Indien de stappen van de Terugkeerrichtlijn (Richtlijn nr. 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008) vastgelegde terugkeerprocedure nog niet zijn doorlopen, is het opleggen van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf aan een ongewenstverklaarde onderdaan van een derde land in de zin van artikel 3, lid 1, van de Terugkeerrichtlijn die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal in Nederland verblijft, onrechtmatig; HR 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3151, NJ 2014/216.
HR, 25-10-2016, nr. 15/03723
ECLI:NL:HR:2016:2416
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-10-2016
- Zaaknummer
15/03723
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:2416, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 25‑10‑2016; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1028, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2016:1028, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 06‑09‑2016
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2416, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑01‑2016
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 2017/68 met annotatie van H.D. Wolswijk
SR-Updates.nl 2016-0405
NbSr 2016/234
Uitspraak 25‑10‑2016
Inhoudsindicatie
OM-cassatie, art. 197 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BF8848 m.b.t de op de ongewenst verklaarde vreemdeling rustende verplichting uit art. 61 Vreemdelingenwet 2000 om NL uit eigener beweging te verlaten, tenzij het aannemelijk is dat hij buiten zijn schuld niet aan die verplichting kan voldoen. Het oordeel van het hof om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging is ontoereikend gemotiveerd nu het hof niets heeft vastgesteld omtrent hetgeen verdachte zelf heeft ondernomen, bijvoorbeeld teneinde in het bezit te komen van reisdocumenten. Volgt terugwijzing.
Partij(en)
25 oktober 2016
Strafkamer
nr. S 15/03723
IV/AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 13 juli 2015, nummer 21/005619-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft feit 3 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1.
Het middel richt zich tegen het door het Hof uitgesproken ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 3.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:
"hij op 26 mei 2014 te Enschede als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot, ongewenst vreemdeling was verklaard."
2.2.2.
Het Hof heeft de verdachte ten aanzien van dit feit ontslagen van alle rechtsvervolging en daartoe het volgende overwogen:
"Het beroep op overmacht
Ingevolge artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000 dient een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf (meer) in Nederland heeft, Nederland uit eigen beweging te verlaten. Uit de Memorie van Toelichting op deze wet blijkt nadrukkelijk van de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling op dit punt. Een ongewenst verklaarde vreemdeling kan alleen dan geen verwijt worden gemaakt van zijn illegale verblijf in Nederland, indien aannemelijk is geworden dat hij buiten zijn schuld geen gehoor kan geven aan de verplichting om te vertrekken.
Het hof stelt vast dat verdachte bij beschikking van 9 december 2011 tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Verdachte heeft aanvankelijk geweigerd om mee te werken aan vertrek uit Nederland. Hij is twee keer in vreemdelingenbewaring gesteld. Na de tweede inbewaringstelling hebben de Nederlandse autoriteiten op 1 juni 2013 één poging ondernomen om verdachte daadwerkelijk uit te zetten naar Somalië. Uit het aanvullende proces-verbaal van de verbalisanten die waren belast met de uitzetting van verdachte volgt niet dat hij zich daartegen heeft verzet. Uit navraag bij de Somalische autoriteiten is niet eenduidig gebleken op grond waarvan zij verdachte de toegang tot Somalië hebben geweigerd. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat verdachte op basis van zijn eigen verklaring bij aankomst in Somalië is teruggestuurd.
Na de mislukte poging om verdachte uit te zetten heeft hij in vreemdelingenbewaring verbleven in de periode van 4 juni 2013 tot 27 november 2013. In die periode hebben de Nederlandse autoriteiten tevergeefs geprobeerd een laisser passer voor hem te verkrijgen van de Jemenitische autoriteiten. Verdachte beschikt niet over documenten die nodig zijn om zijn nationaliteit vast te stellen. De conclusie van een taalanalyse wijst er op dat hij niet afkomstig is uit Jemen. De eerste taal van verdachte is mogelijk Somalië. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij uit Somalië komt. De Nederlandse autoriteiten zijn er ook steeds vanuit gegaan dat hij afkomstig is uit Somalië.
Het is niet gebleken dat de Nederlandse autoriteiten enige poging hebben ondernomen om verdachte vrijwillig te laten vertrekken of hem uit te zetten gedurende de periode van vijf maanden tussen de opheffing van de bewaringstelling van verdachte in november 2013 en zijn aanhouding voor de thans bewezenverklaarde feiten in mei 2014.
Het hof acht het op grond van voormelde feiten en omstandigheden aannemelijk dat het voor verdachte onmogelijk is geweest om terug te keren naar zijn land van herkomst. Het is tevens aannemelijk geworden dat hij buiten zijn schuld geen gehoor kan geven aan de verplichting om Nederland te verlaten. Het hof zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging ter zake van feit 3."
2.3.
Art. 61 Vreemdelingenwet 2000 verplicht de vreemdeling die niet rechtmatig verblijf heeft, Nederland uit eigen beweging te verlaten. Dit betekent dat de vreemdeling die tot ongewenst vreemdeling is verklaard, de rechtsplicht heeft het land te verlaten, terwijl van die verplichting slechts is uitgezonderd de vreemdeling van wie aannemelijk is geworden dat hij buiten zijn schuld niet aan die verplichting kan voldoen (vgl. HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF8848, NJ 2009/235).
2.4.
In de overweging van het Hof dat de verdachte buiten zijn schuld geen gehoor kan geven aan de verplichting om Nederland te verlaten en dat de verdachte derhalve moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, ligt als zijn oordeel besloten dat de verdachte is uitgezonderd van de rechtsplicht als bedoeld in art. 61 Vreemdelingenwet 2000 om Nederland te verlaten. Gelet op hetgeen onder 2.3 is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat het Hof niets heeft vastgesteld omtrent hetgeen de verdachte zelf heeft ondernomen, bijvoorbeeld teneinde in het bezit te komen van reisdocumenten, is het oordeel van het Hof niet toereikend gemotiveerd.
2.5.
Het middel slaagt.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het eerste middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft het door het Hof ten aanzien van feit 3 gegeven ontslag van alle rechtsvervolging en de strafoplegging;
wijst de zaak terug de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2016.
Conclusie 06‑09‑2016
Inhoudsindicatie
OM-cassatie, art. 197 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BF8848 m.b.t de op de ongewenst verklaarde vreemdeling rustende verplichting uit art. 61 Vreemdelingenwet 2000 om NL uit eigener beweging te verlaten, tenzij het aannemelijk is dat hij buiten zijn schuld niet aan die verplichting kan voldoen. Het oordeel van het hof om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging is ontoereikend gemotiveerd nu het hof niets heeft vastgesteld omtrent hetgeen verdachte zelf heeft ondernomen, bijvoorbeeld teneinde in het bezit te komen van reisdocumenten. Volgt terugwijzing.
Nr. 15/03723 Zitting: 6 september 2016 | Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 13 juli 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr, en is wegens 3. “als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard” niet strafbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging.
Namens het openbaar ministerie heeft mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal bij het hof, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het ressortsparket, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel klaagt dat het hof bij de afwijzing van een verzoek tot aanhouding een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, dan wel dat het deze afwijzing ontoereikend heeft gemotiveerd.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2015 houdt onder meer in:
“De advocaat-generaal voert het woord, zakelijk weergegeven:
Ik heb kort voor deze zitting de beschikking gekregen over dit dossier. De jurisprudentie met betrekking tot artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht geeft aan dat geen gevangenisstraf kan worden opgelegd als niet duidelijk is dat alle procedures zijn doorlopen. Dat moet door het openbaar ministerie worden uitgezocht. Helaas heb ik dat niet kunnen doen. Ik kan het beroep op overmacht alleen goed beoordelen als ik weet hoe die uitzettingsprocedure is verlopen. Het is onduidelijk welke acties er hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van dit feit kan ik dan ook geen gefundeerd standpunt innemen. Daarom wil ik het hof verzoeken om de zaak aan te houden.
De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld om te reageren en hij voert daartoe het woord, zakelijk weergegeven:
Mijns inziens dient het verzoek van de advocaat-generaal tot aanhouding van de zaak te worden afgewezen. Ik heb aan mijn pleitnota stukken gehecht waaruit kan blijken dat de uitzettingsprocedure volledig is doorlopen. Mijn cliënt heeft redelijkerwijs alles gedaan wat van hem kan worden verwacht. Dat kan ik aantonen. Wat mij betreft bestaat er derhalve geen noodzaak tot nader onderzoek.
De voorzitter deelt mede dat het dossier op dit punt niets anders behelst dan de beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, betreffende verdachte, gedateerd 9 december 2011. Gelet hierop verzoekt het hof de raadsman om de aan zijn pleitnota gehechte stukken over te leggen.
De raadsman legt deze stukken over.
De voorzitter deelt mede dat de stukken in het dossier worden gevoegd. De griffier zal een afschrift van die stukken aan de advocaat-generaal toezenden.
De advocaat-generaal voert het woord, zakelijk weergegeven:
Dat zijn door de verdediging ingebrachte stukken. Dan weten wij nog niet wat de IND heeft gedaan.
De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven:
Ik sta niet in voor de volledigheid van die stukken. Ik heb geen lijntje bij de IND. Maar goed, mijn standpunt is duidelijk.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat:
- de vordering van de advocaat-generaal tot aanhouding van de zaak wordt toegewezen, omdat het belang van het onderzoek dit vordert nu het dossier onvolledig is;
- aan de advocaat-generaal wordt verzocht om de stukken met betrekking tot de uitzettingsprocedure van verdachte bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst op te vragen en toe te voegen aan het dossier;
- het onderzoek voor onbepaalde tijd wordt geschorst, met bevel tot oproeping van verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip en met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsman van verdachte.”
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2015 houdt onder meer in:
“De griffier leest een overweging voor uit een arrest van oen andere kamer in dit hof van 29 juni 2015 in de strafzaak tegen verdachte met parketnummer 21-004179-14, waarbij verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolging, inhoudende:
"Uit de stukken blijkt dat de Nederlandse autoriteiten pogingen hebben ondernomen om verdachte uit te zetten, maar die pogingen zijn, tot op heden, niet succesvol gebleken. Verdachte is naar Somalië uitgezet, maar is door de Somalische autoriteiten teruggezonden omdat zij twijfelden of verdachte wel uit Somalië kwam. Hoewel de advocaat-generaal heeft aangevoerd dat verdachte op basis van zijn eigen verklaring bij aankomst in Somalië door de Somalische autoriteiten is teruggestuurd, blijkt uit de stukken in het dossier niet eenduidig waarom verdachte Somalië niet in kon. Onderzoek naar een mogelijke Jemenitische achtergrond heeft niets opgeleverd. Op grond van deze feiten en omstandigheden is aannemelijk geworden dat het verdachte onmogelijk is gebleken om het land te verlaten. Nu het voor het hof aannemelijk is geworden dat het voor verdachte niet mogelijk is om het land te verlaten, is tevens aannemelijk geworden dat hij buiten zijn schuld geen gehoor kan geven aan de verplichting om te vertrekken. Het hof zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging. "
De voorzitter merkt op dat het arrest is gewezen in een andere zaak en door een andere samenstelling van het hof. Het is dus niet gezegd dat dit ook het oordeel van het hof in de onderhavige zaak zal zijn. Tijdens de zitting zal een kopie van het arrest worden verstrekt aan de advocaat-generaal en de raadsman.
(…)
De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:
Ik voel mij overvallen door het arrest van de andere kamer in dit hof. Ik zou dit arrest willen voorleggen aan de IND met de vraag om hierop te reageren. De IND kan mogelijk meer duidelijkheid verschaffen over de reden voor de terugkeer van verdachte uit Somalië. Het is duidelijk dat verdachte niet wil terugkeren naar Somalië. Misschien heeft hij de uitzetting naar Somalië doelbewust gefrustreerd. Ik verzoek het hof de zaak voor kort aan te houden om op dit punt nadere inlichtingen in te winnen.
Het punt waar het om gaat is duidelijk. De andere kamer van dit hof overweegt dat verdachte is uitgezet naar Somalië en dat hij door de Somalische autoriteiten is teruggestuurd, omdat hij uit Jemen zou komen. Dit is het verhaal van verdachte. Uit het uitgevoerde taalonderzoek is gebleken dat verdachte niet uit Jemen komt. Zijn eerste taal zou Somalisch kunnen zijn. Het is onbekend wat verdachte tegen de Somalische autoriteiten heeft gezegd. Als verdachte er zelf voor heeft gezorgd dat hij is teruggestuurd naar Nederland, dan mag dat niet worden beloond: Alleen als verdachte zijn uiterste best zou hebben gedaan om in Somalië te blijven dan zou er misschien sprake kunnen zijn van een overmachtsituatie. Ik leg mij niet zo maar neer bij het oordeel van de andere kamer van dit hof dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De voorzitter deelt mede dat deze kamer van het hof nog geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van voormeld arrest. Het onderzoek wordt onderbroken om kopieën van dit arrest te verkrijgen en hiervan kennis te nemen, waarop het aanhoudingsverzoek van de advocaat-generaal kan worden beoordeeld.
Tijdens de onderbreking van het onderzoek zijn kopieën van voormeld arrest verstrekt aan de advocaat-generaal, de raadsman en deze kamer van het hof.
Na de hervatting van het onderzoek deelt de advocaat-generaal mede, zakelijk weergeven:
De overweging in het arrest roept een aantal vragen bij mij op, die ik zojuist al heb geformuleerd. Ik leg mij niet zo maar neer bij het oordeel van het hof over het verweer van verdachte. Er zijn een aantal punten die in aanmerking komen voor nader onderzoek. Verdachte is via Nairobi naar Mogadishu gereisd. Hij is teruggereisd van Mogadishu naar Nairobi en vervolgens teruggekeerd naar Nederland. De vraag is of hij is gedwongen om van Nairobi terug te keren naar Nederland. Of had bijvoorbeeld ook kunnen doorreizen naar Jemen of in ieder geval niet kunnen terugkeren naar Nederland? Dit is onduidelijk. Het is ook onduidelijk waarom de Somalische autoriteiten verdachte hebben teruggestuurd. Ik vind dat er op deze punten nader onderzoek moet worden ingesteld door de IND dan wel dat hierover nadere informatie dient te worden ingewonnen bij de IND.
De raadsman deelt mede, zakelijk weergegeven:
Net als op de vorige zitting verzet ik mij nu ook tegen aanhouding. Op de vorige zitting heb ik meteen gezegd wat het standpunt van de verdediging is. Ik heb toen ook stukken overgelegd aan het hof. Ik vind dat het hof op basis van de eerder overgelegde stukken al voldoende is voorgelicht om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Er zijn nu stukken bijgekomen met informatie over de poging om mijn cliënt uit te zetten. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft mijn cliënt een verklaring afgelegd. Ik zie niet in welke informatie er nog bij zou moeten komen. Het is niet noodzakelijk om nader onderzoek te verrichten. Het valt niet te verwachten dat nadere onderzoek zal leiden tot nieuwe inzichten. Bovendien is het aanhoudingsverzoek te laat gedaan, zeker gelet op het feit dat de zaak al eerder is aangehouden. Het verzoek van de advocaat-generaal tot aanhouding dient te worden afgewezen.
De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:
De zaak is eerder aangehouden op mijn verzoek omdat de informatie van de IND destijds nog niet beschikbaar was. Het is nieuw dat er nu een uitspraak van een andere kamer van dit hof ligt. Ik merk op dat overmacht aannemelijk moet worden. Het is niet aannemelijk dat verdachte de uitzetting niet zelf heeft tegengewerkt. Het is duidelijk dat verdachte niet naar Somalië wilde gaan. Het is niet aannemelijk dat verdachte absoluut naar Nederland moest terugkeren. Deze punten zijn van belang voor de beoordeling van het beroep op overmacht.
De raadsman deelt mede, zakelijk weergegeven:
Het is juist dat mijn cliënt niet terug wilde naar Somalië. Hij is als minderjarige naar Nederland gekomen. Hij is hier geworteld. Hij heeft echter zo vaak en lang in vreemdelingebewaring gezeten dat hij op een gegeven moment heeft meegewerkt. Op grond van de stukken kan worden vastgesteld dat mijn cliënt op vrijwillige basis met hulp van I.O.M. naar Somalië is gegaan. Na aankomst van mijn cliënt in Somalië heeft men getwijfeld of hij afkomstig is uit Somalië. Dit is niet vreemd.
Ik heb mijn cliënt al zo lang bijgestaan in verschillende procedures en telkens stukken overgelegd aan rechters. Het is niet te verwachten dat er nieuwe informatie bij komt. De behandeling van deze zaak dient te worden voortgezet.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad.
Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het aanhoudingsverzoek van de advocaat-generaal wordt afgewezen. Deze zaak is eerder aangehouden om nadere informatie op te vragen over de uitzetting en het verloop van de procedure. Die informatie is ontvangen. Gelet op de informatie in het dossier hadden de vragen, die ten grondslag liggen aan het verzoek tot aanhouding, eerder kunnen worden gesteld. De vraag waarom de Somalische autoriteiten dachten dat verdachte Jemenitisch was, is ook afgesteld door de IND. Om die redenen acht het hof nader onderzoek niet noodzakelijk. Dit betekent dat de behandeling van de zaak wordt voortgezet.
De advocaat-generaal voert het woord, zakelijk weergegeven:
(…)
Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde merk ik het volgende op. Verdachte staat sinds 2005 te boek als ongewenst verklaard vreemdeling. Hij heeft van meet af aan gezegd dat hij Nederland niet wil verlaten. Hij gaat uiteindelijk via Nairobi naar Mogadishu. Het is niet duidelijk wat er in Mogadishu is gebeurd. Het ligt in de rede om ervan uit te gaan dat verdachte - die Nederland juist niet wil verlaten en zou willen terugkeren naar Nederland – op dat moment niet zal hebben gezegd dat hij graag in Somalië wil blijven. Het kan heel goed zijn dat de Somalische autoriteiten op aangeven van verdachte hebben aangenomen dat hij niet uit Somalië afkomstig was. Het staat niet vast dat verdachte - nadat hij was teruggegaan naar Nairobi - geen enkele andere keuze had dan weer terug te keren naar Nederland.
Het is betreurenswaardig dat mijn aanhoudingsverzoek is afgewezen. Ik geef het hof in overweging die beslissing te heroverwegen: Er is alleen sprake van een overmachtsituatie indien het aannemelijk is geworden dat verdachte geen andere keuze had dan terug te keren naar Nederland. Pas als het hof met voldoende mate van waarschijnlijkheid kan vaststellen dat eerst de autoriteiten in Somalië en later de autoriteiten in Nairobi verdachte geen andere keuze hebben gelaten dan terug te keren naar Nederland, dan zou er sprake kunnen zijn van een overmachtsituatie. Ik zie geen enkele aanleiding om er zonder meer van uit te gaan dat er sprake is van een overmachtsituatie. Het beroep op overmacht dient te worden verworpen.
Het onder 3 tenlastegelegde feit kan worden bewezen. Dit feit is strafbaar.Verdachte is ook strafbaar. Ik ben het eens met de eis van de officier van justitie.
De advocaat-generaal leest de vordering voor en legt die aan het hof over.
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, die aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht. In aanvulling op de pleitnota voert de raadsman het volgende aan ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit:
Er is sprake van uitzonderlijke omstandigheden die een beroep op overmacht kunnen doen slagen. Uit de door mij overgelegde stukken blijkt dat mijn cliënt al een hele tijd in Nederland heeft verbleven. Hij heeft meegewerkt aan zijn vertrek uit Nederland. Hij is met een zak geld op het vliegtuig gezet. Het is te makkelijk van de advocaat-generaal om te stellen dat mijn cliënt een andere keuze had dan terug te keren naar Nederland. Hij heeft er voor gekozen om in het vliegtuig te stappen omdat zijn situatie zo uitzichtloos was. Hij bevond zich in een overmachtsituatie. Een van de ouders van mijn cliënt komt uit Jemen. Dit is mogelijk een aanknopingspunt geweest voor de Somalische autoriteiten om mijn cliënt de toegang tot het land te weigeren. In combinatie met het feit dat mijn cliënt de Somalische taal niet goed meer beheerst na een verblijf van 20 jaar in Nederland is het begrijpelijk dat de Somalische autoriteiten twijfelen over de nationaliteit van mijn cliënt en dat zij hem niet hebben toegelaten. De Nederlandse autoriteiten gaan er al jarenlang vanuit dat hij uit Somalië komt. Dit is telkens bevestigd door mijn cliënt.
Uit de aanvullende informatie blijkt dat er een traject is opgestart om mijn cliënt uit te zetten naar Jemen. Dit traject heeft tot niets geleid. Na de strafrechtelijke detentie van mijn cliënt is hij niet opnieuw in vreemdelingenbewaring gesteld. De IND ziet nu kennelijk ook in dat mijn cliënt niet kan worden uitgezet.
Mijn cliënt kan Nederland niet zelfstandig verlaten. Hij heeft als ongewenstverklaard vreemdeling geen enkel recht op sociale voorzieningen. Hij heeft geen geld. Het is ook niet meer mogelijk dat mijn cliënt met hulp van I.O.M. vrijwillig terugkeert naar Somalië.
Gelet op al deze feiten, in onderlinge samenhang bezien, ben ik van mening dat voldoende aannemelijk is geworden .dat mijn cliënt alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem mag worden verlangd teneinde te voldoen aan de op hem rustende verplichting om Nederland te verlaten. Derhalve is sprake van een overmachtsituatie en moet mijn cliënt worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Mocht het hof in deze zaak tot een ander oordeel komen, dan vraag ik voormelde omstandigheden mee te wegen bij de strafoplegging.
De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:
Ik merk op dat het hof een onjuist criterium heeft gehanteerd om mijn aanhoudingsverzoek af te wijzen. Het klopt dat, het eerder onderzocht had kunnen worden. Maar dat wil niet zeggen dat er dus geen meer noodzaak is om het nu te onderzoeken. Dat het eerder had kunnen worden onderzocht doet niet af aan de noodzaak van het onderzoek. Ik verneem graag nu of bij arrest waarom hof het onderzoek niet noodzakelijk acht. Dit mag het hof opvatten als een herhaling van het aanhoudingsverzoek.
Verder merk ik het volgende op. Ik constateer dat verdachte Nederland uit is geweest en dat hij zelf is teruggekeerd naar Nederland. Indien niet vaststaat, althans niet in voldoende mate aannemelijk is geworden dat dit niet zijn eigen keuze is geweest, maar dat hij daartoe gedwongen is, kan een beroep op overmacht niet slagen. Overmacht houdt in dat het niet anders kan dan dat hij in Nederland verblijft. Er is geen sprake van een overmachtsituatie indien verdachte niet is gedwongen om te vertrekken hetzij uit Mogadishu, hetzij uit Nairobi, maar hij toch is teruggekeerd naar Nederland. De overmachtsituatie kan niet met voldoende mate van aannemelijkheid worden vastgesteld. Er is dan ook geen sprake van overmacht.
Aan de raadsman wordt het recht gelaten het laatst te spreken.”
6. De bestreden uitspraak houdt in:
“Strafbaarheid van de verdachte
Ten aanzien van feit 3:
Verdachte heeft geruime tijd in Nederland verbleven terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Voor dit voortdurende delict is verdachte meermalen vervolgd. Op 17 mei 2014 - ruim een week voor de pleegdatum van het thans bewezen verklaarde feit - is ook al vastgesteld dat verdachte in Nederland verbleef. Ter zake van dit feit is verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging bij het arrest van een andere kamer van dit hof van 29 juni 2015 in de strafzaak met parketnummer 21-004179-14.
Het onderzoek ter terechtzitting in de onderhavige strafzaak is onderbroken teneinde de procespartijen in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de inhoud van voormeld arrest en zich uit te laten over de daarin opgenomen omstandigheden en overwegingen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat hij tijdens de vorige behandeling van de onderhavige zaak ter terechtzitting van 20 maart 2015 stukken over de vreemdelingenprocedure betreffende verdachte heeft overgelegd aan het hof. Naar aanleiding van aanhouding van de zaak op de vorige zitting is aanvullende informatie van de Immigratie en Naturalisatie Dienst over het verloop van de uitzettingsprocedure aan liet dossier toegevoegd.
Uit deze stukken en de verklaring van verdachte blijkt volgens de raadsman dat verdachte - nadat hij herhaaldelijk in vreemdelingenbewaring had verbleven - uiteindelijk op vrijwillige basis is teruggekeerd naar Somalië maar door de Somalische autoriteiten is teruggezonden. De raadsman heeft betoogd dat verdachte zich ten tijde van het tenlastegelegde in een overmachtsituatie bevond en dat hij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van feit 3.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft na kennisneming van voormeld arrest verzocht de onderhavige zaak opnieuw aan te houden om nader onderzoek te laten verrichten door de Immigratie en Naturalisatie Dienst, althans nadere informatie bij deze dienst in te winnen. De advocaat- generaal heeft het aanhoudingsverzoek, dat ter terechtzitting is afgewezen door het hof, herhaald tijdens zijn requisitoir.
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat verdachte zich sinds zijn ongewenstverklaring heeft verzet tegen terugkeer naar Somalië. Hij heeft de terugkeer naar Somalië mogelijk doelbewust gefrustreerd. Hij is niet toegelaten tot Somalië omdat hij uit Jemen zou komen. Dit heeft hij mogelijk tegen de Somalische autoriteiten gezegd. Wellicht kan uit nader onderzoek ten eerste blijken wat hij tegen de autoriteiten in Somalië heeft gezegd. Uit nader onderzoek kan ten tweede ook blijken of verdachte nadat hij was teruggestuurd van Somalië naar Nairobi, een andere keuze heeft gehad dan terug te keren naar Nederland. Als verdachte de terugkeer naar Somalië doelbewust heeft gefrustreerd of hij niet gedwongen is teruggekeerd haar Nederland, dan bevond hij zich volgens de advocaat-generaal niet in een overmachtsituatie. Op grond van de thans beschikbare informatie acht de advocaat-generaal het niet aannemelijk dat er sprake is van overmachtsituatie, zodat het namens verdachte gedane beroep op overmacht moet worden verworpen.
Het oordeel van het hof
Het aanhoudingsverzoek van de advocaat-generaal
Het herhaalde aanhoudingsverzoek van de advocaat-generaal wordt afgewezen. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.
Het dossier bevat een proces-verbaal van de ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee die waren belast met de uitzetting van verdachte naar Mogadishu in Somalië via Nairobi in Kenia. Uit dit proces-verbaal volgt dat verdachte op 1 juni 2013 onder escorte van de verbalisanten naar Nairobi vloog, waar hij op 2 juni 2013 onder toezicht van de verbalisanten zonder problemen in een vliegtuig naar Mogadishu werd gezet. Nadat verdachte de toegang tot Somalië was ontzegd door de Somalische autoriteiten werd hij op 3 juni 2013 teruggestuurd naar Nairobi. Op 4 juni 2013 vloog hij onder escorte van de verbalisanten weer terug naar Amsterdam.
Wat betreft het onderzoek naar hetgeen verdachte tegen de Somalische autoriteiten heeft gezegd, overweegt het hof dat ter terechtzitting van 20 maart 2015 deze zaak al eens is aangehouden op verzoek van de advocaat-generaal om stukken met betrekking tot de uitzettingsprocedure van verdachte op te vragen bij de Immigratie en Naturalisatie Dienst. Hierop is de rapportage van de Dienst Terugkeer & Vertrek, gedateerd 7 april 2015, toegevoegd aan het dossier.
Uit deze rapportage volgt dat de vraag waarom verdachte de toegang tot Somalië werd ontzegd reeds in juni 2013 is voorgelegd aan de Somalische autoriteiten. Het plaatsvervangend hoofd van de Immigratiedienst van Somalië heeft telefonisch aangegeven dat verdachte niet de Somalische autoriteit bezit, maar uit Jemen afkomstig is. Vervolgens is de Somalische autoriteiten gevraagd om schriftelijk aan te geven op welke wijze zij hebben vastgesteld dat verdachte niet de Somalische nationaliteit bezit en afkomstig is uit Jemen.
Dit heeft kennelijk niet tot een antwoord geleid.
Het is niet gebleken dat ondanks het uitblijven van een reactie van de Somalische autoriteiten op de laatste vraag door de Nederlandse autoriteiten enige actie is ondernomen om eenduidig te kunnen vaststellen waarom verdachte is teruggestuurd. Ook na de toevoeging van de rapportage van 7 april 2015 aan het dossier heeft het openbaar ministerie geen nadere informatie ingewonnen bij de Immigratie en Naturalisatiedienst, terwijl dit wel mogelijk moet zijn geweest voor het onderzoek ter terechtzitting van 29 juni 2015. Het hof is van oordeel dat de belangen bij een voortvarende afdoening van de strafzaak onder deze omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van het openbaar ministerie om alsnog op dit punt nader onderzoek te laten verrichten of aanvullende informatie in te winnen.
Het hof acht verder de andere omstandigheid of verdachte - nadat hem de toegang tot Somalië was ontzegd - een andere keuze heeft gehad dan terug te keren naar Nederland niet relevant voor de beoordeling van het namens hem gedane beroep op overmacht. De uitzettingsprocedure was gericht op de uitzetting van verdachte naar Somalië. Van verdachte mocht niet worden verlangd dat hij, mogelijk illegaal, in Kenia zou verblijven of zou doorreizen naar een ander land. Hij is ook door de Nederlandse autoriteiten weer meegenomen naar Nederland. Nader onderzoek naar dit punt is daarom niet noodzakelijk.
Gelet op het voorgaande wijst het hof het verzoek tot aanhouding af.”
7. Uit de hiervoor aangehaalde processen-verbaal kan worden afgeleid dat de behandeling van de onderhavige strafzaak op 20 maart 2015 voor onbepaalde tijd op verzoek van de advocaat-generaal bij het hof is aangehouden, teneinde helderheid te krijgen omtrent de vraag of ten aanzien van de verdachte de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen. De daarop ondernomen acties van de advocaat-generaal bij het hof hebben kennelijk geleid tot het in de bestreden uitspraak genoemde en zich bij de gedingstukken bevindende rapportage van de Dienst Terugkeer & Vertrek 7 april 2015. Die rapportage houdt onder meer in:
“Uitzetting
Op 1 juni 2013 is de uitzetting van betrokkene feitelijk ter hand genomen en is betrokkene getracht over te dragen aan de Somalische autoriteiten. Betrokkene is door medewerkers van de Koninklijke Marechaussee (KMAR) geëscorteerd tot aan Nairobi (Kenia). Betrokkene is zelfstandig vertrokken met een vlucht van Nairobi naar Mogadishu (Somalië). Betrokkene is bij aankomst in Mogadishu door het plaatsvervangend hoofd van de Immigratiedienst van Somalië gehoord. Deze heeft aan Bijzonder Vertrek & Boekingen telefonisch aangegeven dat betrokkene niet de Somalische nationaliteit bezit maar uit Jemen afkomstig is. Betrokkene is derhalve de toegang tot Somalië geweigerd en vervolgens teruggevlogen naar Nairobi.
Vervolg na aankomst in Nederland op 4 juni 2013
Betrokkene zal op dinsdag 4 juni om 05:30 uur landen op Schiphol en zal aansluitend worden opgehouden en in vreemdelingenbewaring worden gesteld door de KMAR. Verzocht is om zijn bagage te doorzoeken, een (uitgebreid) identiteitsverhoor af te nemen en een overdrachtsdossier samen te stellen en betrokkene aansluitend te laten plaatsen in het detentiecentrum Alphen aan den Rijn. Voorts is verzocht om een proces-verbaal te laten opmaken door de escortcommandant van de KMAR.
Gelet op vorenstaande zal in eerste instantie worden ingezet op een laisser-passer aanvraag Jemen zal onderzoek worden verricht om de identiteit en nationaliteit vast te stellen (omgevingsonderzoek). Hierbij zal aan o.a. betrokkene worden verzocht mee te werken aan een taalanalyse. Daarnaast zal op basis van (IND)dossieronderzoek beoordeeld worden welke onderzoeken er in het buitenland kunnen worden verricht. Voorts is navraag gedaan bij de Somalische autoriteiten om schriftelijk aan te geven op welke wijze zij hebben vastgesteld dat betrokkene niet de Somalische nationaliteit bezit en afkomstig is uit Jemen.”
8. Resultaten van die (kennelijk in 2013 gedane) in de laatste volzin bedoelde navraag zijn in de rapportage niet vermeld. Het zal om die reden zijn dat het hof in het bestreden arrest overweegt dat deze navraag kennelijk niet tot een antwoord heeft geleid.
9. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 juni 2015 heeft de advocaat-generaal bij het hof aldaar om aanhouding van de behandeling van de zaak verzocht, teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de vragen of het voor de verdachte, toen hij in 2013 door Somalië werd geweigerd, mogelijk was om door te reizen naar Jemen althans in ieder geval niet naar Nederland terug te keren, alsook over de reden waarom de verdachte destijds door Somalië werd teruggestuurd. Dat verzoek is door het hof afgewezen. Blijkens het proces-verbaal heeft de advocaat-generaal tijdens zijn requisitoir opgemerkt het hof “in overweging te geven deze afwijzing te heroverwegen”, hetgeen het hof ertoe heeft gebracht de afwijzing in het bestreden arrest nader te motiveren. Zie ik het goed, dan richt het middel zich tegen de afwijzing van het verzoek voor zover het zag op de laatste vraag. In dat verband heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat het niet aannemelijk is dat de verdachte niet zijn uitzetting heeft tegengewerkt. Nu de verdachte heeft aangegeven Nederland niet te willen verlaten, zou het in de rede liggen om ervan uit te gaan dat verdachte niet zal hebben gezegd dat hij graag in Somalië wil blijven. Volgens de advocaat-generaal kan het heel goed zijn dat de Somalische autoriteiten op aangeven van verdachte hebben aangenomen dat hij niet uit Somalië afkomstig was.
10. Het gaat hier om een verzoek als bedoeld in art. 328 jo. 415 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv. Het hof heeft geoordeeld dat het nader onderzoek niet noodzakelijk acht en heeft het verzoek de behandeling van de zaak nogmaals aan te houden afgewezen. Daarmee heeft het de juiste maatstaf aangelegd.
11. De afwijzing van het verzoek is voorts niet onbegrijpelijk. De behandeling van de zaak is eerder op verzoek van de advocaat-generaal aangehouden, teneinde helderheid te krijgen omtrent de vraag of ten aanzien van de verdachte de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen.1.Uit de naar aanleiding daarvan verkregen informatie is gebleken dat de Somalische autoriteiten de verdachte hebben teruggestuurd omdat zij hebben vastgesteld dat de verdachte de Jemenitische nationaliteit heeft, alsook dat reeds in 2013 onderzoek is verricht naar de achtergrond van deze vaststelling van de Somalische autoriteiten. Die informatie heeft kennelijk voor de advocaat-generaal geen aanleiding gevormd nader onderzoek te doen naar de reden waarom de verdachte door de Somalische autoriteiten is teruggestuurd dan wel naar de uitkomst van het in 2013 verrichte onderzoek. Zulks terwijl de informatie daartoe wel aanleiding had kunnen geven.2.Bij die stand van zaken is het niet onbegrijpelijk dat het hof het verzoek van de advocaat-generaal heeft afgewezen en daarbij het belang bij voortvarende afdoening van de onderhavige strafzaak doorslaggevend heeft geacht.3.
12. Dat, zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld, de advocaat-generaal pas op de terechtzitting werd geconfronteerd met het door de andere kamer van het hof gewezen arrest doet aan de begrijpelijkheid van de afwijzing niet af. Dat arrest bevat immers geen nieuwe feitelijke informatie. Daaruit blijkt niet meer dan dat de omstandigheid dat onduidelijkheid omtrent de vraag waarom Somalië de verdachte naar Nederland heeft teruggestuurd niet zonder meer aan de verdachte behoeft te worden tegengeworpen, in die zin dat hem geen beroep op overmacht toekomt. Anders dan de steller van het middel (4.3.5) meent, is er geen aanleiding tot concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium op een wijze die niet wezenlijk verschilt van wat wordt bereikt met de toepassing van het criterium van het ‘vervolgingsbelang’.4.Immers van nieuwe feitelijke informatie is geen sprake en bovendien stond er niets aan in de weg dat volgens de advocaat-generaal benodigde informatie in en eerdere stadium van de procedure was ingewonnen.
13. Het middel faalt.
14. Het tweede middel klaagt ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde feit dat het hof bij de beoordeling van het beroep op overmacht een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, dan wel dat het zijn oordeel dat sprake was van overmacht ontoereikend heeft gemotiveerd.
15. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:
“hij op 26 mei 2014 te Enschede als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard”.
16. De bestreden uitspraak houdt onder meer in:
“Het beroep op overmacht
Ingevolge artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000 dient een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf (meer) in Nederland heeft, Nederland uit eigen beweging te verlaten. Uit de Memorie van Toelichting op deze wet blijkt nadrukkelijk van de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling op dit punt. Een ongewenst verklaarde vreemdeling kan alleen dan geen verwijt worden gemaakt van zijn illegale verblijf in Nederland, indien aannemelijk is geworden dat hij buiten zijn schuld geen gehoor kan geven aan de verplichting om te vertrekken.
Het hof stelt vast dat verdachte bij beschikking van 9 december 2011 tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Verdachte heeft aanvankelijk geweigerd om mee te werken aan vertrek uit Nederland. Hij is twee keer in vreemdelingenbewaring gesteld. Na de tweede inbewaringstelling hebben de Nederlandse autoriteiten op 1 juni 2013 één poging ondernomen om verdachte daadwerkelijk uit te zetten naar Somalië. Uit het aanvullende proces-verbaal van de verbalisanten die waren belast met de uitzetting van verdachte volgt niet dat hij zich daartegen heeft verzet. Uit navraag bij de Somalische autoriteiten is niet eenduidig gebleken op grond waarvan zij verdachte de toegang tot Somalië hebben geweigerd. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat verdachte op basis van zijn eigen verklaring bij aankomst in Somalië is teruggestuurd.
Na de mislukte poging om verdachte uit te zetten heeft hij in vreemdelingenbewaring verbleven in de periode van 4 juni 2013 tot 27 november 2013. In die periode hebben de Nederlandse autoriteiten tevergeefs geprobeerd een laisser passer voor hem te verkrijgen van de Jeminitische autoriteiten. Verdachte beschikt niet over documenten die nodig zijn om zijn nationaliteit vast te stellen. De conclusie van een taalanalyse wijst er op dat hij niet afkomstig is uit Jemen. De eerste taal van verdachte is mogelijk Somali. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij uit Somalië komt. De Nederlandse autoriteiten zijn er ook steeds vanuit gegaan dat hij afkomstig is uit Somalië.
Het is niet gebleken dat de Nederlandse autoriteiten enige poging hebben ondernomen om verdachte vrijwillig te laten vertrekken of hem uit te zetten gedurende de periode van vijf maanden tussen de opheffing van de bewaringstelling van verdachte in november 2013 en zijn aanhouding voor de thans bewezenverklaarde feiten in mei 2014.
Het hof acht het op grond van voormelde feiten en omstandigheden aannemelijk dat het voor verdachte onmogelijk is geweest om terug te keren naar zijn land van herkomst. Het is tevens aannemelijk geworden dat hij buiten zijn schuld geen gehoor kan geven aan de verplichting om Nederland te verlaten. Het hof zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging ter zake van feit 3.”
17. In 2009 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de hier aan te leggen maatstaf. Dat oordeel houdt in dat artikel 61 Vreemdelingenwet 2000 de vreemdeling die niet rechtmatig verblijf heeft, verplicht Nederland uit eigen beweging te verlaten. Van die verplichting is slechts uitgezonderd de vreemdeling van wie aannemelijk is geworden dat hij buiten zijn schuld niet in het bezit kan komen van reisdocumenten.5.De formulering van de Hoge Raad beperkt door het gebruik van het woord ‘slechts’ de ruimte voor een beroep op overmacht. Van een vreemdeling kan slechts niet worden gevergd Nederland te verlaten in het geval dat hij buiten zijn schuld niet in bezit kan komen van reisdocumenten. Bij de beoordeling van het beroep op schuldeloosheid moet dus in ieder geval worden betrokken of verdachte (nog) een mogelijkheid heeft in het bezit te komen van reisdocumenten en of hij daar al dan niet gebruik van heeft gemaakt.
18. Het hof heeft geoordeeld dat het voor de verdachte onmogelijk was naar zijn land van herkomst terug te keren, en heeft daartoe onder meer overwogen dat de verdachte niet beschikte over documenten die nodig zijn om zijn identiteit vast te stellen. Over de vraag of de verdachte kan worden verweten dat hij niet in het bezit is of kan komen van dergelijke documenten heeft het hof zich niet uitdrukkelijk uitgelaten. Uit hetgeen het hof overigens heeft vastgesteld kan weliswaar worden afgeleid dat verdachte zich niet (meer) verzet tegen uitzetting naar Somalië en dat er geen aanwijzingen zijn dat de opstelling van de verdachte reden heeft gevormd voor Somalië om de verdachte naar Nederland terug te sturen, omtrent eventueel door de verdachte zelf ondernomen acties om in het bezit te komen van reisdocumenten of de zinloosheid of onmogelijkheid daarvan houden de overwegingen van het hof evenwel niets in. Het middel klaagt dan ook terecht dat het hof het in het middel bedoelde oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.6.
19. Komt verdachte in mijn benadering nu niet volledig klem te zitten? Het hof concludeert dat het voor verdachte onmogelijk is geweest om terug te keren naar zijn land van herkomst. Dat is een feitelijke vaststelling. Nevenschikkend volgt daarop nog een normatief oordeel: niet aannemelijk is geworden dat verdachte buiten zijn schuld geen gehoor kan geven aan zijn verplichting Nederland te verlaten. Het hof maakt daarmee dus verschil tussen terugkeer naar het land van herkomst – zonder (te kunnen) vast (te) stellen of dat Somalië of Jemen is – en het verlaten van Nederland. Omdat artikel 197 Sr verblijf in Nederland strafbaar stelt, is in dat kader slechts relevant of hij buiten zijn schuld geen gehoor kan geven aan de verplichting Nederland te verlaten. De onmogelijkheid van terugkeer naar het land van herkomst is voor de strafbaarheid niet bepalend.
20. Het door het hof nevengeschikt gegeven normatieve oordeel staat centraal en daarmee de vraag of verdachte buiten zijn schuld niet in bezit kan komen van reisdocumenten. Onder meer de volgende nadere vragen zijn onbeantwoord gebleven. Heeft verdachte de originele documenten zoek gemaakt wetende dat vervangende verstrekking van dergelijke documenten niet kan plaatsvinden of heeft hij familie in het land van herkomst die hem behulpzaam kan zijn en zo ja heeft hij die benaderd? Mogelijk wordt het oordeel van het hof na beantwoording van deze vragen niet anders, maar dergelijke vragen moeten betrokken worden bij de schuldeloosheid van het handelen van verdachte.
21. Het middel slaagt.
22. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het tweede middel slaagt.
23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft feiten 3 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑09‑2016
De vaststelling dat de verdachte (toch) de Jemenitische nationaliteit – zo van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan – lijkt immers direct van belang voor de vraag of van de Nederlandse autoriteiten kon worden gevergd dat ook op Jemen gerichte uitzettingsactiviteiten zouden worden ondernomen. Het rapport van 7 april 2015 houdt bovendien in dat na terugkomst uit Somalië een taalanalyse heeft plaatsgevonden en dat daaruit is gebleken dat de verdachte (het in Jemen gebruikelijke) Arabisch als tweede taal spreekt en het Somali mogelijk als eerste taal heeft.
Zie ten aanzien de begrijpelijkheid van de beoordeling van getuigenverzoeken HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, rov. 2.76
HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis
HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF8848, NJ 2009/235 m.nt. Keijzer.
Zie de hiervoor genoemde uitspraak, waar de acties van de verdachte beperkt waren gebleven tot een enkel bezoek aan de Marokkaanse ambassade en tot het aan de Marokkaanse autoriteiten overleggen van kopieën van een verlopen en van een geldig paspoort, terwijl hij niet heeft geprobeerd het land zelfstandig te verlaten. Vgl. voorts HR 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6906, NJ 2014/217
Beroepschrift 04‑01‑2016
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad der Nederlanden:
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2015, waarin het Hof in de zaak tegen verdachte:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1979,
deze — onder afwijzing van vorderingen van de advocaat-generaal tot aanhouding van de behandeling van de strafzaak, teneinde nader onderzoek te (laten) doen — heeft ontslagen van alle rechtsvervolging terzake van het aan verdachte bij inleidende dagvaarding onder 3 tenlastelegde feit.
Rekwirant kan zich met de (motivering van de) afwijzing van de vorderingen tot aanhouding, als ook met (de motivering van) het gegeven ontslag van alle rechtsvervolging niet verenigen en stelt voor als
Eerstemiddel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in artikel 79, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, aangezien het Hof bij de afwijzingen van zowel de eerste als de tweede vordering van de advocaat-generaal tot aanhouding van de behandeling van de strafzaak, teneinde nadere informatie in te winnen, niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd, dan wel is de afwijzing van die vorderingen niet naar behoren met redenen omkleed,
heeft het Hof bij de beoordeling van het door de verdachte gedane beroep op overmacht niet de juiste maatstaf gehanteerd, dan wel is 's Hofs oordeel dat verdachte te dezen een beroep op overmacht toekomt niet zonder nadere — in 's Hofs arrest ontbrekende — motivering begrijpelijk.
Toelichting:
1.1
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2015 heeft de griffier direct na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting overwegingen voorgelezen uit een arrest van een andere kamer van het Hof van 29 juni 2015. Deze overwegingen luiden:
‘Uit de stukken blijkt dat de Nederlandse autoriteiten pogingen hebben ondernomen om verdachte uit te zetten, maar die pogingen zijn tot op heden niet succesvol gebleken. Verdachte is naar Somalië uitgezet, maar is door de Somalische autoriteiten teruggezonden omdat zij twijfelden of verdachte wel uit Somalië kwam. Hoewel de advocaat-generaal heeft aangevoerd dat verdachte op basis van zijn eigen verklaring bij aankomst in Somalië door de Somalische autoriteiten is teruggestuurd, blijkt uit de stukken in het dossier niet eenduidig waarom verdachte Somalië niet in kon. Onderzoek naar een mogelijke Jemenitische achtergrond heeft niets opgeleverd. Op grond van deze feiten en omstandigheden is aannemelijk geworden dat het verdachte onmogelijke is gebleken om het land te verlaten. Nu het voor het hof aannemelijk is geworden dat het voor verdachte niet mogelijk is om het land te verlaten, is tevens aannemelijk geworden dat hij buiten zijn schuld geen gehoor kan geven aan de verplichting om te vertrekken. Het hof zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.’
1.2
De advocaat-generaal heeft blijkens dit proces-verbaal betoogd:
‘Ik voel mij overvallen door het arrest van de andere kamer in dit hof. Ik zou dit arrest willen voorleggen aan de IND met de vraag hierop te reageren. De IND kan mogelijk meer duidelijkheid verschaffen over de reden voor de terugkeer van verdachte uit Somalië. Het is duidelijk dat verdachte niet wil terugkeren naar Somalië. Misschien heeft hij de uitzetting naar Somalië doelbewust gefrustreerd. Ik verzoek het hof de zaak voor korte ((tijd) aan te houden om op dit punt nadere inlichtingen in te winnen.
Het punt waar het om gaat is duidelijk. De andere kamer van dit hof overweegt dat verdachte is uitgezet naar Somalië en dat hij door de Somalische autoriteiten is teruggestuurd, omdat hij uit Jemen zou komen. Dit is het verhaal van verdachte. Uit het uitgevoerde taalonderzoek is gebleken dat verdachte niet uit Jemen komt. Zijn eerste taal zou Somalisch kunnen zijn. Het is onbekend wat verdachte tegen de Somalische autoriteiten heeft gezegd. Als verdachte er zelf voor heeft gezorgd dat hij is teruggestuurd naar Nederland, dan mag dat niet worden beloond. Alleen als verdachte zijn uiterste best zou hebben gedaan om in Somalië te blijven dat zou er misschien sprake kunnen zijn van een overmachtssituatie. Ik leg mij niet zomaar neer bij het oordeel van de andere kamer van dit hof dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.’
als ook — nadat een lichtdruk van het arrest van de andere kamer is gemaakt en verspreid:
‘De overweging in het arrest roept een aantal vragen bij mij op, die ik zojuist al heb geformuleerd. (…) Er zijn een aantal punten die in aanmerking komen voor nader onderzoek,. Verdachte is via Nairobi naar Mogadishu gereisd. Hij is teruggereisd naar Mogadishu naar Nairobi en vervolgens teruggekeerd naar Nederland. De vraag is of hij is gedwongen om van Nairobi terug te keren naar Nederland? Dat is onduidelijk. Het is ook onduidelijk waarom de Somalische autoriteiten verdachte hebben teruggestuurd. Ik vind dat er op deze punten nader onderzoek moet worden ingesteld door de IND dan wel dat hierover nadere informatie dient te worden ingewonnen bij de IND.’
en
‘De zaak is eerder aangehouden op mijn verzoek omdat de informatie van de IND destijds nog niet beschikbaar was. Het is nieuw dat er nu een uitspraak van een andere kamer van dit hof ligt. Ik merk op dat overmacht aannemelijk moet worden. Het is niet aannemelijk dat verdachte de uitzetting niet zelf heeft tegengewerkt Het is duidelijk dat verdachte niet naar Somalië wilde gaan. Het is niet aannemelijk dat verdachte absoluut naar Nederland moest terugkeren. Deze punten zijn van belang voor de beoordeling van het beroep op overmacht.’
1.2
Het Hof wijst de vordering tot aanhouding van de advocaat-generaal, teneinde nadere informatie in te winnen, af en overweegt daartoe:
‘Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het aanhoudingsverzoek van de advocaat-generaal wordt afgewezen. Deze zaak is eerder aangehouden om nadere informatie op te vragen over de uitzetting en het verloop van de procedure. Die informatie is ontvangen. Gelet op de informatie in het dossier hadden de vragen, die ten grondslag liggen aan het verzoek tot aanhouding, eerder kunnen worden gesteld. De vraag waarom de Somalische autoriteiten dachten dat verdachte Jemenitisch was, is ook al gesteld door de IND. Om die reden acht het hof nader onderzoek niet noodzakelijk. Dit betekent dat de behandeling van de zaak wordt voortgezet.’
1.3.1
De advocaat-generaal heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting bij gelegenheid van zijn requisitoir betoogd:
‘Verdachte staat sinds 2005 te boek als ongewenst vreemdeling. Hij heeft van meet af aan gezegd dat hij Nederland niet wil verlaten. Hij gaat uiteindelijk via Nairobi naar Mogadishu. Het is niet duidelijk wat er in Mogadishu is gebeurd. Het ligt in de rede om ervan uit te gaan dat verdachte — die Nederland juist niet wil verlaten en zou willen terugkeren naar Nederland op dat moment niet zal hebben gezegd dat hij graag in Somalië wil blijven. Het kan heel goed zijn dat de Somalische autoriteiten op aangeven van verdachte hebben aangenomen dat hij niet uit Somalië afkomstig was. Het staat niet vast dat verdachte — nadat hij was teruggegaan naar Nairobi — geen enkele andere keuze had dan weer terug te keren naar Nederland. Het is betreurenswaardig dat mijn aanhoudingsverzoek is afgewezen. Ik geef het hof in overweging die beslissing te heroverwegen. Er is alleen sprake van een overmachtssituatie indien het aannemelijk is geworden dat verdachte geen andere keuze had dan terug te keren naar Nederland. Pas als het hof met voldoende mate van waarschijnlijkheid kan vaststellen dat eerst de autoriteiten in Somalië en later de autoriteiten van Nairobi verdachte geen andere keuze hebben gelaten dan terug te keren naar Nederland, dan zou er sprake kunnen zijn van een overmachtssituatie. Ik zie geen enkele aanleiding om er zonder meer van uit te gaan dat er sprake is van een overmachtssituatie. Het beroep op overmacht dient te worden verworpen.’
1.3.2
Bij gelegenheid van zijn repliek heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht:
‘Ik merk op dat het hof een onjuist criterium heeft gehanteerd om mijn aanhoudingsverzoek af te wijzen. Het klopt dat het eerder onderzocht had kunnen worden. Maar dat wil niet zeggen dat er dus geen meer noodzaak is om het nu te onderzoeken. Dat het eerder had kunnen worden onderzocht doet niet af aan de noodzaak van het onderzoek. Ik verneem graag nu of bij arrest waarom (het) hof het onderzoek niet noodzakelijk acht. Dit mag het hof opvatten als een herhaling van het aanhoudingsverzoek’
2.
Voor zover in cassatie van belang is ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
‘hij op 26 mei 2014 te Enschede als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard.’
3.
Het Hof heeft met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte terzake van dit bewezenverklaarde feit overwogen:
‘Verdachte heeft geruime tijd in Nederland verbleven terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Voor dit voortdurende delict is verdachte meermalen vervolgd. Op 17 mei 2014 — ruim een week voor de pleegdatum van het thans bewezen verklaarde feit — is ook al vastgesteld dat verdachte in Nederland verbleef. Ter zake van dit feit is verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging bij het arrest van een andere kamer van dit hof van 29 juni 2015 in de strafzaak met parketnummer 21-004179-14.
Het onderzoek ter terechtzitting in de onderhavige strafzaak is onderbroken teneinde de procespartijen in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de inhoud van voormeld arrest en zich uit te laten over de daarin opgenomen omstandigheden en overwegingen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat hij tijdens de vorige behandeling van de onderhavige zaak ter terechtzitting van 20 maart 2015 stukken over de vreemdelingenprocedure betreffende verdachte heeft overgelegd aan het hof. Naar aanleiding van aanhouding van de zaak op de vorige zitting is aanvullende informatie van de Immigratie en Naturalisatie Dienst over het verloop van de uitzettingsprocedure aan het dossier toegevoegd. Uit deze stukken en de verklaring van verdachte blijkt volgens de raadsman dat verdachte — nadat hij herhaaldelijk in vreemdelingenbewaring had verbleven — uiteindelijk op vrijwillige basis is teruggekeerd naar Somalië maar door de Somalische autoriteiten is teruggezonden. De raadsman heeft betoogd dat verdachte zich ten tijde van het tenlastegelegde in een overmachtsituatie bevond en dat hij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging(…)..
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft na kennisneming van voormeld arrest verzocht de onderhavige zaak opnieuw aan te houden om nader onderzoek te laten verrichten door de Immigratie en Naturalisatie Dienst, althans nadere informatie bij deze dienst in te winnen. De advocaat-generaal heeft het aanhoudingsverzoek, dat ter terechtzitting is afgewezen door het hof, herhaald tijdens zijn requisitoir. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat verdachte zich sinds zijn ongewenstverklaring heeft verzet tegen terugkeer naar Somalië. Hij heeft de terugkeer naar Somalië mogelijk doelbewust gefrustreerd. Hij is niet toegelaten tot Somalië omdat hij uit Jemen zou komen. Dit heeft hij mogelijk tegen de Somalische autoriteiten gezegd. Wellicht kan uit nader onderzoek ten eerste blijken wat hij tegen de autoriteiten in Somalië heeft gezegd. Uit nader onderzoek kan ten tweede ook blijken of verdachte nadat hij was teruggestuurd van Somalië naar Nairobi, een andere keuze heeft gehad dan terug te keren naar Nederland. Als verdachte de terugkeer naar Somalië doelbewust heeft gefrustreerd of hij niet gedwongen is teruggekeerd naar Nederland, dan bevond hij zich volgens de advocaat-generaal niet in een overmachtsituatie. Op grond van de thans beschikbare informatie acht de advocaat-generaal het niet aannemelijk dat er sprake is van overmachtsituatie, zodat het namens verdachte gedane beroep op overmacht moet worden verworpen.
Het oordeel van het hof
Het aanhoudingsverzoek van de advocaat-generaal Het herhaalde aanhoudingsverzoek van de advocaat-generaal wordt afgewezen. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.
Het dossier bevat een proces-verbaal van de ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee die waren belast met de uitzetting van verdachte naar Mogadishu in Somalië via Nairobi inKenia. Uit dit proces-verbaal volgt dat verdachte op I juni 2013 onder escorte van de verbalisanten naar Nairobi vloog, waar hij op 2 juni 2013 onder toezicht van de verbalisanten zonder problemen in een vliegtuig naar Mogadishu werd gezet Nadat verdachte de toegang tot Somalië was ontzegd door de Somalische autoriteiten werd hij op 3 juni 2013 teruggestuurd naar Nairobi. Op 4 juni 2013 vloog hij onder escorte van de verbalisanten weer terug naar Amsterdam.
Wat betreft het onderzoek naar hetgeen verdachte tegen de Somalische autoriteiten heeft gezegd, overweegt het hof dat ter terechtzitting van 20 maart 2015 deze zaak al eens is aangehouden op verzoek van de advocaat-generaal om stukken met betrekking tot de uitzettingsprocedure van verdachte op te vragen bij de Immigratie en Naturalisatie Dienst. Hierop is de rapportage van de Dienst Terugkeer & Vertrek, gedateerd 7 april 2015, toegevoegd aan het dossier.
Uit deze rapportage volgt dat de vraag waarom verdachte de toegang tot Somalië werd ontzegd reeds in juni 2013 is voorgelegd aan de Somalische autoriteiten. Het plaatsvervangend hoofd van de Immigratiedienst van Somalië heeft telefonisch aangegeven dat verdachte niet de Somalische autoriteit bezit, maar uit Jemen afkomstig is. Vervolgens is de Somalische autoriteiten gevraagd om schriftelijk aan te geven op welke wijze zij hebben vastgesteld dat verdachte niet de Somalische nationaliteit bezit en afkomstig is uit Jemen. Dit heeft kennelijk niet tot een antwoord geleid.
Het is niet gebleken dat ondanks het uitblijven van een reactie van de Somalische autoriteiten op de laatste vraag door de Nederlandse autoriteiten enige actie is ondernomen om eenduidig te kunnen vaststellen waarom verdachte is teruggestuurd. Ook na de toevoeging van de rapportage van 7 april 2015 aan het dossier heeft het openbaar ministerie geen nadere informatie ingewonnen bij de Immigratie en Naturalisatiedienst, terwijl dit wel mogelijk moet zijn geweest voor het onderzoek ter terechtzitting van 29 juni 2015. Het hof is van oordeel dat de belangen bij een voortvarende afdoening van de strafzaak onder deze omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van het openbaar ministerie om alsnog op dit punt nader onderzoek te laten verrichten of aanvullende informatie in te winnen.
Het hof acht verder de andere omstandigheid of verdachte — nadat hem de toegang tot Somalië was ontzegd — een andere keuze heeft gehad dan terug te keren naar Nederland niet relevant voor de beoordeling van het namens hem gedane beroep op overmacht. De uitzettingsprocedure was gericht op de uitzetting van verdachte naar Somalië. Van verdachte mocht niet worden verlangd dat hij, mogelijk illegaal, in Kenia zou verblijven of zou doorreizen naar een ander land. Hij is ook door de Nederlandse autoriteiten weer meegenomen naar Nederland. Nader onderzoek naar dit punt is daarom niet noodzakelijk.
Gelet op het voorgaande wijst het hof het verzoek tot aanhouding af.
Het beroep op overmacht
Ingevolge artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000 dient een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf (meer) in Nederland heeft, Nederland uit eigen beweging te verlaten. Uit de Memorie van Toelichting op deze wet blijkt nadrukkelijk van de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling op dit punt. Een ongewenst verklaarde vreemdeling kan alleen dan geen verwijt worden gemaak 1 van zijn illegale verblijf in Nederland, indien aannemelijk is geworden dat hij buiten zijn schuld geen gehoor kan geven aan de verplichting om te vertrekken.
Het hof stelt vast dat verdachte bij beschikking van 9 december 20 II tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Verdachte heeft aanvankelijk geweigerd om mee te werken aan vertrek uit Nederland. Hij is twee keer in vreemdelingenbewaring gesteld. Na de tweede inbewaringstelling hebben de Nederlandse autoriteiten op 1 juni 2013 één poging ondernomen om verdachte daadwerkelijk uit te zetten naar Somalië. Uit het aanvullende proces-verbaal van de verbalisanten die waren belast met de uitzetting van verdachte volgt niet dat hij zich daartegen heeft verzet. Uit navraag bij de Somalische autoriteiten is niet eenduidig gebleken op grond waarvan zij verdachte de toegang tot Somalië hebben geweigerd. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat verdachte op basis van zijn eigen verklaring bij aankomst in Somalië is teruggestuurd.
Na de mislukte poging om verdachte uit te zetten heeft hij in vreemdelingenbewaring verbleven in de periode van 4 juni 2013 tot 27 november 2013. In die periode hebben de Nederlandse autoriteiten tevergeefs geprobeerd een laisser passer voor hem te verkrijgen van de Jeminitische autoriteiten. Verdachte beschikt niet over documenten die nodig zijn om zijn nationaliteit vast te stellen. De conclusie van een taalanalyse wijst er op dat hij niet afkomstig is uit Jemen. De eerste taal van verdachte is mogelijk Somali. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij uit Somalië komt. De Nederlandse autoriteiten zijn er ook steeds vanuit gegaan dat hij afkomstig is uit Somalië.
Het is niet gebleken dat de Nederlandse autoriteiten enige poging hebben ondernomen om verdachte vrijwillig te laten vertrekken of hem uit te zetten gedurende de periode van vijf maanden tussen de opheffing van de bewaring stelling van verdachte in november 2013 en zijn aanhouding voor de thans bewezenverklaarde feiten in mei 2014.
Het hof acht het op grond van voormelde feiten en omstandigheden aannemelijk dat het voor verdachte onmogelijk is geweest om terug te keren naar zijn land van herkomst. Het is tevens aannemelijk geworden dat hij buiten zijn schuld geen gehoor kan geven aan de verplichting om Nederland te verlaten. Het hof zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging (…)’.
4.1.1
Het Hof heeft, zoals volgt uit zijn overwegingen met betrekking tot het door de verdachte gedane beroep op overmacht, vastgesteld dat:
- (a)
‘uit navraag bij de Somalische autoriteiten niet (is) gebleken op grond waarvan zij verdachte de toegang tot Somalië hebben geweigerd’, als ook dat
- (b)
‘er geen concrete aanwijzingen (zijn) dat verdachte op basis van zijn eigen verklaring bij aankomst in Somalië is teruggestuurd.’
4.1.2
In deze overwegingen ligt besloten dat het Hof het voor de beoordeling van en zijn beslissing op het door de verdediging gedane beroep op overmacht van wezenlijk, zo niet van doorslaggevend belang acht vast te stellen op welke grond de verdachte de toegang tot Somalië is geweigerd, als ook of verdachte op basis van zijn eigen verklaring bij aankomst in Somalië de toegang tot dit land is geweigerd.
4.2.1
De advocaat-generaal — die ter terechtzitting van 29 juni 2015 ineens en onverwachts geconfronteerd is geworden met een arrest van een andere kamer van het Hof van 29 juni 2015, waarbij de verdachte voor een soortgelijk feit als waarvoor hij op de terechtzitting terecht staat — heeft gevorderd de behandeling van de strafzaak tegen de verdachte aan te houden, teneinde nader onderzoek te laten verrichten door de Immigratie en Naturalisatie Dienst, althans nadere informatie bij deze dienst in te winnen, teneinde — in het bijzonder met het oog op de vraag of de verdachte zich al of niet terecht op overmacht zal kunnen beroepen — na te kunnen gaan of de verdachte zijn terugkeer naar Somalië (mogelijk) doelbewust heeft gefrustreerd. Zou dat immers het geval zijn, dan is geen sprake van een overmachtsituatie.
4.3.1
Het Hof heeft deze vordering van de advocaat-generaal tot aanhouding om op dit punt nader onderzoek te laten verrichten afgewezen. Eerst ter terechtzitting van 29 juni 2015 en vervolgens bij diens arrest van 13 juli 2015 op de wijze waarop dit respectievelijk onder 1.2 en 3 is weergegeven.
4.3.2
Aangezien deze informatie van de Immigratie en Naturalisatie Dienst niet alleen voor de advocaat-generaal, maar ook voor het Hof van wezenlijk, zo niet doorslaggevend belang is voor de beoordeling van de vraag of de verdachte zich terecht kan beroepen op overmacht, is niet zonder meer begrijpelijk waarom het Hof heeft geoordeeld dat de noodzaak niet aanwezig is om de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen deze — ook voor het Hof — onontbeerlijke informatie te laten inwinnen.
4.3.3
Ter terechtzitting van het Hof van 29 juni 2015 heeft het Hof de noodzaak tot aanhouding van de behandeling van de zaak ter fine van het inwinnen van informatie niet aanwezig geacht, omdat het van oordeel is dat ‘de vragen, die ten grondslag liggen aan het verzoek tot aanhouding, eerder hadden kunnen worden gesteld’. De vraag waarom de Somalische autoriteiten dachten dat verdachte Jemenitische was, is, aldus het Hof, ook al gesteld door de IND. Het Hof stelt niet vast dat deze vraag inmiddels ook (eenduidig) is beantwoord.
4.3.4
Vooropgesteld moet worden dat de advocaat-generaal dus eerst ter terechtzitting van 29 juni 2015 wordt geconfronteerd met een arrest van een andere kamer van het Hof van dezelfde datum, waarbij de verdachte, kort samengevat, wegens overmacht is ontslagen van alle rechtsvervolging terzake van het verblijf in Nederland terwijl hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard. De overwegingen in dit arrest roepen, aldus volgt uit het proces-verbaal van de terechtzitting, bij de advocaat-generaal zodanig veel vragen op, dat hij daarop van de Immigratie en Naturalisatie Dienst een antwoord wenst te verkrijgen alvorens zijn visie aan het Hof te kunnen ontvouwen over het door de verdediging te voeren ‘overmachtsverweer’. Deze informatie is met het oog op de beoordeling door het Hof van het door de verdediging gedane beroep op overmacht ook van wezenlijk en doorslaggevend belang. Ook voor het Hof!
4.3.5
Onder deze bijzondere omstandigheden, die zich eerst na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting hebben voorgedaan, is rekwirant primair van mening dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk mag verschillen van wat met de toepassing van het criterium van het ‘vervolgingsbelang’ zou worden bereikt (vgl. HR 19 juni 2007, LJN AZ1702 voor de toepassing van het noodzakelijkheidscriterium bij het beoordelen van getuigenverzoeken) en, subsidiair, dat het feit dat de door advocaat-generaal geformuleerde vragen eerder hadden kunnen worden gesteld en dat de vraag waarom de Somalische autoriteiten dachten dat verdachte Jemenitisch was al eerder is gesteld niet, zonder meer, meebrengen dat de noodzaak om alsnog eenduidig antwoord te verkrijgen op die vragen niet of niet meer aanwezig is.
5.1
De door de advocaat-generaal in zijn requisitoir herhaalde vordering tot aanhouding van de behandeling van de strafzaak tegen de verdachte heeft het Hof afgewezen met als de beslissing dragende overweging dat ‘dat de belangen bij een voortvarende afdoening van de strafzaak onder deze omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van het openbaar ministerie om alsnog op dit punt nader onderzoek te laten verrichten of aanvullende informatie in te winnen’.
5.2
Aldus overwegende heeft het Hof naar de mening van rekwirant het door de advocaat-generaal herhaalde verzoek om aanhouding van de behandeling van de strafzaak ten onrechte niet getoetst aan het criterium of bij het Hof de noodzaak heeft bestaan tot het inwinnen van nadere informatie, zoals door de advocaat-generaal gevorderd.
5.3
Indien in 's Hofs oordeel impliciet tot uitdrukking mocht zijn gebracht dat het Hof het noodzaakcriterium heeft gehanteerd, is zijn beslissing niet zonder meer begrijpelijk. Immers, indien — zoals in 's Hofs onder 4.1.1 en 4.1.2 weergegeven overwegingen besloten ligt — het Hof voor de beoordeling van een gevoerd overmachtsverweer nadere informatie op zich wel van wezenlijk, zo niet doorslaggevend belang acht, kan en mag de uitkomst van de door het Hof gemaakte belangenafweging aan de noodzaak tot het inwinnen van die informatie niet in de weg staan.
Tweede middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in artikel 79, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, aangezien het Hof bij de beoordeling van het door de verdachte gedane beroep op overmacht niet de juiste maatstaf gehanteerd, dan wel is 's Hofs oordeel dat verdachte te dezen een beroep op overmacht toekomt niet zonder nadere — in 's Hofs arrest ontbrekende — motivering begrijpelijk.
Toelichting:
1.
In zijn conclusie voorafgaand aan 's Hogen Raads arrest van 21 januari 2009, ECLI:NL:2009: LJN:BF8848 heeft de (toenmalige) advocaat-generaal Bleichrodt het volgende naar voren gebracht:
‘3.8
Zoals opgemerkt ligt de primaire verantwoordelijkheid voor zijn vertrek uit Nederland bij de ongewenst verklaarde of anderszins illegale vreemdeling. Daartoe zullen van hem de nodige inspanningen kunnen worden gevergd. Ik verwijs in dit verband naar de volgende stukken.’
3.9.1
In de Memorie van Toelichting bij de Vreemdelingenwet 2000(3) is het volgende opgenomen:
‘Artikel 59
De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft dient Nederland uit eigen beweging te verlaten binnen de in artikel 60 bepaalde termijn. Dit uitgangspunt, dat voor zich spreekt, is in het voorgestelde artikel 59, eerste lid, verwoord. De eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om Nederland te verlaten wordt daarbij voorop gesteld. Dit uitgangspunt is ook in de notitie terugkeerbeleid neergelegd (brief van 25 juni 1999 van de Staatssecretaris van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Kamerstukken II, 26 646, nr. 1, p. 7, verder te noemen de Terugkeernotitie).’
3.9.2
De Terugkeernotitie van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie houdt onder andere in:
‘4. De hoofdlijn van het vernieuwde beleid
(…)
4.3. Eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling
In de discussie rond het terugkeervraagstuk is een steeds terugkerend onderwerp de vraag wie de verantwoordelijkheid draagt voor de terugkeer. Soms wordt daarbij aangenomen dat deze verantwoordelijkheid zou berusten bij de Nederlandse overheid. Ik ben echter van oordeel dat de primaire verantwoordelijkheid voor de terugkeer ligt bij de vreemdeling ten aanzien van wie de beslissing is genomen dat hij niet voor toelating in aanmerking komt. Dat oordeel is ook neergelegd in artikel 15d van de Vreemdelingenwet.
In artikel 15d wordt immers bepaald: ‘De beschikking dat een aanvraag om toelating, als bedoeld in het eerste lid, niet ingewilligd wordt houdt mede in dat de vreemdeling die zich in Nederland bevindt, uiterlijk binnen een door Onze Minister nader te bepalen termijn van ten hoogste vier weken na de bekendmaking van de beschikking het land dient te verlaten, bij gebreke waarvan uitzetting volgt, tenzij uit deze wet het tegendeel volgt.’
Deze bepaling geldt zowel voor de vreemdeling van wie de aanvraag om toelating (al dan niet als vluchteling) is afgewezen, als voor de vreemdeling van wie de vergunning tot verblijf is verlopen of ingetrokken.
(…)
Wanneer in een zorgvuldige procedure, inclusief een rechterlijke toets, is komen vast te staan dat betrokkene niet voor verblijf in Nederland in aanmerking komt, is de vreemdeling dus zelf verantwoordelijk voor zijn vertrek. Voldoet een vreemdeling niet aan zijn vertrekverplichting dan kan hij worden uitgezet. Mocht buiten de schuld van de vreemdeling vertrek niet mogelijk zijn dan blijft opvang geboden worden. Buiten schuld dient in dit verband beschouwd te worden als een objectief criterium, te weten dat de vreemdeling niet in het bezit kan komen van een document waarmee hij kan reizen.’
3.9.3
In Terugkeerbeleid; Lijst van vragen en antwoorden is het volgende opgenomen:
‘De kern van het vernieuwde terugkeerbeleid is dat de verantwoordelijkheid voor de terugkeer primair bij de vreemdeling ligt, dat de Nederlandse overheid en IOM daartoe facilitaire ondersteuning bieden en dat de verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid voor de opvang van vreemdelingen die een onherroepelijke, afwijzende, beslissing op hun verzoek om toelating hebben ontvangen expliciet eindig is. Dit betekent dat in het geval dat een vreemdeling ten aanzien van wie een onherroepelijke, afwijzende, beslissing op zijn verzoek om toelating als vluchteling is genomen de rechtsplicht heeft Nederland te verlaten en dat van hem verlangd wordt zelfstandig zijn terugkeer te realiseren. Geeft de vreemdeling geen gevolg aan zijn verplichting tot vertrek dan zullen de aan hem verstrekte voorzieningen van overheidswege worden beëindigd. Hierop geldt slechts één uitzondering: vreemdelingen die kunnen aantonen dat zij buiten hun schuld geen gehoor kunnen geven aan hun verplichting tot vertrek blijven opvang behouden en kunnen in aanmerking komen voor een tijdelijke verblijfsvergunning. Buiten hun schuld dient in dit verband beschouwd te worden als een objectief criterium, te weten dat de vreemdeling niet in het bezit kan komen van een document waarmee hij kan reizen (…)
Gelet op het feit dat bij mij geen landen bekend zijn die geen gehoor geven aan hun volkenrechtelijke verplichting om eigen onderdanen terug te nemen, is de groep die in aanmerking kan komen voor deze uitzondering van beperkte omvang. Om die reden komt slechts die vreemdeling in aanmerking voor een dergelijke tijdelijke status van wie is vastgesteld dat hij/zij staatloos is en zijn toelating in een derde land niet gewaarborgd is. In antwoord op de vraag wat wordt bedoeld met het objectieve criterium ‘buiten schuld’ dient het volgende. In het voorgaande is gesteld dat landen van herkomst hun eigen onderdanen terugnemen. Teneinde zeker te stellen dat het gaat om een eigen onderdaan, wordt van de vreemdeling verwacht dat hij/zij correcte identiteitsgegevens verstrekt aan de vertegenwoordiging van dat land van herkomst. In het geval dat de vreemdeling juiste gegevens verstrekt, is de ervaring op dit moment dat — eventueel na onderzoek in het land van herkomst — door de betreffende vertegenwoordiging vervangende reisdocumenten worden verstrekt. De vreemdeling dient dus invulling te geven aan zijn eigen verantwoordelijkheid. De vreemdeling behoeft zich overigens niet in alle gevallen te wenden tot een vertegenwoordiging; hij kan immers ook op andere wijze documenten verkrijgen (bij voorbeeld door het aanschrijven van familieleden in het land van herkomst). Daarnaast staat het de vreemdeling vrij te vertrekken naar een derde land indien daar zijn toelating is gewaarborgd. Naar het oordeel van het kabinet wordt hiermee niet afgeweken van het regeerakkoord.
(…) Nu de vreemdeling primair verantwoordelijk wordt voor zijn terugkeer en het objectieve criterium ‘buiten schuld’ wordt ingevoerd, is het zogenoemde ‘meewerkcriterium’ komen te vervallen. In de huidige situatie dient voordat tot beëindiging van voorzieningen kan worden overgegaan door de IND aangetoond te worden dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering uit Nederland. Onder het vernieuwde terugkeerbeleid wordt van de vreemdeling zelf in een eerder stadium van de toelatingsprocedure verwacht dat noodzakelijke stappen worden gezet om na de onherroepelijke, afwijzende, beslissing op zijn verzoek om toelating binnen een uiterlijke termijn van 4 weken na die beslissing Nederland daadwerkelijk te hebben verlaten. Is dit laatste niet het geval dan eindigt de verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid en zal worden overgegaan tot beëindiging van voorzieningen.’
3.9.4
In het Verslag van de vaste commissie Justitie ter zake van het voorstel tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet is de volgende vraag van de GroenLinks fractie opgenomen (6):
‘Is de regering op de hoogte van het feit dat het Openbaar Ministerie geen enkele prioriteit toekent aan de vervolging van ongewenst verklaarde vreemdelingen? Is het de regering eveneens bekend dat de rechterlijke macht het Openbaar Ministerie zelfs niet-ontvankelijk verklaart indien een ongewenst verklaarde vreemdeling niet uitzetbaar is, en hem dat niet te verwijten valt?’
3.9.5
De Nota naar aanleiding van het Verslag houdt onder andere het volgende in:
‘1.2.2. Plaats van de wet
Het wetsvoorstel neemt een prominente plaats in temidden van een reeks van beleidsmaatregelen die in deze regeerperiode genomen zijn en nog worden voorbereid. De beleidsmaatregelen zijn vooral gericht op (…) een intensiever terugkeerbeleid met als uitgangspunt de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling voor vertrek uit Nederland.
(…)
Met de invoering van het vernieuwde terugkeerbeleid is het zogenoemde meewerkcriterium komen te vervallen. Kortheidshalve verwijzen wij hiervoor naar de Terugkeernotitie en het naar aanleiding van deze notitie gevoerde debat met de Kamer. Ten aanzien van vreemdelingen die geen invulling geven aan hun eigen verantwoordelijkheid voor de terugkeer en geen gehoor geven aan de rechtsplicht Nederland te verlaten, zullen de voorzieningen worden beëindigd. Artikel 43, onder e, biedt de bevoegdheid om daartoe de opvangvoorziening te ontruimen. Alleen indien het vertrek van de vreemdeling buiten zijn schuld niet mogelijk is dan blijft opvang behouden. Buiten schuld dient in dit verband beschouwd te worden als een objectief criterium, te weten dat de vreemdeling niet in het bezit kan komen van een document waarmee hij kan reizen.
(…)
Het vernieuwde terugkeerbeleid gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling voor zijn terugkeer. Teneinde eventuele belemmeringen te kunnen wegnemen, is binnen het vernieuwde terugkeerbeleid voorzien in ondersteuning van de vreemdeling bij het realiseren van zijn vertrek. Wij verwijzen hierbij naar hetgeen wij hierover al hebben opgemerkt bij artikel 59. De medewerking van ambassades wordt, gelet op de volkenrechtelijke verplichting tot terugname van eigen onderdanen, verondersteld.’
3.9.6
Een brief van de toenmalige staatsecretaris van Justitie van 19 mei 2000 houdt in:
‘Tijdens het wetgevingsoverleg van 8 mei jongstleden zijn verschillende vragen gesteld met betrekking tot de criteria voor ongewenstverklaring. Zoals ik hiervoor heb aangegeven blijven de thans gehanteerde criteria gehandhaafd. In dit verband wil ik ook ingaan op de vraag van mevrouw Halsema (GroenLinks) om in te gaan op de gevallen waarbij de rechter het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaart indien de vreemdeling niet kan terugkeren.
Zoals in de terugkeernotitie is aangegeven is iedere vreemdeling zelf verantwoordelijk voor zijn terugkeer naar het land van herkomst dan wel het land van eerder verblijf. De enige uitzondering op deze regel geldt voor vreemdelingen die buiten hun schuld niet kunnen vertrekken. Buiten schuld dient in dit verband beschouwd te worden als een objectief criterium, te weten dat de vreemdeling aantoont dat hij niet in het bezit kan komen van een document waarmee hij kan reizen. De overheid verleent desgewenst de betrokken vreemdeling ondersteuning bij het realiseren van de daadwerkelijke terugkeer. Ik verwacht dan ook dat de rechter bij zijn oordeel over de strafvervolging van ongewenstverklaarde vreemdelingen de door de regering geformuleerde uitgangspunten van het terugkeerbeleid tot uitgangspunt zal nemen.’
2.
De Hoge Raad heeft in voornoemd arrest het volgende overwogen:
‘2.6.
De Hoge Raad stelt het volgende voorop. Art. 61 Vreemdelingenwet 2000 verplicht de vreemdeling die niet rechtmatig verblijf heeft, Nederland uit eigen beweging te verlaten. Gelet op de in de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal onder 3.9 weergegeven parlementaire stukken betekent dit dat de vreemdeling die tot ongewenst vreemdeling is verklaard de rechtsplicht heeft het land te verlaten, terwijl van die verplichting slechts is uitgezonderd de vreemdeling van wie aannemelijk is geworden dat hij buiten zijn schuld niet in het bezit kan komen van reisdocumenten.’
3.1
Aan de honorering door het Hof van het door de verdediging gedane beroep op overmacht ligt, onder meer, ten grondslag 's Hofs overweging dat:
‘het ‘niet (is) gebleken dat de Nederlandse autoriteiten enige poging hebben ondernomen om verdachte vrijwillig te laten vertrekken’ (…) gedurende de periode van vijf maanden tussen de opheffing van de bewaringstelling van verdachte in november 2013 en zijn aanhouding voor de thans bewezenverklaarde feiten in mei 2014’
3.2
Deze overweging, welke kennelijk (mede) doorslaggevend is voor 's Hofs honorering van het beroep op overmacht, is naar de mening van rekwirant niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen:
- ‘(a)
dat een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland, Nederland eigener beweging dient te verlaten en dat het een vreemdeling uiteraard te allen tijde — ook zonder stimulerende activiteit van de Nederlandse autoriteiten — vrijwillig kan vertrekken
- (b)
dat van de vreemdeling mag worden verwacht inspanningen te verrichten om aan documenten te komen die nodig zijn om zijn nationaliteit aan te tonen. Hij kan immers ook op andere wijze documenten verkrijgen (bij voorbeeld door het aanschrijven van familieleden, scholen, gemeenten of andere instanties in het gestelde land van herkomst).’
3.3
Het Hof heeft in zijn arrest niets vastgesteld waaruit zou kunnen volgen dat verdachte de onder 3.2 onder (b) bedoelde inspanningen heeft verricht. Aangezien verdachte Nederland, zoals uit de bewezenverklaring volgt, ook niet eigener beweging heeft verlaten, is bij deze stand van zaken zonder nadere motivering — die ontbreekt — niet duidelijk welke activiteiten het Hof op het oog heeft welke door de Nederlandse autoriteiten zouden moeten zijn verricht om de verdachte ‘vrijwillig te laten vertrekken’. De honorering van het beroep op overmacht, welke voor een belangrijk deel wordt gedragen door deze overweging, is in het licht van het vorenstaande mitsdien niet begrijpelijk, althans onvoldoende naar de eis der Wet met redenen omkleed.
Indien een van de cassatiemiddelen doel mocht treffen zal het arrest van het Gerechtshof niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook dit arrest te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 4 januari 2016
M. van der Horst, advocaat-generaal bij het ressortsparket