Vgl. de inleidende dagvaarding onder 56 t/m 66.
Hof Arnhem-Leeuwarden, 12-05-2020, nr. 200.217.595
ECLI:NL:GHARL:2020:3717
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
12-05-2020
- Zaaknummer
200.217.595
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2020:3717, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 12‑05‑2020; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2019:9484, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 05‑11‑2019; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
Uitspraak 12‑05‑2020
Inhoudsindicatie
Vaststellingsovereenkomst in verband met meningsverschil over de uitwerking van het zogenoemde economisch claimrecht van de Gemeente, zoals vastgelegd in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs (WPO).
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.217.595
(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, 281760)
arrest van 12 mei 2020
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
Gemeente Maasdriel,
gevestigd te Kerkdriel,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna: de Gemeente,
advocaat: mr. R.A.F. Willems,
tegen
de stichting
Stichting Rooms Katholiek Onderwijs Bommelerwaard,
gevestigd te Ammerzoden,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna: de Stichting,
advocaat: mr. G.J. Heussen.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 november 2019 (hierna: het tussenarrest) hier over.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- de akte na tussenarrest van de Gemeente d.d. 3 december 2019;
- de antwoordakte naar aanleiding van het tussenarrest van de Stichting d.d. 14 januari 2020.
1.3
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
2. De verdere beoordeling van de grieven en de vordering
2.1
In het tussenarrest heeft het hof wat betreft de locatie Ammerzoden overwogen dat de Gemeente een economisch claimrecht heeft op het volledige perceel K2851 (inmiddels gesplitst in K3297 en 3298). Wat betreft de locatie Velddriel heeft het de Gemeente in de gelegenheid gesteld tot het leveren van het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zij de in de periode 1967 t/m 1971 door (de rechtsvoorgangster van) de Stichting in verband met de nieuwbouw dan wel uitbreiding van de scho(o)l(en) te Velddriel in de vorm van (de desbetreffende) grond betaalde waarborgsom, in geld aan haar heeft terugbetaald.
2.2
In haar akte na tussenarrest heeft de Gemeente het hof laten weten geen bewijsstukken meer te hebben aangetroffen en ook geen bewijs door middel van getuigen te kunnen leveren. Daarmee staat vast dat zij er niet in is geslaagd wat betreft de locatie Velddriel het hiervoor onder 2.1 omschreven bewijs te leveren.
2.3
De Gemeente heeft het hof verzocht de bewijslast om te keren omdat toepassing van de hoofdregel van artikel 150 Rv in dit geval tot onbillijkheden zou leiden. Subsidiair stelt zij de constructie van het feitelijk vermoeden/verzwaarde motiveringslicht voor. De Gemeente wil het hof kennelijk op zijn bindende beslissing omtrent de bewijslastverdeling doen terugkomen.
2.4
In haar antwoordakte heeft de Stichting zich daartegen gemotiveerd verzet. Waar het voor haar zou gaan om het bewijs van een negatief feit zou een bewijsopdracht aan haar naar haar mening juist veel onbillijker zijn.
2.5
In de regel is de rechter die in een bepaalde aanleg een eindbeslissing geeft in een tussenuitspraak daaraan zelf gebonden tijdens het vervolg van die instantie. Het hof zal die regel volgen. In hetgeen door de Gemeente naar voren is gebracht, ziet het hof geen reden om af te wijken van de normale regels omtrent bewijslastverdeling. Concreet komt de bewijsopdracht erop neer dat de Gemeente moet bewijzen dat zij ter restitutie van de waarde van het door de Stichting als waarborgsom ingebrachte perceel M1446 betalingen heeft verricht aan de Stichting. Omdat de Gemeente stelt dat zij ten aanzien van dat perceel het economische claimrecht heeft en daarvoor nodig is dat deze betalingen komen vast te staan, rust op grond van art. 150 Rv op haar de bewijslast van die betalingen. Het gaat om mogelijke betalingen in de jaren 60 of 70. De Gemeente mag in bewijsnood verkeren in het traceren van die betalingen, maar dat geldt minstens in gelijke mate voor de Stichting, die heeft aangevoerd ontvangst van dergelijke door de gemeente gestelde betalingen niet te hebben kunnen traceren. De bewijsnood van de Gemeente is daarom geen reden om de bewijslast om te draaien of om uit te gaan van een vermoeden ten gunste van de Gemeente. Dat gemeenten in die tijd ‘geen vrijheid [hadden] om de waarde van de grond niet aan het schoolbestuur te vergoeden’ , zoals Gedeputeerde Staten van Gelderland een keer hebben overwogen, is voor het hof te onbestemd en te weinig verifieerbaar om als basis te dienen voor een omkering van de bewijslast of vermoeden. De slotsom is daarom dat de Gemeente niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs, dat daarom niet is komen vast te staan dat perceel M1446 destijds in eigendom toebehoorde aan de Gemeente of met overheidsgeld is bekostigd, zodat de Gemeente geen economisch claimrecht kan doen gelden op het perceel.
Dit betekent dat het hoger beroep van de Gemeente faalt wat betreft de locatie Velddriel.
Het vonnis van de rechtbank zal in zoverre worden bekrachtigd. Anders dan het hof in het tussenarrest bij kennelijke vergissing overwoog (vgl. rov. 5.10 van het tussenarrest (slot)) zal de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht wat betreft de locatie Velddriel als zodanig niet sneuvelen (het verbod van reformatio in peius, reeds vermeld in rechtsoverweging 5.2 van het tussenarrest), zij het dat de daaraan ten grondslag liggende argumenten door het hof in het tussenarrest ingevolge het hoger beroep van de Gemeente (grieven 1 en 2) zijn gewijzigd (zie rechtsoverweging 5.9 van het tussenarrest).
2.6
Wat betreft de locatie Ammerzoden heeft het hof in het tussenarrest overwogen dat de Gemeente een economisch claimrecht heeft op het volledige perceel K2851 (inmiddels gesplitst in K3297 en 3298). Het hoger beroep slaagt derhalve wat betreft de locatie Ammerzoden. Voor die locatie zal het hof de (primaire) vorderingen van de Gemeente (petitum memorie van grieven sub a) en b)) dus alsnog toewijzen evenals de nakomingsvorderingen (petitum memorie van grieven onder e) en f)), behoudens de (notariële en kadastrale) kosten vallend op de goederenrechtelijke levering, waarvoor de Gemeente geen enkel motief heeft aangedragen. Voor deze locatie zal het hof het vonnis van de rechtbank voor de duidelijkheid vernietigen. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd als hierna vermeld.
2.7
Nu partijen over en weer voor een deel in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof de kosten van het hoger beroep compenseren zoals hierna vermeld en het vonnis van de rechtbank ook in zoverre bekrachtigen.
3. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 8 juni 2016, behalve voor zover het de verklaring voor recht in 5.1 van het dictum ten aanzien van de buitengebruikstelling van het gebouw te Ammerzoden als school betreft, vernietigt het vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart voor recht dat de Gemeente reeds ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst, ten aanzien van de gehele kadastrale percelen bekend als K3298 en K3297 (zoals beide nader aangeduid op de bij de inleidende dagvaarding als productie 23 overgelegde plattegrond), zijnde de aan de Gemeente overgedragen ondergrond en wettelijk verplichte buitenruimte van de brede school te Ammerzoden respectievelijk het resterende buitenterrein van de brede school te Ammerzoden zoals voorlopig in eigendom gebleven bij de Stichting, het economisch eigendomsrecht kon doen gelden als bedoeld in artikel 110 WPO, indien de Stichting op dat moment zou zijn opgehouden het gebouw en terrein voor de school te gebruiken, met als gevolg dat de Stichting voor de overdracht van perceel K3298 ingevolge artikel 4 lid 2 van de vaststellingsovereenkomst ‘Brede School Ammerzoden’ d.d. 15 maart 2013 geen andere betaling is verschuldigd dan de overeengekomen € 1,- en perceel K3297 ingevolge artikel 4 lid 3 van de vaststellingsovereenkomst alsnog aan de Gemeente dient over te dragen tegen een prijs van € 1,-;
veroordeelt de Stichting tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst ‘Brede School Ammerzoden’ d.d. 15 maart 2013 in die zin, dat de Stichting ingevolge artikel 4 lid 3 van deze overeenkomst na betekening van dit arrest op eerste schriftelijk verzoek van een door de Gemeente in te schakelen notaris binnen veertien dagen volledige medewerking verleent aan goederenrechtelijke levering van perceel 3297, sectie K, kadastrale gemeente Ammerzoden, op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag, of gedeelte daarvan, dat de Stichting hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 500.000,-;
bepaalt dat dit arrest, indien de Stichting niet (tijdig) aan de in de vorige alinea van dit arrest omschreven veroordeling mocht voldoen, op de voet van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de voor de notariële levering van het vermelde perceel vereiste medewerking van de Stichting;
verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van de procedure in hoger beroep draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. LF. Wiggers-Rust, F.J. de Vries en R.W.E. van Leuken, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2020.
Uitspraak 05‑11‑2019
Inhoudsindicatie
Vaststellingsovereenkomst in verband met meningsverschil over de uitwerking van het zogenoemde economisch claimrecht van de Gemeente, zoals vastgelegd in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs (WPO).
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.217.595
(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, 281760)
arrest van 5 november 2019
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
Gemeente Maasdriel,
gevestigd te Kerkdriel,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna: de Gemeente,
advocaat: mr. R.A.F. Willems,
tegen
de stichting
Stichting Rooms Katholiek Onderwijs Bommelerwaard,
gevestigd te Ammerzoden,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna: de Stichting,
advocaat: mr. G.J. Heussen.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 28 augustus 2018 hier over.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- het proces-verbaal van comparitie van partijen d.d. 3 juli 2019, dat zich bij de stukken bevindt. Het hof heeft ter comparitie akte verleend aan de Gemeente en de Stichting van respectievelijk het in het geding brengen van een bericht binnengekomen op 18 juni 2019 met één productie (krantenartikel Brabants Dagblad d.d. 22 maart 2013) en
een bericht binnengekomen op 25 juni 2019 met twee producties (luchtfoto’s kavels Velddriel en Ammerzoden).
2. De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3 van het bestreden vonnis van 8 juni 2016, die hierna voor de leesbaarheid van dit arrest overeenkomstig zullen worden weergegeven.
2.1
Na de inwerkingtreding op 1 januari 1921 van de Lager-onderwijswet 1920 zijn in de jaren twintig van de vorige eeuw in zowel Ammerzoden als Velddriel op gronden van de plaatselijke parochies lagere scholen voor rooms-katholiek onderwijs gebouwd. De Stichting is de rechtsopvolgster van de plaatselijke parochies. De schoolgebouwen zijn steeds bekostigd door de Gemeente.
2.2
De schoolgebouwen zijn in de loop der jaren herhaalde malen vernieuwd, maar staan nog steeds op dezelfde plaats. In 2009 heeft de Gemeente het initiatief genomen om op haar kosten in Ammerzoden én in Velddriel een zogenaamde brede school te realiseren, waarin tevens huisvesting wordt geboden aan buitenschoolse opvang, een peuterspeelzaal, een bibliotheek, een consultatiebureau en aan jeugdzorg. De bestaande gebouwen zijn daarbij deels gerenoveerd en deels vervangen door nieuwbouw.
2.3
Op 15 maart 2013 hebben partijen ten behoeve van beide brede scholen een gelijkluidende vaststellingsovereenkomst gesloten in verband met een meningsverschil over de uitwerking van het zogenoemde economische claimrecht van de Gemeente, zoals dat thans is vastgelegd in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs (WPO), wanneer op enig moment in de toekomst de nieuwe gebouwen - waarin dus niet alleen scholen zijn gevestigd - niet meer als school zouden worden gebruikt. De vaststellingsovereenkomsten luiden, voor zover van belang, als volgt:
‘overwegende
- dat partijen de totstandkoming van een ‘brede school’ in (...) nastreven waarin naast de basisschool andere gebruikers (participanten) zullen deelnemen, nader te noemen: ‘de brede school (...)’;
- dat de Gemeente de huisvesting (het gebouw) van de brede school … tot stand heeft gebracht (…);
- dat de Stichting het bevoegd gezag vormt van basisschool (...);
- dat de Gemeente de (nieuwe) huisvesting van basisschool (...) tot stand heeft gebracht als onderdeel van de brede school (...);
- dat vanuit de fictie van brede school met meerdere voorzieningen, afspraken gemaakt moeten worden tussen de Gemeente en de Stichting over de eigendomssituatie en het beheer van het gebouw en het terrein van de brede school (...);
- dat de Stichting juridisch eigenaar is van het perceel (kadastraal bekend Ammerzoden, sectie K, nummer 2851 / kadastraal bekend Velddriel, sectie M, nummer 1446) waarop de brede school (...) is gevestigd en tevens juridisch eigenaar is van de opstallen, met dien verstande dat de Gemeente reeds juridisch eigenaar is van het gymgebouw (...);
- dat partijen beogen een situatie te bewerkstelligen als zou de Gemeente op grond van artikel 103 lid 2 WPO de eigendom aan zich hebben gehouden van het gebouw met ondergrond en wettelijk verplichte buitenruimte;
- dat partijen een verschil van mening hebben over de mate waarin de Gemeente ingevolge de Wet op het primair onderwijs (WPO) een economisch claimrecht kan doen gelden ten aanzien van voornoemd perceel en opstallen die juridisch eigendom zijn van de Stichting;
- dat partijen het aan de rechter willen overlaten om deze principiële discussie te beslechten;
- dat partijen vooruitlopend op een gerechtelijke uitspraak een regeling willen treffen waardoor de contractsvorming met de participanten doorgang kan vinden en de brede school zo spoedig mogelijk in gebruik kan worden genomen op de wijze zoals oorspronkelijk is beoogd;
- (...);
- dat partijen het om voornoemde redenen wenselijk achten dat de juridische eigendom van in ieder geval het schoolgebouw met ondergrond en de bijbehorende wettelijke ruimte wordt overgedragen aan de Gemeente, waarna de ruimten en terreindelen die voor de basisschool zijn bestemd in gebruik zullen worden gegeven aan de Stichting;
- (...);
- dat de niet voor de basisschool bestemde delen buiten de onderwijsbestemming zullen vallen en buiten toepassing van de WPO door de gemeente zullen worden verhuurd (...) aan participanten;
- dat de Stichting alsnog een financiële vergoeding zoals bepaald in deze overeenkomst voor de op basis van deze overeenkomst over te dragen grond zal ontvangen indien in rechte komt vast te staan dat de Gemeente geen economisch claimrecht kan doen gelden ten aanzien van het betreffende perceelsgedeelte;
- dat de Stichting het resterende buitenterrein in eigendom houdt, maar die gronden of een gedeelte daarvan alsnog aan de gemeente zal overdragen voor zover in rechte komt vast te staan dat de gemeente een economisch claimrecht kan doen gelden ten aanzien van die gronden of een gedeelte daarvan.
verklaren en komen overeen als volgt:
(...)
Artikel 3: Eigendomsoverdracht
1. Partijen hebben vastgesteld dat de juridische eigendom van het perceel waarop de brede school ... is gevestigd, kadastraal bekend als (...), bij de Stichting berust. De Stichting is tevens juridisch eigenaar van de opstallen die zich op dit perceel bevinden.
2. Vanwege de gewenste taakverdeling zoals omschreven in de considerans zal de juridische
eigendom van de ondergrond van de accommodatie en de wettelijk verplichte buitenruimte
vooralsnog voor een prijs van € 1,00 worden overgedragen aan de gemeente, onder de
voorwaarden zoals opgenomen in deze overeenkomst, in het bijzonder de artikelen 4 en 5.
3. De gronden zoals bedoeld in het tweede lid zijn aangeduid op de tekening die als bijlage 1 aan deze overeenkomst is gehecht en daarvan onlosmakelijk onderdeel uitmaakt.
4. (...) Betaling van de koopprijs van € 1,00 wordt opgeschort totdat door middel van een
onherroepelijke gerechtelijke uitspraak is gebleken dat de Gemeente over het economisch
claimrecht beschikt ten aanzien van de betreffende gronden. Indien de uitkomst van de
gerechtelijke procedure en andere is, wordt de koopprijs vastgesteld conform het bepaalde in
artikel 4 lid 2 en artikel 5.
5. (...)
Artikel 4: Juridische procedure
1. Omdat partijen een principieel verschil van inzicht hebben over de vraag of de Gemeente een economisch claimrecht kan uitoefenen ten aanzien van de over te dragen gronden zoals bedoeld in artikel 3 lid 2 en het resterend buitenterrein of een gedeelte daarvan, zullen partijen deze kwestie voorleggen aan de bevoegde rechter. (...)
2. Ten aanzien van de ondergrond van de accommodatie en de wettelijk verplichte buitenruimte zoals bedoeld in artikel 3 lid 2 geldt dat de Gemeente alsnog een financiële vergoeding zal afrekenen voor de grond, een en ander zoals nader geregeld in deze overeenkomst, indien door een onherroepelijke gerechtelijke uitspraak komt vast te staan dat de Gemeente niet over het economisch claimrecht beschikt. Indien door voornoemde onherroepelijke gerechtelijke uitspraak komt vast te staan dat de Gemeente wel over het economisch claimrecht beschikt, zal er geen betaling plaatsvinden anders dan het in artikel 3 lid 2 genoemde bedrag ad € 1,00.
3. Ten aanzien van het resterend buitenterrein dat nu in eigendom van de Stichting blijft, geldt dat de (gehele of gedeeltelijke) eigendom alsnog aan de gemeente zal worden overgedragen indien door een onherroepelijke gerechtelijke uitspraak komt vast te staan dat de gemeente ten aanzien van die gronden of een gedeelte daarvan over het economisch claimrecht beschikt. De Stichting zal alsdan gehouden zijn om binnen vier weken medewerking te verlenen aan de levering van het betreffende perceelsgedeelte tegen een prijs van € 1,00. De Gemeente zal in dat geval niet gehouden zijn tot enige aanvullende financiële vergoeding ten aanzien van dat perceelsgedeelte.
4. (...)
Artikel 5: Financiële vergoeding
1. De financiële vergoeding als bedoeld in artikel 4 lid 2 wordt bepaald door taxatie van de waarde van de grond, waarbij de volgende uitgangspunten worden gehanteerd:
a. de bepaling van de grondprijs geschiedt naar het prijspeil ten tijde van de datum van
ondertekening van deze overeenkomst;
b. de grond wordt gewaardeerd conform de staat waarin deze zich bevindt ten tijde van de
ondertekening van deze overeenkomst;
c. de grond wordt gewaardeerd conform de bestemming “Maatschappelijke doeleinden”
zoals geldend ten tijde van de ondertekening van deze overeenkomst.
(...)
Artikel 7: Gebruik buitenterrein
1. Het buitenterrein dat in eigendom wordt overgedragen aan de Gemeente, wordt overeenkomstig de WPO om niet in gebruik gegeven aan de Stichting, met uitzondering van het gedeelte dat als afgeschermd speelterrein in gebruik is voor de kinderopvang.
2. Het buitenterrein als bedoeld in het eerste lid zal tevens kunnen worden gebruikt door de
participanten, voor zover dit door de Gemeente met de participanten wordt overeengekomen.
3. Het resterende buitenterrein dat ingevolge deze overeenkomst in juridische eigendom blijft bij de Stichting zal gedurende het gebruik van het gebouw als brede school functioneel onderdeel uitmaken van de brede school en zowel door de Stichting als door de participanten kunnen worden gebruikt, behoudens het bepaalde in lid 4. (...)
4. De Stichting kan de juridische eigendom van het resterend buitenterrein of een gedeelte daarvan alsnog overdragen aan de Gemeente of een derde, indien uit de gerechtelijke uitspraak blijkt dat de beperkingen uit de WPO niet van toepassing zijn op het betreffende perceelsgedeelte. (...)’
4. Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
4.1
De Gemeente heeft in eerste aanleg (in conventie), na wijziging van eis, gevorderd een verklaring voor recht dat:
a. primair: de Gemeente ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) kon doen gelden ten aanzien van de aan de Gemeente overgedragen ondergrond en wettelijk verplichte buitenruimte van de brede school te Ammerzoden (perceel K3298), indien de Stichting op dat moment blijvend zou ophouden het voor de school te gebruiken met als gevolg dat geen andere betaling is verschuldigd dan de overeengekomen € 1,00;
subsidiair: de Gemeente voor de overdracht van perceel K3298 ingevolge artikel 4 lid 2 van de vaststellingsovereenkomst geen andere betaling is verschuldigd dan de overeengekomen€ 1,00;
meer subsidiair: de Gemeente reeds ten tijde van de ondertekening van de
vaststellingsovereenkomst ten aanzien van een door de rechtbank te bepalen gedeelte van perceel K3298 het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) kon doen gelden indien de Stichting op dat moment blijvend zou ophouden het voor de school te gebruiken met als gevolg dat slechts voor het overige gedeelte van het perceel K3298 een financiële vergoeding verschuldigd is ingevolge artikel 4 lid 2 en artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst;
b. primair: de Gemeente ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) kon doen gelden ten aanzien van (een gedeelte van) het resterende buitenterrein van de brede school te Ammerzoden (perceel K3297) indien de Stichting op dat moment blijvend zou ophouden het voor de school te gebruiken met als gevolg dat de Stichting dit (gedeelte van het) perceel ingevolge artikel 4 lid 3 van de vaststellingsovereenkomst alsnog aan de Gemeente dient over te dragen tegen€ 1,00;
subsidiair: perceel K3297 ingevolge artikel 4 lid 3 van de vaststellingsovereenkomst
aan de Gemeente dient te worden overgedragen tegen € 1,00;
c. primair: de Gemeente ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) kon doen gelden ten aanzien van de aan de Gemeente overgedragen ondergrond en wettelijk verplichte buitenruimte van de brede school te Velddriel (perceel M2210), indien de Stichting op dat moment blijvend zou ophouden het voor de school te gebruiken met als gevolg dat geen andere betaling is verschuldigd dan de overeengekomen € 1,00;
subsidiair: de Gemeente voor de overdracht voor de overdracht van perceel M2210
ingevolge artikel 4 lid 2 van de vaststellingsovereenkomst geen andere betaling is verschuldigd dan de overeengekomen € 1,00;
meer subsidiair: de Gemeente reeds ten tijde van de ondertekening van de
vaststellingsovereenkomst ten aanzien van een door de rechtbank te bepalen
gedeelte van perceel M2210 het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO)
kon doen gelden indien de Stichting op dat moment blijvend zou ophouden het
voor de school te gebruiken met als gevolg dat slechts voor het overige gedeelte
van het perceel M2210 een financiële vergoeding verschuldigd is ingevolge artikel 4
lid 2 en artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst;
d. primair: de Gemeente ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) kon doen gelden ten aanzien van (een gedeelte van) het resterende buitenterrein van de brede school te Velddriel (perceel M2211) indien de Stichting op dat moment blijvend zou ophouden het voor de school te gebruiken met als gevolg dat de Stichting dit (gedeelte van het) perceel ingevolge artikel 4 lid 3 van de
vaststellingsovereenkomst alsnog aan de Gemeente dient over te dragen tegen € 1,00;
subsidiair: perceel M2211 ingevolge artikel 4 lid 3 van de vaststellingsovereenkomst
aan de Gemeente dient te worden overgedragen tegen € 1,00;
een en ander met veroordeling van de Stichting in de proceskosten.
4.2
De Stichting heeft tegen die vorderingen in eerste aanleg gemotiveerd verweer gevoerd en (in reconventie) kort samengevat gevorderd een verklaring voor recht dat:
1. de Gemeente geen gronden van de Stichting kan claimen op grond van uitoefening van
het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) ten aanzien van de oppervlakte met
ondergrond van de brede scholen te Velddriel en Ammerzoden voor zover die meer
omvat dan het oppervlak met ondergrond van vorengenoemde brede scholen dat in
gebruik is als huisvesting voor de scholen van primair onderwijs die vallen onder het
bevoegd gezag van de Stichting;
2. de Gemeente geen gronden van de Stichting kan claimen op grond van uitoefening van
het economisch claimrecht (artikel 110 van de WPO) ten aanzien van de ‘resterende
buitenterreinen’ die om de brede scholen te Velddriel (perceel M2211) en Ammerzoden
(perceel K3297) zijn gesitueerd;
3. de Stichting over het volle eigendomsrecht beschikt ten aanzien van percelen M2211 en
M3297;
en, na vermeerdering van eis, voorts:
I. een verklaring voor recht dat de Stichting steeds de ondergrond onder beide brede
scholen in Velddriel en Ammerzoden in volle eigendom had voor 15 maart 2013;
II. een verklaring voor recht dat de Gemeente bij uitoefening van het economisch
claimrecht (artikel 110 van de WPO) niet tevens aanspraak kan maken op de eigendom
van de ondergrond van beide brede scholen en mitsdien gehouden is daarvoor een
financiële vergoeding te betalen op de voet van artikel 5 van de
vaststellingsovereenkomsten;
III. veroordeling van de Gemeente in de buitengerechtelijke kosten van € 50.000,00, te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding.
4.3
De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis van 8 juni 2016 in conventie voor recht verklaard dat op grond van de huidige wettelijke regeling bij een buitengebruikstelling van de gebouwen in Ammerzoden en Velddriel als school ten tijde van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomsten, onder het economisch claimrecht van de Gemeente zouden zijn gevallen de delen van het gebouw en van de buitenruimte die feitelijk voor het onderwijs werden gebruikt, alsmede de daarbij behorende ondergronden. De rechtbank heeft de kosten daarbij tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
In reconventie heeft de rechtbank de kosten eveneens gecompenseerd, met afwijzing van het meer of anders gevorderde.
5. De beoordeling van de grieven en de vordering
De rechtsstrijd in hoger beroep
5.1
Tegen dat vonnis heeft de Gemeente hoger beroep aangetekend. De Gemeente heeft haar eis in hoger beroep gewijzigd (vermeerderd) met een vordering tot nakoming van de vaststellingsovereenkomsten, en de nakosten.
5.2
De Stichting - waaronder hierna ook haar rechtsvoorgangers worden begrepen - heeft in hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft geen grieven geformuleerd tegen de afwijzing van haar reconventionele vorderingen, zodat deze in hoger beroep niet meer aan de orde zijn. De Stichting heeft evenmin in conventie incidenteel hoger beroep ingesteld; het hoger beroep mag dus niet tot een voor de Gemeente ongunstiger uitspraak leiden (het verbod van reformatio in peius).
5.3
Met haar hoger beroep komt de Gemeente op tegen de door de rechtbank in antwoord op haar vorderingen toegewezen verklaring voor recht, die zij, met de proceskostenveroordeling, in een drietal grieven aan de orde stelt. Met die grieven klaagt zij erover dat de rechtbank buiten de omvang van de rechtsstrijd is getreden door een geheel ander object in het geschil te betrekken, te weten (delen van) het gebouw zelf. Voor de vraagstelling hoefde naar haar mening niet te worden bezien welke delen al dan niet voor onderwijsdoeleinden worden gebruikt en hoefde de eigendomssituatie niet ‘door splitsing en zo nodig het vestigen van appartementsrechten te worden aangepast’, zodat ‘afzonderlijke overdracht van deze gedeeltes mogelijk is’. De rechtbank is er volgens de Gemeente voorts ten onrechte van uitgegaan dat de brede scholen ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomsten al in gebruik waren genomen (grief 1). Verder maakt de Gemeente bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat het claimrecht alleen zou gelden voor de ondergrond en de buitenruimten voor zover die feitelijk voor onderwijs werden gebruikt. Ook het feitelijk gebruik maakte naar de mening van de Gemeente geen onderdeel uit van de rechtsstrijd en stond tussen partijen niet ter discussie (grief 2). Ten slotte compenseerde de rechtbank de proceskosten naar het oordeel van de Gemeente ten onrechte, omdat de Stichting in haar ogen zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk werd gesteld (grief 3).
5.4
De Stichting is het niet met de Gemeente eens. Naar haar mening is de rechtbank helemaal niet buiten de rechtsstrijd getreden, omdat zij zich ingevolge de vordering van de Gemeente gehouden zag tot beantwoording van de rechtsvraag tot hoever het economisch claimrecht zich uitstrekte: was dat alleen de ondergrond van de (oude) schoolgebouwen of de gehele ondergrond van de multifunctionele accommodatie op beide locaties, en welk omliggend terrein viel onder dit economisch claimrecht (alleen het speelterrein of ook alle gronden daarbuiten)? Het is volgens de Stichting niet juist dat de basisscholen de beide accommodaties ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomsten als enige gebruikers benutten (vgl. haar producties 1 en 2 bij memorie van grieven) (reactie op grief 1). Naar het oordeel van de Stichting heeft de rechtbank, gelet op de artikelen 103 en 110 WPO, waarin een connectie met het onderwijs of onderwijsdoeleinden is aangebracht, ter beantwoording van de vraagstelling terecht aanknoping gezocht bij de feitelijke situatie en het feitelijk gebruik voor onderwijsdoeleinden. Haars inziens valt met de tekst van de WPO niet te rechtvaardigen dat alle omringende gronden van een school (dus ook de grond die niet voor onderwijsdoeleinden wordt gebruikt) onder het economisch claimrecht vallen (reactie op grief 2). Volgens de Stichting heeft de rechtbank de proceskosten terecht gecompenseerd (reactie op grief 3).
5.5
De rechtsstrijd in hoger beroep betreft derhalve opnieuw de vraag naar de reikwijdte van het economisch claimrecht van de Gemeente ten aanzien van de in het geding zijnde locaties te Ammerzoden en Velddriel ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomsten. In eerste aanleg heeft de Stichting zich op het standpunt gesteld dat sprake was van oude eigendomsscholen, in het verleden tot stand gebracht met eigen middelen van het schoolbestuur (vgl. de conclusie van antwoord/tevens eis in reconventie onder 5.2). Bij ‘oude eigendomsscholen’ is het schoolbestuur volledig eigenaar van het schoolgebouw (vgl. in die zin ook de voorlichtende tekst van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) door de Stichting in juistgenoemde conclusie onder 4 aangehaald). In zoverre was ook de status van de gebouwen in eerste aanleg in debat en faalt grief 1 reeds daarom.
In eerste aanleg was tevens de ondergrond behorend bij de delen van de gebouwen en de buitenruimten die feitelijk voor onderwijs werden gebruikt, nog in het geding betrokken (vgl. de akte na comparitie tevens houdende wijziging (vermeerdering) van eis in reconventie van de Stichting onder 4 en het gewijzigde petitum). Ingevolge het door de Stichting niet betwiste oordeel van de rechtbank dat het economisch claimrecht rust op ‘de delen van het gebouw en de buitenruimte die (ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomsten) feitelijk voor onderwijs werden gebruikt, alsmede de daarbij behorende ondergronden’ (zie rechtsoverweging 4.8 en het dictum van het bestreden vonnis), is de rechtsstrijd in hoger beroep echter beperkt tot de overige gedeelten van de gebouwen en omliggende gronden. De eerder bedoelde delen van de gebouwen en de buitenruimten die ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomsten feitelijk voor onderwijs werden gebruikt, alsmede de daarbij behorende ondergronden zijn in hoger beroep derhalve niet langer in het debat betrokken.
5.6
Voor zover de Stichting heeft aangevoerd dat het op de locaties Ammerzoden en Velddriel gaat om ‘oude eigendomsscholen’, heeft zij dat verweer in het licht van de reactie van de Gemeente dat de schoolgebouwen die aanwezig waren toen met de bouw van de brede scholen werd begonnen, dateren van na 1920, onvoldoende uitgewerkt en gaat het hof daaraan voorbij. Wat de twee oude schoolgebouwen in Ammerzoden betreft heeft de Stichting erkend dat deze in 1977 zijn afgebroken. Wat de situatie in Velddriel betreft had het op de weg van de Stichting gelegen om uit te werken, welk gedeelte van het voormalige schoolgebouw is gehandhaafd in de brede school en dat dit gedeelte al was gebouwd voor 1920.
De maatstaf voor de beoordeling van de (resterende) vraagstelling
5.7
Om over die (resterende) vraagstelling (zie hiervoor onder 5.5) een oordeel te kunnen vellen, is het hof evenals de rechtbank, in eerste instantie, aangewezen op (uitleg van) de relevante wet- en regelgeving. Voor het economisch claimrecht zijn met name relevant de artikelen 103 en 110 van de WPO, die weliswaar niet steeds heeft gegolden maar – en daarover zijn partijen het eens – op de in het geding zijnde punten niet wezenlijk verschilt van daaraan voorafgaande wetgeving. Deze artikelen luiden als volgt:
‘Artikel 103. Bouwheerschap
1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school geeft opdracht de voorziening in de huisvesting waartoe op grond van de artikelen 95 en 98 kan worden overgegaan, tot stand te brengen met daartoe door de gemeente beschikbaar te stellen
gelden, tenzij het met burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente deze
voorziening tot stand brengt.
2. Indien de gemeente de voorziening in de huisvesting van een niet door de gemeente in
stand gehouden school tot stand heeft gebracht, worden gebouw en terrein aan het bevoegd
gezag in eigendom overgedragen, tenzij burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag
anders overeenkomen.
3. Indien de voorziening in de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, niet voldoet aan de eisen voor eigendomsoverdracht, geven burgemeester en wethouders deze aan het bevoegd gezag in gebruik.
Artikel 110. Einde gebruik gebouw of terrein door een niet door de gemeente in stand
gehouden school
1. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
gehouden school dat eigenaar is van het gebouw en terrein, kunnen in een gezamenlijke akte
verklaren dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden
het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de
school te gebruiken.
2. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil omtrent de toepassing van het eerste
lid desgevraagd besluiten dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend
zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte
daarvan, voor de school te gebruiken. De aanvraag om het besluit wordt gedaan door
burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de school. Alvorens op de
aanvraag te besluiten, horen gedeputeerde staten de wederpartij.
3. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat
voornemens is gebouwen of terreinen, of een gedeelte daarvan, blijvend niet meer voor de
school te gebruiken. doet hiervan onverwijld mededeling aan burgemeester en wethouders.
4. Zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, of het in het
tweede lid bedoelde besluit van gedeputeerde Staten onherroepelijk is geworden dan wel in
beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, inhoudende een besluit als bedoeld in het
tweede lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, wordt de akte, het
onherroepelijk geworden besluit onderscheidenlijk de uitspraak, tenzij deze een gebouw
betreft als bedoeld in artikel E 33 van de Overgangswet WBO, ingeschreven in de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Door de
inschrijving verkrijgt de gemeente de eigendom.
5. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
gehouden school dat eigenaar is van het schoolgebouw, kunnen in een gezamenlijke akte
verklaren dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht,
blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn.
6. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil omtrent de toepassing van het vijfde
lid desgevraagd besluiten dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor
eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn. De aanvraag om
het besluit wordt gedaan door burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van
de school. Alvorens op de aanvraag te besluiten, horen gedeputeerde staten de wederpartij.
7. Zodra de in het vijfde lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, of het in het zesde
lid bedoelde besluit van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep
is bepaald dat de uitspraak van de rechter, inhoudende een beslissing als bedoeld in het zesde
lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, kan het bevoegd gezag van
een niet door de gemeente in stand gehouden school het desbetreffende gedeelte van het
gebouw met toestemming van burgemeester en wethouders verhuren.
8. De toestemming, bedoeld in het zevende lid, wordt verleend voor een tijdvak van ten
hoogste 3 jaren. Op verzoek van het bevoegd gezag kan dit tijdvak telkens worden verlengd
met een termijn van ten hoogste 3 jaren.
9. Op de verhuur, bedoeld in het zevende lid, is artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek niet van toepassing.’
5.8
Deze bepalingen gaan ervan uit dat een huisvestingsvoorziening, die tot stand is gebracht met door een gemeente beschikbaar gestelde gelden en – behoudens andere afspraak – aan het bevoegd gezag in eigendom is overgedragen (zie met name artikel 103 leden 1 en 2 WPO), op het moment dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel zal ophouden het gebouw of terrein voor de school te gebruiken, ‘om niet’ terugvalt aan de gemeente (zie met name artikel 110 lid 4 WPO). Achtergrond van dit wettelijk uitgangspunt vormt de bekostiging van de huisvestingsvoorziening met publieke middelen, die op die wijze voor de gemeenschap behouden blijven (zie in die zin ook de hiervoor onder 5.5 genoemde voorlichtende tekst van de VNG).
Beoordeling van de (resterende) vraagstelling
5.9
Tegen deze achtergrond zal het hof de hiervoor onder 5.5 omschreven in hoger beroep (resterende) vraagstelling beoordelen. De Gemeente heeft primair verdedigd dat uit de systematiek van de WPO volgt dat het economisch claimrecht van een gemeente geldt voor het gehele terrein met de daarop gestichte gebouwen, onafhankelijk van de vraag wie bij de oprichting van de school de grond heeft ingebracht en onafhankelijk van de vraag of de grond in de financiering met publieke middelen is betrokken. Zij wijst er verder op dat effectuering van het economisch claimrecht op slechts het gebouw zonder ondergrond niet mogelijk is. De rechtbank heeft dit primaire standpunt impliciet verworpen en daarover klaagt de Gemeente onder meer in grief 2, welke grief gelet op de reikwijdte van het debat (zie hiervoor onder 5.5) slechts betrekking heeft op de percelen die ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomsten niet voor onderwijsdoeleinden werden gebruikt. In zoverre slaagt deze grief niet. De Gemeente heeft onvoldoende uitgewerkt, waarom uit de systematiek van de WPO volgt dat zij deze grond, voor het geval zij daarvan geen eigenaar is geweest en de verwerving daarvan niet uit publieke middelen is vergoed, van de Stichting kan vorderen, zonder de waarde ervan aan de Stichting te vergoeden. Bij gebreke daarvan valt immers niet in te zien op welke wijze zich de situatie voordoet, waarin ten aanzien van de grond sprake is van bekostiging van de desbetreffende voorziening als door de WPO voor de inroeping van een economisch claimrecht vereist (zie hiervoor onder 5.7 en 5.8). Naar reeds uit het voorgaande blijkt, is het hof van oordeel dat een redelijke uitleg van de systematiek van de WPO meebrengt dat een gemeente slechts een economisch claimrecht op de grond heeft, voor zover zij deze aan het schoolbestuur destijds ter beschikking heeft gesteld of voor zover de grond uit publieke middelen is gefinancierd. Indien daarvan geen sprake is, is de uitoefening van het economisch claimrecht beperkt tot de gebouwen door middel van de vestiging van een opstalrecht, ervan uitgaande dat die gebouwen wel door de gemeente zijn bekostigd. Aldus is er geen reden tot dan wel sprake van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarop de Stichting voor de beide buitenterreinen (kadastrale aanduidingen K3297 en M2211) een beroep heeft gedaan.
5.10
Hetgeen hiervoor is overwogen betekent verder dat, naar de Gemeente ook stelt, voor het antwoord op de (resterende) vraagstelling (zie hiervoor onder 5.5) niet het feitelijk gebruik van de gebouwen en terreinen voor onderwijs bepalend is, maar hetzij de terbeschikkingstelling van de grond door de Gemeente aan de Stichting, hetzij de vergoeding aan de Stichting van de waarde van de grond uit publieke middelen. Het antwoord op de vraag of delen van de accommodaties ten tijde van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomsten al dan niet door anderen dan de Stichting in gebruik waren genomen, kan daarom in het midden blijven. In zoverre slagen de grieven 1 en 2. Dientengevolge zullen de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht en de daaraan ten grondslag liggende argumenten in zoverre sneuvelen.
5.11
Volgens de hiervoor onder 5.7 aangehaalde artikelen staat centraal de totstandbrenging van de huisvestingsvoorziening met door de gemeente beschikbaar gestelde gelden en het behoud daarvan voor de gemeenschap. De vraag rijst daarmee of en zo ja, in hoeverre de overige gedeelten van de gebouwen en omliggende gronden (zie hiervoor onder 5.5) gezegd kunnen worden met publieke middelen te zijn gefinancierd. Wat betreft de gebouwen bestaat daarover tussen partijen geen debat meer. Het hof dient daarom te onderzoeken of de subsidiaire stellingen van de Gemeente juist zijn dat zij de grond van de scholen in Ammerzoden en Velddriel heeft verworven, alvorens deze aan de Stichting over te dragen dan wel de waarde van deze grond uiteindelijk uit publieke middelen is vergoed aan de Stichting.
Het hof zal dit achtereenvolgens voor de locatie in Ammerzoden en Velddriel beoordelen.
Eerdere verweving van de grond of financiering van de locaties met publieke middelen?
(Locatie Ammerzoden)
5.12
Voor de accommodatie in Ammerzoden heeft de Gemeente aangevoerd dat het ging om de percelen kadastraal bekend gemeente Ammerzoden, sectie K nummer 2851, 2903 en 3127, van welke percelen alleen perceel K2851 ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomsten nog eigendom was van de Stichting; de andere percelen waren al eigendom van de Gemeente. Perceel K2851 evenwel ontstond uit het oude perceel K1887, welk perceel bij notariële akte van 26 maart 1987 (productie 6 bij inleidende dagvaarding) door de gemeente Ammerzoden (in 1999 opgegaan in de nieuwe fusiegemeente Maasdriel) om niet aan de Stichting in eigendom is overgedragen.
In genoemde notariële akte is onder meer het volgende vermeld:
‘De comparant sub 1 (de gemeente Ammerzoden vertegenwoordigende, hof) verklaarde in zijn gemelde hoedanigheid bij deze voor en namens de gemeente Ammerzoden om niet in eigendom over te dragen aan gemelde stichting (de te Ammerzoden gevestigde stichting “Katholieke Stichting voor Basisonderwijs De Schakel”, rechtsvoorgangster van de Stichting, hof), voor welke stichting de comparanten sub 2 (die de gemelde stichting vertegenwoordigen, hof) verklaarden bij deze om niet in eigendom aan te nemen:
Het schoolgebouw met erf en grond, plaatselijk gemerkt ’t Bussche Kempke2 te Ammerzoden, uitmakende een behoorlijk afgebakend gedeelte ter grootte van ongeveer drieënzeventig aren van het kadastrale perceel gemeente Ammerzoden sektie K nummer 1887.
(…)
Gemelde stichting kan zich de eigendom van gemeld onroerend goed verschaffen door het doen overschrijven van een afschrift van deze akte in de daartoe bestemde openbare registers.’
In de notariële akte van 14 september 1987 (productie 7 bij inleidende dagvaarding) staat vermeld dat de Stichting de eerstgenoemde akte op 27 maart 1987 in de openbare registers heeft doen overschrijven en daardoor de eigendom van dat onroerend goed heeft verkregen (vgl. in die zin ook de inleidende dagvaarding onder 52 en 53).
5.13
De Stichting heeft de leveringshandeling van het perceel K1887 door de (rechtsvoorgangster van) de Gemeente op zichzelf niet ontkend maar deze wel als onnodig en onbevoegd dan wel zonder rechtsgeldige titel bestreden (vgl. de conclusie van antwoord/tevens van eis in reconventie, blz. 15, alinea 2 e.v.).
5.14
Voor overdracht van een onroerende zaak werd ook destijds volgens de artikelen 639, 671 en 671a BW (oud) (thans artikel 3:84 lid 1 BW) vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken. Voor de titel heeft de gemeente zich beroepen op de geldende onderwijswetgeving; voor haar beschikkingsbevoegdheid op de inroeping van het economisch claimrecht (volgens artikel 83 lid 5 van de Lager-Onderwijswet 1920 en artikel 61 lid 6 van de Kleuteronderwijswet, voorlopers van de WPO) door haar rechtsvoorgangster (de gemeente Ammerzoden) ter gelegenheid van de sloop van de destijds aanwezige kleuterschool en basisschool en vervanging door nieuwbouw in 19781..
Artikel 83 lid 5 van de Lager-Onderwijswet luidt als volgt:
‘Gedeputeerde Staten kunnen beslissen, dat de instelling of vereeniging blijvend heeft opgehouden het gebouw overeenkomstig zijn bestemming te gebruiken, (…). Zoodra deze beslissing onherroepelijk is geworden of in hoger beroep is bevestigd of genomen, zal zij worden overgeschreven in de openbare registers, bedoeld in artikel 671 van het Burgerlijk Wetboek. Door die overschrijving gaat de eigendom van het gebouw en de bijbehorende grond op de gemeente over, vrij van alle lasten en rechten, daarop door de instelling of de vereeniging gevestigd.’
Artikel 61 lid 6 van de Kleuteronderwijswet luidt dienovereenkomstig.
Dit economisch claimrecht kwam (de rechtsvoorgangster van) de Gemeente toe in geval het ging om een school tot stand gekomen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 75 tot en met 83 van de Lager-Onderwijswet respectievelijk de equivalente bepalingen uit de Kleuteronderwijswet. Kort gezegd gaat het ook hier om de stichting van lagere scholen voor bijzonder onderwijs met door de gemeente beschikbaar gestelde gelden2.. Vaststaat dat de gemeente Ammerzoden bedoelde verklaringen op 11 april 1978 bij Gedeputeerde Staten van Gelderland heeft aangevraagd3.. Vaststaat tevens dat Gedeputeerde Staten deze verklaringen op 14 juli 1978 heeft afgegeven4.en dat deze zijn overgeschreven in de openbare registers op 25 augustus 19835., nadat bij de Raad van State was nagevraagd of tegen de verklaringen van Gedeputeerde Staten beroep was ingesteld, wat niet het geval bleek te zijn6.. Aan de opvolgende eigendomsoverdracht van het perceel (K1887) door de gemeente Ammerzoden aan haar op 26 maart 1987 heeft de Stichting voorts ook haar medewerking verleend (zie hiervoor onder 5.12).
De Stichting heeft onvoldoende toegelicht, waarom beide eigendomsovergangen zonder effect zouden zijn gebleven en de grond moet worden beschouwd als altijd haar eigendom te zijn geweest. Het enkele argument dat destijds mogelijk is miskend dat verwerving van de grond nooit met publieke middelen is gefinancierd en de Gemeente daarom artikel 83 lid 5 van de Lager-Onderwijswet ten aanzien van de grond niet had mogen toepassen, is daarvoor onvoldoende. Aangenomen moet worden dat beide overgangen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Voor het geval de Stichting met dit verweer heeft willen aanvoeren dat zij ten gevolge van deze eigendomsovergangen aanspraak heeft op schadevergoeding ter hoogte van de waarde van de grond, heeft de Gemeente zich er terecht op beroepen dat een dergelijke rechtsvordering, als deze er zou zijn, is verjaard, nu de rechtshandelingen meer dan 20 jaar geleden zijn verricht. Voor zover de Stichting heeft aangevoerd dat zij destijds in dwaling verkeerde, verwerpt het hof dit verweer, omdat de Stichting dat in het licht van de vereisten van artikel 1358 BW (oud) onvoldoende heeft uitgewerkt, ook gezien de omstandigheid dat zij bekend mocht worden verondersteld met de omstandigheid dat de scholen op eigen grond zijn gebouwd.
Het hof beslist dan ook dat de Stichting de eigendom van het schoolgebouw met erf en grond, destijds kadastraal aangeduid als ’t Bussche Kempke (perceel K1887), in 1987 van de Gemeente als beschikkingsbevoegd en krachtens rechtsgeldige titel (de geldende onderwijswetgeving) en derhalve uit de publieke middelen heeft verkregen. Daarvan uitgaande heeft de Gemeente een economisch claimrecht op het volledige perceel K2851 (inmiddels gesplitst in K3297 en 3298).
(Locatie Velddriel)
5.15
Voor de accommodatie in Velddriel heeft de Gemeente zich erop beroepen dat de zogenoemde overige gedeelten van de gebouwen en omliggende gronden (vgl. hiervoor onder 5.5) ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomsten reeds eigendom waren van de Gemeente. De situatie lag daar, aldus de Gemeente, anders dan in Ammerzoden in die zin dat van een eigendomsoverdracht door de Gemeente aan de Stichting geen sprake is geweest. Het relevante perceel (M1446, inmiddels gesplitst in M2210 en M2211) is (ook) volgens de Gemeente oorspronkelijk eigendom van de Stichting. Uit de notitie van de heer R. Andriolo blijkt dat de Stichting in de periode 1967 t/m 1971 grond met een oppervlakte van ± 5.500 m2 als waarborgsom heeft ingebracht. Het hof leidt uit de stellingen van partijen af dat deze grond niet is overgedragen aan de Gemeente, maar zou dienen als verhaalsobject voor de Gemeente als de Stichting haar verplichtingen met betrekking tot de oprichting van de school niet zou nakomen. De waarde van deze grond is volgens de Gemeente vervolgens in jaarlijkse periodes terugbetaald aan de Stichting. Daarmee is de grond in de ogen van de Gemeente per saldo met publieke middelen gefinancierd en kan de situatie gelijk worden gesteld met een verkrijging door de Gemeente op basis van artikel 110 WPO/ haar rechtsvoorgangers, gevolgd door een terugoverdracht aan de Stichting.
5.16
De Stichting heeft hiertegenover aangevoerd dat te Velddriel 3860 m2 door de Stichting aan de Gemeente is verkocht voor woningbouw en sporthal en dat 5.190 m2 eigendom van de Stichting is gebleven (vgl. de conclusie van antwoord/tevens eis in reconventie sub 5.5.1). De Stichting betwist dat de inbreng van grond als waarborgsom een vorm van eigendomsoverdracht oplevert waaraan de Gemeente een economisch claimrecht zou kunnen ontlenen. De Stichting betwist voorts dat de Gemeente haar de waarborgsom met betrekking tot de locatie te Velddriel zou hebben terugbetaald.
5.17
Tegen de achtergrond van de strekking van het economisch claimrecht als hiervoor onder 5.8 omschreven, is voor de aanname van zodanig recht nodig dat de desbetreffende grond met publieke middelen is gefinancierd. Van financiering van de grond met publieke middelen zou naar het oordeel van het hof sprake kunnen zijn, indien de Gemeente de door de Stichting in de vorm van (de desbetreffende) grond betaalde waarborgsom, aan haar in geld zou hebben terugbetaald. Ook al zou de inbreng van grond niet een vorm van eigendomsoverdracht opleveren, zoals de Stichting aanvoert, dan kan de terugbetaling in geld van de ingebrachte grond, die kennelijk eigendom van de Stichting bleef of weer werd, toch een financiering ervan met publieke middelen vormen. De Gemeente heeft tot nu toe echter niet kunnen aantonen dat zij de waarborgsom, door de Stichting in natura (namelijk in de vorm van grond) betaald (vgl. de in zoverre niet door de Stichting bestreden inleidende dagvaarding onder 75 met bijbehorende producties), aan de Stichting in geld heeft terugbetaald. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen ten overstaan van het hof heeft de Gemeente evenwel kenbaar gemaakt alsnog naar bewijs te willen zoeken. Het hof zal haar daartoe in de gelegenheid stellen, teneinde ook over de locatie Velddriel een beslissing te kunnen nemen. In een na de getuigenverhoren te houden comparitie van partijen kan aan de orde komen of de beslissing van de rechtbank met betrekking tot Velddriel overeenkomt met de recente splitsing in de kavels M2210 en M2211 en of er een perceelsgedeelte van het oude perceel M1446 is dat niet als waarborg is ingebracht.
6. De slotsom
6.1
Het hof zal de Gemeente in de gelegenheid stellen tot het leveren van het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zij de in de periode 1967 t/m 1971 door (de rechtsvoorgangster van) de Stichting in verband met de nieuwbouw dan wel uitbreiding van de scho(o)l(en) te Velddriel in de vorm van (de desbetreffende) grond betaalde waarborgsom, in geld aan haar heeft terugbetaald.
6.2
Verder zal iedere beslissing worden aangehouden.
7. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
laat de Gemeente toe tot het onder 6.1 vermelde bewijs;
bepaalt dat, indien de Gemeente uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, zij die stukken op de roldatum 3 december 2019 in het geding dient te brengen;
bepaalt dat, indien de Gemeente dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. L.F. Wiggers-Rust, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;
bepaalt dat de Gemeente het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 19 november 2019, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;
bepaalt dat de Gemeente overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
bepaalt dat, in het geval er getuigen worden voorgebracht, partijen (beide vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot het aangaan van een schikking) samen met hun advocaten bij het verhoor van de getuigen aanwezig zullen zijn om partijen zelf zo nodig nadere inlichtingen te laten geven over de punten waarover de getuigen zullen worden gehoord en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;
bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.F. Wiggers-Rust, F.J. de Vries en R.W.E. van Leuken en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑11‑2019