volgens [T.] begrijpen anderen niet wat hij werkelijk denkt en voelt.
DSM-5 classificatie
309.81 Posttraumatische stressstoornis
299.00 Autismespectrumstoornis
V61.20 Ouder-kindrelatieprobleem.”
2.2
In antwoord op vraag Ia (zie het arrest van 18 september 2018) schrijven de deskundigen:
“De aard van het letsel: verdriet om de overleden moeder en stressklachten na de
ontwrichtende gebeurtenis. Deze stressklachten bestaan nog steeds uit:
Angst (als ik van mensen houd kunnen zij plotseling van mij afgenomen worden;
volwassenen zijn niet te vertrouwen, zij doen waar zij zelf zin in hebben en zij doen dus ook
met mij waar zij zin in hebben), slaapproblemen (gaat nu weer goed), teruggetrokken
gedrag, woede en schuldgevoelens (Volwassenen zijn niet te vertrouwen. Ik vertrouwde
[appellant] en hij bleek niet aardig te zijn. Het is mijn schuld, als ik er eerder bij was geweest dan
had mama nog geleefd), en eetproblemen (gaat nu weer goed).
De ernst van het letsel: er is sprake van stagnatie in de ontwikkeling. Geen goede
schoolontwikkeling, geen sociale groei. Daarnaast een sombere, gelaten stemming.
Het verloop van de klachten: vlak na het misdrijf niet meer eten, slecht slapen. Dit is
grotendeels genormaliseerd. Nieuw is de boosheid en afgevlaktheid.
De toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen: behandelingen bij
UMC Utrecht, Praktijk Zij aan Zij en GGNet. Behandelingen bestonden uit EMDR, individuele gedragstherapeutische behandeling, speltherapie, ouderbegeleiding en contact met school, PMT, Rots en Water training. Intensieve Psychiatrische Gezinsbegeleiding. Het resultaat van deze behandelingen is zeer beperkt. [T.] blijft vlak en terug getrokken, kan niet over zijn gevoel praten, kan woedeaanvallen laten zien.
Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld: niet
goed contact kunnen maken met leeftijdgenoten, geen vriendschappen kunnen
onderhouden, kan zich niet uiten.
Beperkingen in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL).
toonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby's, bezigheden in recreatieve sfeer en
zelfwerkzaamheid: is beperkt in sociale contacten.”
2.3
In antwoord op de “open vraag” of er nog relevante opmerkingen zijn van de kant van de deskundigen, schrijven zij:
“Antwoord: De klachten vloeien niet voort uit een normaal rouwproces, maar uit PTSS en een Autismespectrumstoornis. Die combinatie van stoornissen heeft het rouwproces
gecompliceerd. (…)
Antwoord: de zwaarte van de beperkingen is groot. [T.] laat weinig ontwikkeling zien,
heeft geen vrienden, geen plezier, weinig interesses, het gaat niet goed op school. Deze
beperkingen dienen als aanzienlijk aangemerkt te worden omdat ze leiden tot een stagnatie
in zijn ontwikkeling. (…)
Antwoord: het feit dat [T.] alleen was toen hij zijn moeder vond moet worden gezien als
een extra risicofactor voor het ontstaan en voortbestaan van traumatische klachten. En doordat [T.] ten tijde van het vinden van zijn moeder een Autismespectrumstoornis had,
is de verwerking van deze traumatische ervaring belemmerd. De jonge leeftijd heeft geen
gunstig effect gehad. (…)
Antwoord: de prognose is door het aanwezig zijn van een Autismespectrumstoornis
gematigd positief. Een nieuwe traumabehandeling die rekening houdt met het bestaan van
een Autismespectrumstoornis kan een positief effect geven. (…)
De Posttraumatische stressstoornis heeft klachten veroorzaakt. Dat deze klachten bij [T.]
ernstiger zijn dan wanneer hij geen Autismespectrumstoornis zou hebben gehad ligt voor de
hand. In welke mate deze klachten daardoor erger zijn is niet te zeggen.”
2.4
Het hof heeft in het laatste tussenarrest onder 2.1 al het kader geschetst waarbinnen getoetst moet worden of [T.] aanspraak kan maken op immateriële schade/shockschade en dat het Taxibus-arrest van de Hoge Raad1.hier naar analogie toegepast kan worden. In rechte staat vast dat [T.] als zevenjarige jongen rechtstreeks is geconfronteerd met de omstandigheden waaronder hij zijn moeder dood heeft aangetroffen en dat deze confrontatie een hevige schok bij hem heeft teweeggebracht blijkt genoegzaam uit het deskundigenrapport waarin beschreven wordt dat dit voor hem een traumatische ervaring is geweest met stressklachten, vermijding, verhoogde prikkelbaarheid en verhoogde waakzaamheid als gevolg. De deskundigen (onder wie ook de psycholoog) concluderen uit hun onderzoeken dat bij [T.] sprake is van een posttraumatische stressstoornis, hetgeen een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is. Het feit dat [T.] een aangeboren ontwikkelingsstoornis heeft, namelijk een autismespectrumstoornis, heeft hem extra kwetsbaar gemaakt voor de blijvende, gecompliceerde rouwverwerking zoals de deskundigen ook beschrijven. Algemeen beginsel van het schadevergoedingsrecht in letselschadezaken is onder meer dat de dader, dit is hier [appellant] , het slachtoffer heeft te nemen zoals hij dit aantreft bij zijn onrechtmatig handelen en dit beginsel geldt ook voor de vergoeding van shockschade. De deskundigen concluderen verder dat de posttraumatische stressstoornis de klachten van [T.] heeft veroorzaakt; dat deze klachten ernstiger zijn dan wanneer hij geen autismespectrumstoornis zou hebben gehad “ligt voor de hand” aldus de deskundigen. De deskundigen kunnen niet aangeven in welke mate deze klachten daardoor erger zijn geworden, maar dat is naar het oordeel van het hof ook niet nodig en in feite ook onmogelijk: het betreft hier immers geen exacte wetenschap. In hoeverre een verdere traumabehandeling met de kennis van nu, namelijk dat [T.] ook behept is met een autismespectrumstoornis, eraan zou (hebben) kunnen bijdragen dat zijn huidige klachten verminderen is verder niet relevant; niet onaannemelijk is dat [T.] door deze zeer ongebruikelijke, traumatische ervaring voor het leven getekend is.
2.5
De twee grieven van [appellant] tegen het vonnis van de rechtbank van 12 oktober 20162.falen. Het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 40.000,- aan immateriële schadevergoeding onderschrijft het hof dan ook.
2.6
Het hof zal [appellant] als de volledig in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] en in de kosten van het deskundigenbericht (een bedrag van € 6.110,50) dat in debet is gesteld omdat [appellant] op basis van een toevoeging procedeert.
3. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 12 oktober 2016 voor zover gewezen tussen [appellant] en [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [T.] ;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 313,- voor verschotten en op € 3.918,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (IV, 2 punten) te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het deskundigenbericht en beveelt [appellant] om te voldoen aan de griffier van het gerechtshof – na ontvangst van een nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak – het bedrag van € 6.110,50 inclusief btw voor het voorlopig ten laste van ‘s Rijks kas gebrachte gedeelte van die kosten.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, M. B. Beekhoven van den Boezem en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑11‑2019
Uitspraak 18‑09‑2018
Inhoudsindicatie
Bepaling hoogte shockschade voor 7-jarig kind bij aantreffen gedode moeder thuis in slaapkamer. Benoeming deskundigen met vragenstelling IWMD In deze zaak zijn inmiddels 3 tussenarresten gewezen, waarvan er 2 zijn gepubliceerd (13 februari 2018 en 18 september 2018). Het gaat om de vaststelling van de hoogte van de shockschade in hoger beroep (rechtbank had € 40.000 toegewezen). Het gaat om een toen 7-jarig kind dat zijn moeder medio 2013 vermoord in haar slaapkamer thuis heeft aangetroffen. Volgt benoeming deskundigen (ervaren psychiater en gespecialiseerde kinderpsychiater met kinderpsycholoog) met vraagstelling gebaseerd op de IWMD-vraagstelling.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.207.735
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 294607)
arrest van 18 september 2018
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaatsnaam] ,
appellant,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. J.W. de Bruin,
tegen:
[de vader] ,
in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van
[het kind] ,
wonende te [plaatsnaam] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [de vader] ,
advocaat: mr. C.W. Langereis.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
In het tussenarrest van 26 juni 2018 heeft het hof beslist voornemens te zijn over te gaan tot deskundigenbenoeming van twee deskundigen (psychiaters) te weten drs. J.L.M. Schoutrop en dr. F. van Broekhoven, beiden psychiater, voor een onderzoek naar kort gezegd de geestelijke gesteldheid van [het kind] (geboren [geboortedatum] ) in verband met het vaststellen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding (shockschade) toen hij, als zevenjarige, zijn moeder ‘s ochtends dood aantrof in haar slaapkamer, gewurgd en met uiterlijke verwondingen en liggend in een plas bloed.
1.2
Beide partijen hebben zich tegelijkertijd bij akte mogen uitlaten over de inzet van beide deskundigen, de aan hen te stellen vragen en de begroting voor hun werkzaamheden.
1.3
[de vader] heeft bij akte van 24 juli 2018 aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de benoeming van de twee deskundigen en de begroting van hun kosten. [de vader] meent dat gezien de vastgestelde aansprakelijkheid van [appellant] en dat op zijn minst aannemelijk is dat [het kind] ernstig psychisch letsel heeft opgelopen, [appellant] de kosten van het voorschot moet dragen. Voorts heeft [de vader] vragen geformuleerd op basis van de (gestandaardiseerde) IWMD-vraagstelling.
1.4
[appellant] heeft bij akte van 24 juli 2018 bezwaren opgeworpen tegen de benoeming van twee deskundigen, mede gezien de omvang van de kosten (en het voorschot) waartegen hij ook bezwaren aanvoert. [appellant] meldt in de akte dat partijen in overleg hebben gekozen voor de IWMD-vraagstelling.
1.5
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
2. De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep
2.1
Het gaat hier om de vaststelling van immateriële schadevergoeding, in het bijzonder zogenoemde shockschade, voor [het kind] . Als uitgangspunt voor deze beoordeling geldt het zogeheten Taxibus-arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD5356): Indien iemand door overtreding van een veiligheids- of verkeersnorm een ernstig ongeval veroorzaakt, handelt hij in een geval als hier bedoeld niet alleen onrechtmatig jegens degene die dientengevolge is gedood of gekwetst, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval is gedood of gewond. De daardoor ontstane immateriële schade komt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking. Daarvoor is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. (…) Voldoende is dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het gevaarzettend handelen enerzijds en het geestelijk letsel dat een derde door de confrontatie met de gevolgen van dit handelen oploopt anderzijds. Deze confrontatie kan ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden. De aard van deze schade brengt mee dat deze schade in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking komt indien (i) de betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden en, (ii) deze confrontatie bij de betrokkene een hevige schok teweeggebracht heeft, hetgeen zich met name kan voordoen indien sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het ongeval is gedood of gewond geraakt.
Ten overvloede vermeldt het hof dat het Taxibus-arrest naar analogie in deze zaak toegepast kan worden, waarin sprake is van doodslag.
2.2
[appellant] heeft in de memorie van grieven meerdere bezwaren/kanttekeningen aangevoerd betreffende, kort gezegd, het geestelijk welzijn van [het kind] nu en in de toekomst:
- er is sprake van verouderde informatie over [het kind] ;
- er kunnen meerdere oorzaken zijn voor de klachten van [het kind] ;
- er is geen sprake van “aanzienlijke belemmeringen in [zijn] functioneren”;
- de jeugdige leeftijd van [het kind] (zeven jaar) toen hij zijn gedode moeder aantrof biedt hem ook meer mogelijkheden om te herstellen van de schokkende gebeurtenis.
2.3
Gelet op het toetsingskader van de Hoge Raad (zie onder 2.1) en gelet op de gemotiveerde stellingname van [appellant] (zie onder 2.2) en het feit dat inmiddels vijf jaren zijn verstreken sinds de schokkende gebeurtenis, acht het hof het noodzakelijk dat in deze zaak zowel een kinderpsychiater wordt benoemd, die dan gebruik kan/zal maken van een ontwikkelingspsycholoog ter ondersteuning van zijn psychiatrisch onderzoek en een psychiater die ervaren is in het opstellen van rapportages in gerechtelijke procedures (waarvoor nadere vereisten gelden als neergelegd in artikel 195 Rv). Het hof beoordeelt de onderzoeksopzet transparant en overtuigend, evenals de kostenbegroting (het hof verwijst kortheidshalve naar de brief van 8 juni 2018 zoals weergegeven in rov. 2.2 van het tussenarrest van 26 juni 2018). De bezwaren van [appellant] verwerpt het hof aldus.
2.4
In uitzondering op de hoofdregel van artikel 195 Rv, waarin de eisende partij ( [de vader] ) het voorschot van de deskundige(n) dient te dragen, oordeelt het hof het in verband met de omstandigheden van het geding in deze zaak redelijk en billijk dat het voorschot door [appellant] wordt gedragen, nu vaststaat dat [appellant] strafrechtelijk is veroordeeld wegens het doden van de moeder van [het kind] en ook zijn civielrechtelijke aansprakelijkheid voor de daaruit voortvloeiende schade van [het kind] vaststaat, nu [appellant] in deze appelprocedure niet betwist dat is voldaan aan de voor toekenning van shockschade geldende criteria, maar alleen de hoogte van het aan [het kind] wegens shockschade toegekende bedrag van € 40.000 heeft betwist.
In dit geval zal ten laste van [appellant] geen voorschot worden opgelegd in verband met hetgeen is opgenomen in artikel 195 derde en vierde volzin Rv. Het ten laste van 's Rijks kas door de griffier aan de deskundige betaalde voorschot zal hangende het geding voorlopig in debet worden gesteld.
2.5
Het hof zal de door partijen voorgestelde vragen overnemen en deze vragen ook aan de deskundigen stellen. Het hof zal tevens aan de deskundigen vragen om in hun onderzoek mee te nemen de opmerkingen die [appellant] heeft gemaakt in de memorie van grieven, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 2.2 van dit arrest.
2.6
Na indiening van het deskundigenbericht ter griffie krijgt eerst [appellant] de gelegenheid om in een memorie na deskundigenbericht op het deskundigenbericht te reageren. Hiervoor houdt het hof een termijn aan van 6 weken. Daarna kan [de vader] hierop bij antwoordmemorie reageren, ook op een termijn van 6 weken.
2.7
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
benoemt tot deskundigen:
drs. L.J.M. Schoutrop, psychiater
Psychiatrische expertise
Sionsweg 6
6525 EB Nijmegen
e-mail: [e-mail]
tel. 024-3240686 / [mobielnummer]
en
dr. F. van Broekhoven, kinder- en jeugdpsychiater
bezoek: Rijksstraatweg 171 / 6573 CN Beek (Berg en Dal)post: Postbus 4 / 6573 ZG Beek (Berg en Dal)tel. 024 - 663 50 96 / [mobielnummer]e-mail: [e-mail]
om een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen omtrent de volgende vragen, die grotendeels ontleend zijn aan de IMWD-vraagstelling:
1. DE SITUATIE MET MISDRIJF
Anamnese
a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van
de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke
overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte, zijn vader en
eventuele andere derden zoals docenten aangeven in relatie tot de activiteiten van het
algemene dagelijkse leven (ADL), school en het uitoefenen van hobby’s en bezigheden in
recreatieve sfeer?
Medische gegevens
b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:
de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied en de medische behandeling van het (geestelijk) letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.
Medisch onderzoek
c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij onderzoek?
Consistentie
d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die
is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren
komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?
e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie
was van de onderzochte c.q. zijn vader op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?
Diagnose
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische
overweging geven?
Beperkingen
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn
huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het misdrijf? Wilt u deze
beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze?
Medische eindsituatie
h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de
blijvende gevolgen van het misdrijf mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een
belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?
i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor
de beperkingen (als bedoeld in vraag g)?
2. DE SITUATIE ZONDER MISDRIJF
(Toelichting: Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.)
Klachten, afwijkingen en beperkingen voor misdrijf
a. Bestonden voor het misdrijf bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw
vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?
b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor het misdrijf uit deze klachten en
afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?
Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder misdrijf
c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest
of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als (de confrontatie met) het misdrijf de onderzochte niet was overkomen?
d. Zo ja (dus zonder confrontatie met misdrijf ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn
voortgevloeid?
f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw
vakgebied geconstateerde niet-misdrijfgerelateerde klachten en afwijkingen?
g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel
verslechtering verwacht?
i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor
de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?
3. OVERIG
a. Wilt u bij de beantwoording van uw vragen ook aandacht besteden aan de opmerkingen die [appellant] heeft gemaakt in de memorie van grieven, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 2.2 van dit arrest?
b. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?
bepaalt dat de deskundigen tijdens het onderzoek partijen in de gelegenheid zullen stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat daarvan uit het schriftelijk bericht zal blijken;
bepaalt dat de deskundigen hun concept-deskundigenbericht aan partijen zullen toesturen en partijen in de gelegenheid zullen stellen op dat concept te reageren alvorens een definitief bericht uit te brengen. In het definitieve deskundigenbericht zullen de deskundigen de reacties van partijen op het concept bespreken;
bepaalt dat [appellant] aan drs. Schoutrop een kopie van het volledige procesdossier ter beschikking zal stellen;
beveelt partijen om aan de deskundigen alle door dezen gewenste inlichtingen te verstrekken;
bepaalt dat de deskundigen het ondertekende deskundigenbericht vóór 18 december 2018 toestuurt aan de griffie van dit hof (Postbus 9030, 6800 EM Arnhem);
bepaalt het voorschot van de kosten van de deskundigen op € 6.110,50 (incl. btw);
bepaalt dat ten laste van [appellant] geen voorschot wordt opgelegd in verband met artikel 195 derde en vierde volzin Rv en bepaalt dat het ten laste van 's Rijks kas aan de deskundige door de griffier betaalde voorschot hangende het geding voorlopig in debet wordt gesteld;
bepaalt dat de deskundigen zich - door tussenkomst van de griffie dan wel rechtstreeks - met vragen en opmerkingen kunnen wenden tot mevr. mr. R.A. Dozy, die hierbij wordt benoemd tot raadsheer-commissaris;
draagt de griffier op een afschrift van dit arrest aan de beide deskundigen te verzenden;
verwijst de zaak naar de rol voor memorie na deskundigenrapport aan de zijde van [appellant] , 6 weken na binnenkomst van het deskundigenbericht ter griffie (zie rov. 2.6);
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, M. B. Beekhoven van den Boezem en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 september 2018.
Uitspraak 13‑02‑2018
Inhoudsindicatie
Bepaling hoogte shockschade voor 7-jarig kind bij aantreffen gedode moeder thuis in slaapkamer. Benoeming deskundigen met vragenstelling IWMD In deze zaak zijn inmiddels 3 tussenarresten gewezen, waarvan er 2 zijn gepubliceerd (13 februari 2018 en 18 september 2018). Het gaat om de vaststelling van de hoogte van de shockschade in hoger beroep (rechtbank had € 40.000 toegewezen). Het gaat om een toen 7-jarig kind dat zijn moeder medio 2013 vermoord in haar slaapkamer thuis heeft aangetroffen. Volgt benoeming deskundigen (ervaren psychiater en gespecialiseerde kinderpsychiater met kinderpsycholoog) met vraagstelling gebaseerd op de IWMD-vraagstelling.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.207.735
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 294607)
arrest van 13 februari 2018
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaatsnaam] ,
appellant,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. J.W. de Bruin,
tegen:
[de vader] ,
in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van
[het kind] ,
wonende te [plaatsnaam] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [de vader] ,
advocaat: mr. C.W. Langereis.
1. Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 12 oktober 2016 dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem heeft gewezen.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 10 januari 2017,
- de memorie van grieven (met producties 1-2),
- de memorie van antwoord (met producties 1-3).
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
3. De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het (bestreden) vonnis van 12 oktober 2016.
4. De beoordeling van de grieven en de vordering
4.1
[appellant] is bij onherroepelijk geworden – en op tegenspraak gewezen – arrest van (de strafkamer van) dit gerechtshof van 30 april 2015 schuldig bevonden aan doodslag op [de moeder] , de moeder van [het kind] ( [geboortedatum] ) en hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren en TBS met dwangverpleging. Namens [het kind] heeft [de vader] (en nog vijf andere eisers die in dit hoger beroep niet meer zijn betrokken) bij inleidende dagvaarding van 14 december 2015 schadevergoeding gevorderd, stellende dat [appellant] jegens [het kind] onrechtmatig heeft gehandeld. De materiële schade (zoals extra telefoonkosten en reis- en parkeerkosten i.v.m. de psychologische behandeling van [het kind] ) is door de rechtbank afgewezen. De immateriële schadevergoeding (ook wel shockschade genoemd) is toegewezen tot een bedrag van € 40.000,-. De rechtbank heeft bij het bepalen van dit bedrag rekening gehouden met de navolgende feiten en omstandigheden (kenbaar uit rov. 4.12-4.13): het misdrijf is in de nacht (van 22 op 23 juli 2013) gepleegd in de veilige woonomgeving van [het kind] , destijds zeven jaar oud toen hij en zijn moeder lagen te slapen. [het kind] heeft zijn moeder de volgende ochtend in haar slaapkamer naast haar bed gevonden, gewurgd, met uiterlijke verwondingen en liggend in een plas bloed. [het kind] heeft zelf 112 gebeld en hij is nog enige tijd alleen met zijn overleden moeder in de woning geweest totdat de politie arriveerde. [het kind] mocht de woning toen nog niet verlaten in verband met sporenonderzoek, waarbij ook forensisch onderzoek aan zijn lichaam is verricht. [het kind] lijdt onder meer aan posttraumatische stressklachten, passend bij het beeld van een DSM-IV-TR classificatie (PTSS). Deze klachten belemmeren [het kind] tot op heden aanzienlijk in zijn functioneren. Er is een negatief effect op onder meer zijn zelfvertrouwen, vertrouwen in anderen en zijn basisgevoel van veiligheid, aldus de behandelend psycholoog in een verklaring/brief van 11 augustus 2014. Gelet op de feiten en omstandigheden rondom het overlijden (opzettelijke levensberoving) van zijn moeder en de vondst van zijn moeder, zijn jonge leeftijd, de gevolgen die hij daarvan ondervindt, de mogelijk (ernstige) gevolgen die hij daarvan de rest van zijn leven nog zal ondervinden, en gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen van “shockschade” door de rechter worden toegekend, oordeelt de rechtbank dat een bedrag van € 40.000,- aan immateriële schadevergoeding gerechtvaardigd is.
4.2
[appellant] komt met twee grieven op tegen de hiervoor weergegeven dragende overwegingen van de rechtbank. Met grief 1 voert [appellant] aan dat de rechtbank gebruik heeft gemaakt van verouderde informatie (de verklaring van de behandelend psycholoog is van augustus 2014), dat er meerdere oorzaken (kunnen) zijn voor de klachten van [het kind] (zoals een rouwreactie) en dat geen inzicht is gegeven in de zwaarte van de door [het kind] ervaren beperkingen. Met grief 2 verzet [appellant] zich tegen een aantal omstandigheden/factoren die de rechtbank heeft meegewogen voor de hoogte van de immateriële schadevergoeding (de jonge leeftijd van [het kind] biedt ook meer kans om te herstellen, de mogelijke ernstige gevolgen voor zijn verdere leven zijn niet onderbouwd en er zijn in vergelijkbare gevallen ook lagere bedragen voor shockschade door de rechters toegewezen).
4.3
In reactie op de memorie van grieven heeft [de vader] bij de memorie van antwoord nog drie nieuwe producties overgelegd: een brief van het UMCU van 8 augustus 2016, een brief van Praktijk Zij aan Zij van 17 mei 2017 (met als bijlage een brief van deze praktijk aan de huisarts van [het kind] van 14 maart 2017) en een evaluatieverslag van een (Rots en Water)training van [het kind] van 28 april 2017. Op deze producties heeft [appellant] nog niet kunnen reageren, zodat hij in de gelegenheid wordt gesteld daartoe een akte te nemen. Voorts heeft [de vader] in de memorie van antwoord sub 23 herhaald (uit de inleidende dagvaarding sub 46) dat hij bereid is om [het kind] door een onafhankelijk psychiater te laten onderzoeken. Hij heeft voorgesteld om hiervoor drs. J.L.M. Schoutrop, psychiater te Nijmegen te benaderen. Op dit voorstel kan [appellant] ook nog in de akte reageren, al meldt het hof hier uitdrukkelijk bij dat het nog geen beslissing heeft genomen om een deskundige in deze zaak te benoemen.
5. De slotsom
5.1
Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over de producties 1-3 bij memorie van antwoord en over de voorgestelde deskundige.
5.2
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
6. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verwijst de zaak naar de roldatum 13 maart 2018 voor akte uitlaten aan de zijde van [appellant] zoals omschreven in rov. 5.1 (juncto rov. 4.3);
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, M. Beekhoven van den Boezem en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2018 .