Einde inhoudsopgave
De cyberverzekering vanuit civielrechtelijk perspectief (O&R nr. 129) 2021/VI.2.2.2
VI.2.2.2 Grenzen aan de zorgplicht
mr. N.M. Brouwer, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. N.M. Brouwer
- JCDI
JCDI:ADS278797:1
- Vakgebied(en)
Informatierecht / ICT
Verzekeringsrecht / Schadeverzekering
Voetnoten
Voetnoten
Zie W.J. Hengeveld en B.M. Jong-van Wijk, AV&S 2005-1, p. 31.
HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9900, r.o. 3.7. Zie voor een ander voorbeeld ook Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 september 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:6007, r.o. 2.4.3.
Vgl. HR 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9225, waarbij A-G Wuisman overigens opmerkt dat het daarbij wel afhangt van de aard van de gevraagde en verstrekte informatie (complexiteit), de betrouwbaarheid daarvan (door wie wordt de informatie verstrekt) en de aard en het gewicht van de belangen bij de ingewonnen informatie (A-G Wuisman sub 24 en 25).
Dit sluit ook aan op de publiekrechtelijke regelgeving. Uit artikel 4:99 Wft vloeit voort dat de verzekeraar ervoor moet zorgen dat de tussenpersoon zijn cliënt daadwerkelijk kan informeren. De verzekeraar moet dus de benodigde informatie verstrekken en de tussenpersoon mag vertrouwen op de juistheid daarvan. Wansink bepleit dat de tussenpersoon moet afzien van bemiddeling indien hem kenbaar is dat de informatie volstrekt onvoldoende is om het product adequaat te kunnen beoordelen (J.H. Wansink, ‘Zorgplichten voor de (rechtstreekse) verzekeraar en de bemiddelaar in de Wet op het financieel toezicht (Wft)’, VA 2009/1, p. 16).
Hoewel uit het voorgaande blijkt dat de zorgplicht van de assurantietussenpersoon zich ver uitstrekt, is deze niet onbegrensd. De grens ligt bij de aanwezigheid van een concrete aanleiding om actie te ondernemen.1 In zijn arrest van 1 oktober 2004 wees de Hoge Raad de vordering van de verzekeringnemer, die geconfronteerd werd met een niet-gedekte schade, af, omdat niet was gebleken dat de verzekeringnemer bij zijn tussenpersoon naar voren had gebracht dat hij een bijzonder belang had bij een uitgebreidere dekking. Die uitgebreidere dekking had hij bij zijn vorige polis ook niet. Nu de verzekeringnemer bij het vergelijken van de nieuwe en de oude polis op dit punt niets had gemeld, ontbrak de concrete aanleiding voor de tussenpersoon om die uitgebreide dekking te realiseren.2 Het belang van de verzekeringnemer bij deze dekking was derhalve niet kenbaar voor de tussenpersoon. Mede in het licht van de aard van de overeenkomst van opdracht is deze grens begrijpelijk. De omvang van de overeenkomst wordt immers (onder andere) bepaald door de wensen van de opdrachtgever. Geeft de opdrachtgever niet aan dat hij belang heeft bij een zekere dekking en bestaat er evenmin een (andere) concrete aanleiding voor de tussenpersoon om daarnaar nader onderzoek te doen en/of actie te ondernemen, dan kan de tussenpersoon moeilijk worden verweten dat er op dit punt inderdaad geen verzekering is afgesloten of anderszins geen dekking bestaat.
Bij onbekendheid met de risico’s zal de verzekeringnemer de concrete aanleiding tot nader onderzoek door de tussenpersoon echter zelf niet geven. Of en hoe dit de omvang van de zorgplicht beïnvloedt, komt hierna nader aan de orde.
Een ander aspect waarin de zorgplicht van de tussenpersoon zijn grens vindt, is gelegen in de informatie die de tussenpersoon van de verzekeraar verkrijgt. In het algemeen hoeft de tussenpersoon de informatie die hij van de verzekeraar verkrijgt niet op juistheid te controleren.3 Behoudens bijzondere gevallen – die de voornoemde ‘concrete aanleiding’ vormen om tot actie over te gaan – mag de assurantietussenpersoon afgaan op de juistheid van de door de verzekeraar verstrekte informatie.4