De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/5.7:5.7 Conclusie aspecten van kwaliteit en vooruitblik
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/5.7
5.7 Conclusie aspecten van kwaliteit en vooruitblik
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701884:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indachtig de voorname en bijzondere positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen is het belangrijk dat deze deskundigen kwalitatief aan de maat zijn. Maar, wat betekent ‘kwaliteit’ precies? En, hoe valt ‘kwaliteit’ te beoordelen? In dit hoofdstuk is antwoord gegeven op deze vragen. Daartoe is het containerbegrip ‘kwaliteit’ opgeknipt in separate en toetsbare aspecten. Die aspecten zijn onafhankelijkheid, onpartijdigheid en deskundigheid. In onderlinge samenhang bekeken, vormen zij een beoordelingskader waarmee procesactoren steeds in algemene zin uitspraken kunnen doen over de kwaliteit van de deskundige. Het containerbegrip ‘kwaliteit’ is daarmee geoperationaliseerd.
Het eerste aspect van kwaliteit is de onafhankelijkheid van de deskundige. Daarmee is bedoeld dat de ingeschakelde deskundige geen deel uit mag maken van of werkzaam mag zijn onder de verantwoordelijkheid van een van de bij de procedure betrokken partijen. De onafhankelijkheidseis ziet dus op de formeel, organisatorische positie van deskundigen. In het onteigeningsrecht vloeit de onafhankelijkheidseis voort uit het gegeven dat deskundigen als rechtstreeks verlengstuk van de rechter fungeren. Het Europees Hof heeft geoordeeld dat een gebrek aan onafhankelijkheid (of onpartijdigheid) aan de zijde van de rechtbankdeskundige in een latere fase de rechter kan ‘besmetten’. In het nadeelcompensatie- en planschaderecht vloeit de onafhankelijkheidseis daarentegen rechtstreeks voort uit de relevante wet- en regelgeving. De ratio van die onafhankelijkheidseis is overigens in de literatuur wel bediscussieerd. Naar mijn mening is onafhankelijkheid een belangrijke aan de nadeelcompensatiedeskundige te stellen eis. Ter onderbouwing daarvan heb ik gewezen op het kenmerk van de deskundige dat deze als ‘onafhankelijk’ schadeadviseur de primaire schadebeoordeling weghaalt bij het aansprakelijkgestelde bestuursorgaan.
Het tweede aspect van kwaliteit is de onpartijdigheid van de deskundige. Anders dan de onafhankelijkheid ziet de onpartijdigheid niet op een organisatorische positie ten opzichte van procespartijen, maar op een gedragshouding. De onpartijdigheid wordt standaard uitgewerkt aan de hand van een subjectieve en een objectieve component. Voor dit onderzoek is met name de objectieve onpartijdigheid van belang. Bij de objectieve onpartijdigheid gaat het niet om de persoonlijke instelling van de deskundige, maar om de naar buiten toe kenbare indruk – schijn – zoals die bij procespartijen wordt gewekt. Doorslaggevend daarbij is niet de enkele vrees van een procespartij dat de deskundige partijdig is, maar of die vrees naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. Net als de onafhankelijkheidseis vloeit ook de onpartijdigheidseis in het onteigeningsrecht voort uit het gegeven dat deskundigen een verlengstuk zijn van de rechter. Bovendien stipuleert art. 198 lid 1 Rv dat deskundigen in civiele zaken hun taak onpartijdig en naar beste weten dienen te verrichten. In het planschade- en nadeelcompensatierecht vloeit de onpartijdigheidseis voort uit het verbod van vooringenomenheid ex art. 2:4 lid 2 Awb.
Als derde en laatste aspect van kwaliteit is de deskundigheid beschreven. Gelet op het gegeven dat rechter en/of bestuursorgaan niet steeds alle voor de besluitvorming vereiste expertise zullen bezitten, is het belangrijk dat de ingeschakelde onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen die deskundigheid wél bezitten. Het kwaliteitsaspect deskundigheid laat zich echter lastiger beoordelen dan de kwaliteitsaspecten onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Dat heeft ermee te maken dat de kennisparadox het zwaarst tot uitdrukking komt bij de beoordeling van de deskundigheid. Procesactoren zijn vaak zelf immers niet ter zake kundig, hetgeen de reden was voor de inschakeling van de deskundige. Om de ‘deskundigheid’ te beoordelen, is daarom ook dat kwaliteitsaspect opgeknipt in separate en toetsbare elementen. Die elementen zijn achtereenvolgens een toegankelijke en duidelijke communicatie, het lidmaatschap van een voor de beroepsgroep relevante vereniging, voldoende vakinhoudelijke- en juridische kennis, het hebben van voldoende ervaring die zowel langs de onder-als langs de bovenkant is begrensd en, tenslotte, de verplichte nascholing via een systeem van permanente educatie.
Het eerste hoofdstuk inzake kwaliteit – wat is ‘kwaliteit’? – is hiermee afgesloten. In het volgende hoofdstuk staat de vraag centraal of er mechanismen bestaan die procesactoren kunnen helpen bij de beoordeling van de kwaliteitsaspecten, of zelfs de kwaliteitscontrole voor procesactoren kunnen verrichten.