Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/4.3.1
4.3.1 Inleiding
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS586127:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 970. Vgl. Van der Heijden 1987, p. 84-85 en Van Brakel 1948, § 376. Vgl. voorts Clavareau 1943, p. 277 en Deschenaux 1942, p. 595a.
Zie in deze zin bijv. Schelhaas 2007, p. 295.
Vgl. Falk 1999, p. 72 en Engisch 2005, p. 145 e.v. en p. 168 e.v.
Van Schilfgaarde 1999, p. 440. Zie ook Van Schilfgaarde 1984, p. 208. Zie ook Reurich 2005b, alwaar er eveneens op wordt gewezen dat redelijkheid en billijkheid primair als een zich tot partijen richtende gedragsnorm moeten worden opgevat en wordt geconstateerd dat zulks in de literatuur niet altijd voldoende wordt onderkend. Vgl. Memelink 2009, p. 193-194.
Blijkens de parlementaire geschiedenis vloeit de in de imprévisionregeling van art. 6:258 BW bedoelde wijziging of ontbinding niet voort uit een rechterlijk zedelijkheidsoordeel, maar uit de blijkens art. 6:2 BW op partijen rustende eisen van redelijkheid en billijkheid. De rechter heeft in het hem voor te leggen geval slechts te "concretiseren" wat redelijkheid en billijkheid van partijen in hun verhouding eisen.1 Hieruit volgt onmiskenbaar dat de in art. 6:258 BW genoemde eisen van redelijkheid en billijkheid niet, zoals soms lijkt te worden gedacht,2 zijn op te vatten als een soort "Ermessensnorm"3 die resulteert in een ruime discretionaire bevoegdheid van de rechter, maar verwijzen naar het objectieve ongeschreven recht en gelijk zijn aan, of een uitvloeisel vormen van, de gedragsnorm van art. 6:2 lid 1 BW, welke kortweg bepaalt dat schuldeiser en schuldenaar verplicht zijn "zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid."4 Waartoe deze gedragsnorm partijen ingeval van onvoorziene omstandigheden verplicht, zal ik hiernavolgend uiteenzetten aan de hand van een beknopte (en gedeeltelijke her)bespreking van de redelijkheid en billijkheid als begrippenpaar.