Procestaal: Duits.
HvJ EU, 19-03-2019, nr. C-297/17, nr. C-318/17, nr. C-319/17, nr. C-438/17
ECLI:EU:C:2019:219
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
19-03-2019
- Magistraten
K. Lenaerts, A. Prechal, M. Vilaras, E. Regan, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, A. Rosas, E. Juhász, M. Ilešič, J. Malenovský, L. Bay Larsen, D. Šváby
- Zaaknummer
C-297/17
C-318/17
C-319/17
C-438/17
- Conclusie
M. Wathelet
- Roepnaam
Ibrahim
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2019:219, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 19‑03‑2019
ECLI:EU:C:2018:617, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 25‑07‑2018
Uitspraak 19‑03‑2019
K. Lenaerts, A. Prechal, M. Vilaras, E. Regan, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, A. Rosas, E. Juhász, M. Ilešič, J. Malenovský, L. Bay Larsen, D. Šváby
Partij(en)
In de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17,*
betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (hoogste federale bestuursrechter, Duitsland) bij beslissingen van 23 maart 2017, ingekomen bij het Hof op 23 mei 2017 (C-297/17) en 30 mei 2017 (C-318/17 en C-319/17), en bij beslissing van 1 juni 2017, ingekomen bij het Hof op 20 juli 2017 (C-438/17), in de procedures
Bashar Ibrahim (C-297/17),
Mahmud Ibrahim,
Fadwa Ibrahim,
Bushra Ibrahim,
Mohammad Ibrahim,
Ahmad Ibrahim (C-318/17),
Nisreen Sharqawi,
Yazan Fattayrji,
Hosam Fattayrji (C-319/17)
tegen
Bundesrepublik Deutschland,
en
Bundesrepublik Deutschland
tegen
Taus Magamadov (C-438/17),
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, A. Prechal, M. Vilaras, E. Regan, F. Biltgen, K. Jürimäe en C. Lycourgos, kamerpresidenten, A. Rosas, E. Juhász, M. Ilešič (rapporteur), J. Malenovský, L. Bay Larsen en D. Šváby, rechters,
advocaat-generaal: M. Wathelet,
griffier: M. Aleksejev, hoofd van een administratieve eenheid,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 mei 2018,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Bashar Ibrahim, Mahmud Ibrahim, Fadwa Ibrahim, Bushra Ibrahim en de minderjarige kinderen Mohammad Ibrahim en Ahmad Ibrahim, en Nisreen Sharqawi en haar minderjarige kinderen Yazan Fattayrji en Hosam Fattayrji, vertegenwoordigd door D. Kösterke-Zerbe, Rechtsanwältin,
- —
Taus Magamadov, vertegenwoordigd door I. Stern, Rechtsanwältin,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en R. Kanitz als gemachtigden,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas, E. de Moustier en E. Armoët als gemachtigden,
- —
de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér, G. Koós en M. Tátrai als gemachtigden,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Condou-Durande en C. Ladenburger als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 juli 2018,
het navolgende
Arrest
1
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 33, lid 2, onder a), en artikel 52, eerste alinea, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60; hierna: ‘procedurerichtlijn’), en de artikelen 4 en 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van vier gedingen tussen Bashar Ibrahim (zaak C-297/17), Mahmud Ibrahim, Fadwa Ibrahim, Bushra Ibrahim en de minderjarige kinderen Mohammad en Ahmad Ibrahim (zaak C-318/17), en Nisreen Sharqawi en haar minderjarige kinderen Yazan en Hosam Fattayrji (zaak C-319/17) enerzijds, en de Bundesrepublik Deutschland (Bondsrepubliek Duitsland) anderzijds, en tussen de Bondsrepubliek Duitsland en Taus Magamadov (zaak C-438/17), over de besluiten van het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (federale dienst voor migratie en vluchtelingen, Duitsland; hierna: ‘Bundesamt’) waarbij aan betrokkenen asiel is geweigerd.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3
Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: ‘EVRM’), bepaalt in artikel 3, ‘Verbod van foltering’:
‘Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.’
Unierecht
Handvest
4
Artikel 1 van het Handvest, dat als opschrift ‘De menselijke waardigheid’ draagt, luidt als volgt:
‘De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.’
5
Artikel 4 van het Handvest, ‘Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen’, bepaalt:
‘Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.’
6
Artikel 18 van het Handvest, ‘Het recht op asiel’, bepaalt:
‘Het recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag [betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 [1954])], en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna â\€šde Verdragen’ genoemd).’
7
In de eerste alinea van artikel 47 van het Handvest, ‘Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht’, is bepaald:
‘Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.’
8
Artikel 51 van het Handvest, met het opschrift ‘Toepassingsgebied’, bepaalt in lid 1:
‘De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.’
9
Artikel 52 van het Handvest, ‘Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen’, bepaalt in lid 3:
‘Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het [EVRM], zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.’
Kwalificatierichtlijn
10
Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9; hierna: ‘kwalificatierichtlijn’), bepaalt in artikel 2:
‘In deze richtlijn gelden de volgende definities:
- a)
‘internationale bescherming’: de vluchtelingenstatus en de subsidiairebeschermingsstatus […]
[…]
- d)
‘vluchteling’: een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen, dan wel een staatloze die zich om dezelfde reden buiten het land bevindt waar hij vroeger gewoonlijk verbleef en daarheen niet kan, dan wel wegens genoemde vrees niet wil terugkeren, en op wie artikel 12 niet van toepassing is;
- e)
‘vluchtelingenstatus’: de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als vluchteling;
- f)
‘persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt’: een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen;
- g)
‘subsidiairebeschermingsstatus’[:] de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als een persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt;
- h)
‘verzoek om internationale bescherming’: een verzoek van een onderdaan van een derde land of een staatloze om bescherming van een lidstaat die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus wenst en niet uitdrukkelijk verzoekt om een andere, niet onder deze richtlijn vallende vorm van bescherming waarom afzonderlijk kan worden verzocht;
[…]’
11
In hoofdstuk II van de kwalificatierichtlijn is bepaald op welke wijze verzoeken om internationale bescherming dienen te worden beoordeeld.
12
Artikel 4 van de kwalificatierichtlijn, ‘Beoordeling van feiten en omstandigheden’, dat in dit hoofdstuk is opgenomen, bepaalt in lid 3:
‘De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:
- a)
alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;
- b)
de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden;
- c)
de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen;
[…]’
13
Hoofdstuk III van de kwalificatierichtlijn legt de voorwaarden vast voor het verkrijgen van de vluchtelingenstatus. In dat verband bepalen de artikelen 9 (‘Daden van vervolging’) en 10 (‘Gronden van vervolging’) van die richtlijn welke elementen in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of de verzoeker is of zou kunnen worden vervolgd.
14
Onder hoofdstuk IV van de kwalificatierichtlijn, ‘Vluchtelingenstatus’, luidt artikel 13, ‘Verlening van de vluchtelingenstatus’:
‘De lidstaten verlenen de vluchtelingenstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en III als vluchteling wordt erkend.’
15
In de hoofdstukken V en VI van de kwalificatierichtlijn is bepaald onder welke voorwaarden iemand voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt, respectievelijk wat de subsidiairebeschermingsstatus inhoudt.
16
Hoofdstuk VII van de kwalificatierichtlijn, dat de artikelen 20 tot en met 35 bevat, omschrijft de kenmerken van de internationale bescherming.
Verordeningen Dublin II en Dublin III
17
Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31; hierna: ‘Dublin III-verordening’) heeft verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003, L 50, blz. 1; hierna: ‘Dublin II-verordening’) ingetrokken en vervangen.
18
Terwijl de Dublin II-verordening volgens artikel 1 juncto artikel 2, onder c), ervan uitsluitend de criteria en instrumenten vaststelde om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk was voor de behandeling van een asielverzoek in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna: ‘Verdrag van Genève’), blijkt uit artikel 1 van de Dublin III-verordening dat deze voortaan beoogt dergelijke criteria en instrumenten vast te stellen voor verzoeken om internationale bescherming, waarmee volgens de definitie van artikel 2, onder b), van de Dublin III-verordening, waarin wordt verwezen naar artikel 2, onder h), van de kwalificatierichtlijn, verzoeken worden bedoeld van personen die de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus wensen.
19
Artikel 18, lid 1, onder d), van de Dublin III-verordening bepaalt dat de volgens die verordening verantwoordelijke lidstaat verplicht is een onderdaan van een derde land of een staatloze wiens verzoek is afgewezen en die een verzoek heeft ingediend in een andere lidstaat of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, terug te nemen.
20
Artikel 49 van de Dublin III-verordening, ‘Inwerkingtreding en toepasselijkheid’, bepaalt:
‘Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend vanaf de eerste dag van de zesde maand na de inwerkingtreding ervan, en is vanaf die dag van toepassing op elk verzoek tot overname of terugname van verzoekers, ongeacht de datum waarop het verzoek is ingediend. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór die datum is ingediend, wordt bepaald volgens de in [de Dublin II]-verordening vastgestelde criteria.
[…]’
Richtlijn 2005/85 en de procedurerichtlijn
21
De procedurerichtlijn heeft richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB 2005, L 326, blz. 13) herschikt.
22
Volgens artikel 1 van richtlijn 2005/85 beoogde deze de vaststelling van minimumnormen voor de procedures voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus. Artikel 2, onder b), van die richtlijn omschreef het begrip ‘asielverzoek’ als een door een onderdaan van een derde land of een staatloze ingediend verzoek dat kon worden opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat op grond van het Verdrag van Genève.
23
Artikel 25 van richtlijn 2005/85 bepaalde:
- ‘1.
Naast de gevallen waarin een asielverzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig [de Dublin II-]verordening, zijn de lidstaten niet verplicht te onderzoeken of de asielzoeker in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus […], indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht.
- 2.
De lidstaten kunnen een asielverzoek uit hoofde van dit artikel als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer:
- a)
een andere lidstaat de vluchtelingenstatus heeft toegekend;
[…]’
24
Volgens artikel 1 van de procedurerichtlijn beoogt deze de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming uit hoofde van de kwalificatierichtlijn.
25
Artikel 2, onder b), van de procedurerichtlijn omschrijft het begrip ‘verzoek om internationale bescherming’ als een verzoek van een onderdaan van een derde land of een staatloze om bescherming van een lidstaat die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus wenst en niet uitdrukkelijk verzoekt om een andere niet onder de kwalificatierichtlijn vallende vorm van bescherming waarom afzonderlijk kan worden verzocht.
26
Artikel 10, lid 2, van de procedurerichtlijn bepaalt:
‘Bij de behandeling van verzoeken om internationale bescherming gaat de beslissingsautoriteit eerst na of de verzoekers als vluchteling kunnen worden aangemerkt en zo niet, of zij voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen.’
27
Artikel 33 van de procedurerichtlijn, ‘Niet-ontvankelijke verzoeken’, bepaalt:
- ‘1.
Naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig [de Dublin III-verordening], zijn de lidstaten niet verplicht te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig [de kwalificatierichtlijn], indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht.
- 2.
De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer:
- a)
een andere lidstaat internationale bescherming heeft toegekend;
[…]
- d)
het verzoek een volgend verzoek is en er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig [de kwalificatierichtlijn]; […]
[…]’
28
Artikel 40 van de procedurerichtlijn, ‘Volgende verzoeken’, bepaalt in de leden 2 tot en met 4:
- ‘2.
Om krachtens artikel 33, lid 2, onder d), een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek om internationale bescherming te nemen, wordt een volgend verzoek om internationale bescherming eerst aan een voorafgaand onderzoek onderworpen om uit te maken of er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of door de verzoeker zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt krachtens [de kwalificatierichtlijn].
- 3.
Indien uit het in lid 2 bedoelde voorafgaande onderzoek wordt geconcludeerd dat er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt krachtens [de kwalificatierichtlijn], wordt het verzoek verder behandeld overeenkomstig hoofdstuk II. De lidstaten kunnen ook in andere redenen voorzien om een [volgend] verzoek verder te behandelen.
- 4.
De lidstaten kunnen bepalen dat het verzoek enkel verder wordt behandeld indien de betrokken verzoeker buiten zijn toedoen de in de leden 2 en 3 van dit artikel beschreven situaties in het kader van de vorige procedure niet kon doen gelden, in het bijzonder door zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens artikel 46 uit te oefenen.’
29
Artikel 51, lid 1, van de procedurerichtlijn bepaalt:
‘De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 20 juli 2015 aan de artikelen 1 tot en met 30, artikel 31, leden 1, 2 en 6 tot en met 9, de artikelen 32 tot en met 46, de artikelen 49 en 50 en bijlage I, te voldoen. Zij stellen de Commissie van de tekst van die bepalingen onverwijld in kennis.’
30
In artikel 52, eerste alinea, van de procedurerichtlijn is bepaald:
‘De lidstaten passen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen bedoeld in artikel 51, lid 1, toe op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend en op de procedures tot intrekking van de internationale bescherming die zijn ingeleid na 20 juli 2015 of een eerdere datum. Verzoeken die zijn ingediend vóór 20 juli 2015 en procedures tot intrekking van de vluchtelingenstatus die zijn ingeleid vóór die datum zijn onderworpen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen krachtens richtlijn [2005/85].’
31
Artikel 53, eerste alinea, van de procedurerichtlijn bepaalt dat richtlijn 2005/85 met ingang van 21 juli 2015 wordt ingetrokken voor de door de procedurerichtlijn gebonden lidstaten, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage II, deel B, genoemde termijnen voor omzetting van die richtlijn in intern recht.
32
Artikel 54, eerste alinea, van de procedurerichtlijn bepaalt dat deze ‘in werking [treedt] op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie’. Dit was op 29 juni 2013.
Duits recht
33
§ 29 van het Asylgesetz (asielwet; hierna: ‘AsylG’), zoals gewijzigd, met ingang van 6 augustus 2016, bij het Integrationsgesetz (integratiewet) van 31 juli 2016 (BGBl. 2016 I, blz. 1939; hierna: ‘Integrationsgesetz’), met als opschrift ‘Niet-ontvankelijke verzoeken’, bepaalt:
- ‘(1)
Een asielverzoek is niet-ontvankelijk wanneer
- 1.
een andere staat
- a)
krachtens [de Dublin III-verordening] of
- b)
op grond van andere Unierechtelijke bepalingen dan wel bepalingen van een volkenrechtelijk verdrag
voor de toepassing van de asielprocedure verantwoordelijk is,
- 2.
een andere lidstaat van de Europese Unie reeds de in § 1, lid 1, punt 2, bedoelde internationale bescherming heeft toegekend aan de vreemdeling,
[…]’
34
§ 77, lid 1, AsylG bepaalt:
‘In geschillen in het kader van deze wet baseert de rechter zich op de feiten en het recht zoals deze ten tijde van de laatste terechtzitting van toepassing waren; indien de beslissing niet door een terechtzitting wordt voorafgegaan, is het tijdstip waarop de beslissing wordt gegeven, bepalend. […]’
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Gevoegde zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17
35
Verzoekers in de hoofdgedingen zijn staatloze Palestijnse asielzoekers die in Syrië hebben verbleven.
36
Bashar Ibrahim, verzoeker in het hoofdgeding in zaak C-297/17, is de zoon van Mahmud Ibrahim en Fadwa Ibrahim en de broer van de drie andere kinderen van het echtpaar Ibrahim, die net als hun ouders, verzoekers in het hoofdgeding zijn in zaak C-318/17. Nisreen Sharqawi en haar minderjarige kinderen zijn verzoekers in het hoofdgeding in zaak C-319/17.
37
Betrokkenen hebben Syrië in 2012 verlaten en zijn in Bulgarije aangekomen, waar hun bij besluiten van 26 februari en 7 mei 2013 subsidiaire bescherming is toegekend. In november 2013 zijn zij verder gereisd via Roemenië, Hongarije en Oostenrijk om uiteindelijk aan te komen in Duitsland, waar zij op 29 november 2013 nieuwe asielverzoeken hebben ingediend.
38
Op 22 januari 2014 heeft het Bundesamt de voor vluchtelingen bevoegde Bulgaarse nationale overheidsdienst verzocht om de betrokkenen terug te nemen. Bij brieven van 28 januari en 10 februari 2014 heeft die dienst de betrokken verzoeken afgewezen. De terugnameregeling van de Dublin III-verordening zou in casu namelijk niet van toepassing zijn, omdat in Bulgarije reeds subsidiaire bescherming was toegekend aan verzoekers in de hoofdgedingen. Bovendien zou de plaatselijke grenspolitie de bevoegde Bulgaarse autoriteit zijn.
39
Bij besluiten van 27 februari en 19 maart 2014 heeft het Bundesamt — zonder hun verzoeken inhoudelijk te beoordelen — geweigerd om aan betrokkenen asiel te verlenen op grond dat zij uit een veilig derde land kwamen. Het heeft gelast dat zij werden verwijderd naar de Bulgaarse grens.
40
Bij uitspraken van 20 mei respectievelijk 22 juli 2014 heeft het Verwaltungsgericht Trier (bestuursrechter Trier, Duitsland) de tegen deze besluiten ingestelde beroepen verworpen.
41
In zijn arresten van 18 februari 2016 heeft het Oberverwaltungsgericht Rheinland-Pfalz (hoogste bestuursrechter van de deelstaat Rijnland-Palts, Duitsland) de bevelen tot verwijdering van betrokkenen naar de Bulgaarse grens nietig verklaard, maar de overige bij hem ingestelde vorderingen afgewezen. Het Oberverwaltungsgericht was van oordeel dat terecht was geweigerd om aan betrokkenen asiel te verlenen in Duitsland, omdat zij die lidstaat waren binnengekomen vanuit een veilig derde land, te weten Oostenrijk. De bevelen tot verwijdering naar de Bulgaarse grens achtte het evenwel onrechtmatig, omdat niet vaststond of de Republiek Bulgarije nog steeds bereid was om verzoekers terug te nemen.
42
Verzoekers in de hoofdgedingen hebben bij het Bundesverwaltungsgericht (hoogste federale bestuursrechter, Duitsland) Revision tegen deze besluiten tot gedeeltelijke afwijzing van hun vorderingen ingesteld. Zij voeren met name aan dat, overeenkomstig artikel 49, tweede alinea, tweede volzin, van de Dublin III-verordening hun situatie nog steeds onder de Dublin II-verordening valt en de Dublin II-verordening van toepassing blijft, ook nadat subsidiaire bescherming is verleend. Overeenkomstig de bepalingen van de Dublin II-verordening is de aanvankelijke verantwoordelijkheid van de Republiek Bulgarije overgegaan op de Bondsrepubliek Duitsland in de loop van de in die verordening bedoelde procedure.
43
De Bondsrepubliek Duitsland stelt zich op het standpunt dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde asielverzoeken thans niet-ontvankelijk zijn op grond van § 29, lid 1, punt 2, AsylG, waarvan de inhoud overeenkomt met die van artikel 33, lid 2, onder a), van de procedurerichtlijn.
44
Het Bundesverwaltungsgericht stelt vast dat het Bundesamt de bij hem ingediende asielverzoeken niet mocht afwijzen op grond dat verzoekers uit een veilig derde land kwamen. Aangezien het nationaal recht dient te worden uitgelegd overeenkomstig het Unierecht, kan een veilig derde land namelijk slechts een staat zijn die geen lidstaat van de Unie is. Derhalve dient te worden nagegaan of de litigieuze besluiten kunnen worden beschouwd als weigeringsbesluiten die zijn gebaseerd op de niet-ontvankelijkheid van de asielverzoeken in de zin van § 29, lid 1, punt 2, AsylG.
45
In die omstandigheden heeft het Bundesverwaltungsgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17:
- ‘1)
Verzet de overgangsbepaling in artikel 52, eerste alinea, van [de procedurerichtlijn] zich tegen de toepassing van een nationale regeling ter omzetting van artikel 33, lid 2, onder a), van deze richtlijn — waarbij een ruimere bevoegdheid wordt verleend dan bij de vorige regeling — volgens welke een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is wanneer aan de verzoeker in een andere lidstaat subsidiaire bescherming is verleend, voor zover deze nationale regeling bij ontstentenis van een nationale overgangsregeling ook van toepassing is op vóór 20 juli 2015 ingediende verzoeken?
Staat de overgangsbepaling in artikel 52, eerste alinea, van [de procedurerichtlijn] de lidstaten in het bijzonder toe om de ruimere bevoegdheid die wordt verleend door artikel 33, lid 2, onder a), van [de procedurerichtlijn] met terugwerkende kracht aan te wenden, waardoor ook asielverzoeken die vóór de omzetting van deze ruimere bevoegdheid in nationaal recht zijn ingediend maar waarop ten tijde van de omzetting nog geen definitief besluit is genomen, niet-ontvankelijk zijn?
- 2)
Geeft artikel 33 van [de procedurerichtlijn] de lidstaten het recht om te kiezen of zij een asielverzoek niet-ontvankelijk verklaren op grond dat een andere lidstaat internationaal verantwoordelijk is (Dublin-verordening) dan wel op grond van artikel 33, lid 2, onder a), van [de procedurerichtlijn]?
- 3)
Voor het geval dat de [tweede vraag] bevestigend wordt beantwoord: verzet het Unierecht zich ertegen dat een lidstaat krachtens de door artikel 33, lid 2, onder a), van [de procedurerichtlijn] verleende bevoegdheid een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaart op grond dat in een andere lidstaat subsidiaire bescherming is verleend, wanneer:
- a)
de verzoeker een ruimere bescherming verlangt dan de hem in een andere lidstaat verleende subsidiaire bescherming (namelijk die van de vluchtelingenstatus) en de asielprocedure in de andere lidstaat werd en nog steeds wordt gekenmerkt door structurele tekortkomingen, of,
- b)
de wijze waarop de internationale bescherming in de andere lidstaat — waar de verzoeker reeds subsidiaire bescherming heeft verkregen — is georganiseerd, waaronder met name de levensomstandigheden voor personen met een subsidiairebeschermingsstatus,
- —
in strijd is met artikel 4 van het Handvest, respectievelijk artikel 3 EVRM, dan wel
- —
niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 20 en volgende van [de kwalificatierichtlijn], zonder evenwel in strijd te zijn met artikel 4 van het Handvest, respectievelijk artikel 3 EVRM?
- 4)
Voor het geval dat de [derde vraag], onder b), bevestigend moet worden beantwoord: geldt dit ook wanneer personen met een subsidiairebeschermingsstatus geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of slechts voorzieningen die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, maar deze personen in dit opzicht niet anders worden behandeld dan de onderdanen van deze lidstaat?
- 5)
Voor het geval dat de [tweede vraag] ontkennend moet worden beantwoord:
- a)
Is de Dublin III-verordening van toepassing in een procedure ter verkrijging van internationale bescherming wanneer het asielverzoek vóór 1 januari 2014, maar het terugnameverzoek pas na 1 januari 2014 is ingediend, en de verzoeker voordien (in februari 2013) reeds subsidiaire bescherming had verkregen in de aangezochte lidstaat?
- b)
Ligt in de Dublin-regelingen de — ongeschreven — regel vervat dat de verantwoordelijkheid overgaat op de lidstaat die om terugname van een verzoeker verzoekt wanneer de aangezochte verantwoordelijke lidstaat de tijdig voorgestelde terugname volgens de Dublin-voorschriften heeft geweigerd en in plaats daarvan heeft verwezen naar een internationale terugnameovereenkomst?’
Zaak C-438/17
46
Magamadov, een asielzoeker met de Russische nationaliteit die stelt Tsjetsjeen te zijn, is in 2007 aangekomen in Polen, waar hem bij besluit van 13 oktober 2008 subsidiaire bescherming is verleend. In juni 2012 is hij met vrouw en kind Duitsland binnengekomen, waar hij op 19 juni 2012 een asielverzoek heeft ingediend.
47
Op 13 februari 2013 heeft het Bundesamt voor betrokkene en zijn gezin een verzoek om terugname ingediend bij de Poolse autoriteiten, die op 18 februari 2013 te kennen hebben gegeven dat zij bereid waren hen terug te nemen.
48
Bij besluit van 13 maart 2013 heeft het Bundesamt, zonder tot een inhoudelijke beoordeling over te gaan, de asielverzoeken van verzoeker en zijn gezin niet-ontvankelijk verklaard op grond dat de Republiek Polen verantwoordelijk was voor de behandeling van deze verzoeken, en heeft het hun overdracht aan Polen gelast. Omdat de overdracht wegens medische problemen van de echtgenote van Magamadov niet binnen de gestelde termijn kon plaatsvinden, heeft het Bundesamt bij besluit van 24 september 2013 zijn besluit van 13 maart 2013 ingetrokken, overwegende dat de Bondsrepubliek Duitsland als gevolg van het verstrijken van deze termijn verantwoordelijk was geworden voor de behandeling van die verzoeken. Bij besluit van 23 juni 2014 heeft het Bundesamt Magamadov internationale bescherming en asiel geweigerd, omdat hij Duitsland was binnengekomen vanuit een veilig derde land, te weten Polen, en heeft het zijn verwijdering naar laatstgenoemde lidstaat gelast.
49
Bij uitspraak van 19 mei 2015 heeft het Verwaltungsgericht Potsdam (bestuursrechter Potsdam, Duitsland) het tegen dat besluit ingestelde beroep verworpen.
50
Bij uitspraak van 21 april 2016 heeft het Oberverwaltungsgericht Berlin-Brandenburg (hoogste bestuursrechter van Berlijn-Brandenburg, Duitsland) het besluit van het Bundesamt van 23 juni 2014 nietig verklaard. Het Oberverwaltungsgericht achtte namelijk de regel dat aan een vreemdeling geen asiel wordt verleend wanneer hij uit een veilig land komt, niet van toepassing in het hoofdgeding. Het verwees dienaangaande naar de uitzonderingsbepaling in § 26 bis, lid 1, derde volzin, punt 2, AsylG, op grond waarvan de regel van het veilige derde land buiten beschouwing blijft wanneer, zoals in casu, de Bondsrepubliek Duitsland op grond van het Unierecht verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van betrokkenes verzoek om bescherming. Aangezien het asielverzoek in het hoofdgeding was ingediend vóór 20 juli 2015, was volgens deze rechter richtlijn 2005/85 van toepassing. Ingevolge deze richtlijn mag een lidstaat een asielverzoek enkel zonder inhoudelijke beoordeling afwijzen wegens niet-ontvankelijkheid wanneer de betrokken persoon in een andere lidstaat als vluchteling is erkend.
51
De Bondsrepubliek Duitsland heeft tegen deze uitspraak beroep in Revision ingesteld bij het Bundesverwaltungsgericht. Zij stelt onder meer dat het asielverzoek in het hoofdgeding thans niet-ontvankelijk is krachtens § 29, lid 1, punt 2, AsylG, zoals gewijzigd bij het Integrationsgesetz, aangezien aan Magamadov internationale bescherming is verleend in Polen. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat zijn op 19 juni 2012 ingediende asielverzoek wel degelijk ontvankelijk is, omdat de Republiek Polen hem niet de vluchtelingenstatus maar slechts subsidiaire bescherming heeft toegekend.
52
Het Bundesverwaltungsgericht stelt vast dat het Bundesamt het bij hem ingediende asielverzoek niet mocht weigeren op grond dat verzoeker uit een veilig derde land kwam. Aangezien het nationaal recht dient te worden uitgelegd overeenkomstig het Unierecht, kan een veilig derde land namelijk slechts een staat zijn die geen lidstaat van de Unie is. Derhalve dient te worden nagegaan of het litigieuze besluit kan worden beschouwd als een weigeringsbesluit dat is gebaseerd op de niet-ontvankelijkheid van het asielverzoek in de zin van § 29, lid 1, punt 2, AsylG.
53
In die omstandigheden heeft het Bundesverwaltungsgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Verzet de overgangsbepaling in artikel 52, eerste alinea, van [de procedurerichtlijn] zich tegen de toepassing van een nationale regeling ter omzetting van artikel 33, lid 2, onder a), van deze richtlijn — waarbij een ruimere bevoegdheid wordt verleend dan bij de vorige regeling — volgens welke een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is wanneer aan de verzoeker in een andere lidstaat subsidiaire bescherming is verleend, voor zover de nationale regeling bij ontstentenis van een nationale overgangsregeling ook van toepassing is op vóór 20 juli 2015 ingediende verzoeken? Geldt dit in elk geval wanneer het asielverzoek ingevolge artikel 49 van [de Dublin III-verordening] nog ten volle onder [de Dublin II-verordening] valt?
- 2)
Staat de overgangsbepaling in artikel 52, eerste alinea, van [de procedurerichtlijn] de lidstaten in het bijzonder toe om de ruimere bevoegdheid die wordt verleend door artikel 33, lid 2, onder a), van [de procedurerichtlijn] met terugwerkende kracht aan te wenden, waardoor ook asielverzoeken die vóór de inwerkingtreding van [de procedurerichtlijn] en vóór de omzetting van deze ruimere bevoegdheid in nationaal recht zijn ingediend maar waarop ten tijde van de omzetting nog geen definitief besluit is genomen, niet-ontvankelijk zijn?’
Procedure bij het Hof
54
Bij beslissing van de president van het Hof van 9 juni 2017 zijn de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest, omdat de prejudiciële vragen in deze drie zaken identiek zijn. Daarenboven zijn bij beslissing van het Hof van 30 januari 2018 die zaken en zaak C-438/17 gevoegd voor de mondelinge behandeling en voor het arrest.
55
De verwijzende rechter heeft in zijn verzoeken om een prejudiciële beslissing verzocht om toepassing van de versnelde procedure van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Die verzoeken zijn afgewezen bij beschikkingen van de president van het Hof van 14 juli 2017, Ibrahim e.a. (C-297/17, C-318/17 en C-319/17, niet gepubliceerd, EU:C:2017:561), en 19 september 2017, Magamadov (C-438/17, niet gepubliceerd, EU:C:2017:723).
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 en vragen in zaak C-438/17
56
Met die vragen, die samen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 52, eerste alinea, van de procedurerichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat mag bepalen dat de bepaling van nationaal recht waarbij artikel 33, lid 2, onder a), van die richtlijn wordt omgezet, onmiddellijk van toepassing is op asielverzoeken waarop nog geen definitief besluit is genomen, die zijn ingediend vóór 20 juli 2015 en vóór de inwerkingtreding van die bepaling van nationaal recht. In het kader van zaak C-438/17 wenst die rechter voorts te vernemen of dit ook het geval is indien het asielverzoek is ingediend vóór de inwerkingtreding van de procedurerichtlijn en het ingevolge artikel 49 van de Dublin III-verordening nog ten volle onder de Dublin II-verordening valt.
57
Volgens artikel 33, lid 2, onder a), van de procedurerichtlijn kunnen de lidstaten een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer een andere lidstaat internationale bescherming heeft toegekend.
58
Door te voorzien in de mogelijkheid voor een lidstaat om een dergelijk verzoek af te wijzen wegens niet-ontvankelijkheid, ook in situaties waarin aan de verzoeker enkel subsidiaire bescherming is toegekend in een andere lidstaat, vormt die bepaling een uitbreiding van de mogelijkheid die voordien was neergelegd in artikel 25, lid 2, onder a), van richtlijn 2005/85, op grond waarvan een dergelijke afwijzing alleen mogelijk was wanneer aan de asielzoeker de vluchtelingenstatus was toegekend in een andere lidstaat.
59
Uit artikel 51, lid 1, van de procedurerichtlijn volgt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking dienden te doen treden om uiterlijk op 20 juli 2015 aan onder meer artikel 33 van die richtlijn te voldoen. Overeenkomstig artikel 53, eerste alinea, van de procedurerichtlijn is richtlijn 2005/85 met ingang van 21 juli 2015 ingetrokken.
60
Artikel 52, eerste alinea, van de procedurerichtlijn bevat overgangsbepalingen.
61
Volgens artikel 52, eerste alinea, eerste volzin, van die richtlijn passen de lidstaten de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen bedoeld in artikel 51, lid 1, toe op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend en op de procedures tot intrekking van de internationale bescherming die zijn ingeleid ‘na 20 juli 2015 of een eerdere datum’.
62
Artikel 52, eerste alinea, tweede volzin, van de procedurerichtlijn bepaalt dat verzoeken die zijn ingediend ‘vóór 20 juli 2015’ en procedures tot intrekking van de vluchtelingenstatus die zijn ingeleid vóór die datum onderworpen zijn aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen krachtens richtlijn 2005/85.
63
Uit het onderzoek van de voorbereidende werkzaamheden van de procedurerichtlijn, in het bijzonder uit een vergelijking tussen standpunt (EU) nr. 7/2013 van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, vastgesteld op 6 juni 2013 (PB 2013, C 179 E, blz. 27), en het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming [COM(2009) 554 definitief], blijkt dat de woorden ‘of een eerdere datum’ in artikel 52, eerste alinea, eerste volzin, van de procedurerichtlijn in de loop van het wetgevingsproces zijn toegevoegd (arrest van 25 juli 2018, Alheto, C-585/16, EU:C:2018:584, punt 71).
64
Ondanks de spanning tussen de eerste en de tweede zin van artikel 52, eerste alinea, van de procedurerichtlijn, komt bijgevolg uit deze voorbereidende werkzaamheden naar voren dat de Uniewetgever de lidstaten die dat wensten de mogelijkheid heeft willen geven hun bepalingen ter uitvoering van deze richtlijn met onmiddellijke ingang toe te passen op de verzoeken om internationale bescherming die vóór 20 juli 2015 waren ingediend (arrest van 25 juli 2018, Alheto, C-585/16, EU:C:2018:584, punt 72).
65
Bovendien bevatten die voorbereidende werkzaamheden geen aanwijzingen dat de Uniewetgever die mogelijkheid welke artikel 52, eerste alinea, van de procedurerichtlijn de lidstaten biedt, zou hebben willen beperken tot enkel die bepalingen welke voor personen die om internationale bescherming verzoeken gunstiger zijn dan die welke voorheen waren vastgesteld met het oog op de omzetting van richtlijn 2005/85.
66
Ofschoon artikel 52, eerste alinea, van de procedurerichtlijn de lidstaten de mogelijkheid heeft geboden hun bepalingen ter omzetting van die richtlijn toe te passen op verzoeken om internationale bescherming die vóór 20 juli 2015 waren ingediend, heeft dit artikel de lidstaten daar echter niet toe verplicht. Daar deze bepaling, door het gebruik van de bewoordingen ‘ingeleid na 20 juli 2015 of een eerdere datum’, meerdere mogelijke temporele toepassingen biedt, is het, opdat de beginselen van rechtszekerheid en gelijkheid voor de wet bij de toepassing van het Unierecht worden geëerbiedigd en de personen die om internationale bescherming verzoeken daardoor worden beschermd tegen willekeur, van belang dat elke aan deze richtlijn gebonden lidstaat de verzoeken om internationale bescherming die in dezelfde periode op zijn grondgebied zijn ingediend op voorspelbare en uniforme wijze onderzoekt (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Alheto, C-585/16, EU:C:2018:584, punt 73).
67
Uit de verwijzingsbeslissingen volgt dat de bepaling waarbij de aanvullende niet-ontvankelijkheidsgrond die is genoemd in artikel 33, lid 2, onder a), van de procedurerichtlijn in Duits recht is omgezet, te weten § 29, lid 1, punt 2, AsylG, op 6 augustus 2016 in werking is getreden en dat, bij gebreke aan nationale overgangsbepalingen, de verwijzende rechter op grond van § 77, lid 1, eerste volzin, AsylG zijn beslissing in de hoofdgedingen moet baseren op de feiten en het recht zoals deze ten tijde van de laatste terechtzitting voor die rechter van toepassing waren of, als er geen terechtzitting wordt gehouden, op de datum waarop de beslissing wordt gegeven, en bijgevolg op § 29 AsylG in de versie die op die datum van toepassing was, tenzij artikel 52, eerste alinea, van de procedurerichtlijn zich ertegen verzet dat die versie onmiddellijk wordt toegepast op verzoeken die voor de datum van inwerkingtreding van die richtlijn zijn ingediend, maar waarop nog geen definitief besluit is genomen.
68
In dat verband moet ten eerste worden vastgesteld dat een nationale bepaling als § 77, lid 1, eerste volzin, AsylG verzekert dat verzoeken om internationale bescherming die in dezelfde periode op het Duitse grondgebied zijn ingediend en waarop nog geen definitief besluit is genomen op de datum van inwerkingtreding van § 29, lid 1, punt 2, AsylG, op voorspelbare en uniforme wijze worden onderzocht.
69
Ten tweede volgt uit de overwegingen in de punten 64 en 65 van het onderhavige arrest dat artikel 52, eerste alinea, van de procedurerichtlijn zich niet ertegen verzet dat een nationale bepaling waarbij de aanvullende niet-ontvankelijkheidsgrond die is genoemd in artikel 33, lid 2, onder a), van die richtlijn is omgezet, op grond van het nationaal recht ratione temporis van toepassing is op asielverzoeken die zijn ingediend vóór 20 juli 2015 en vóór de inwerkingtreding van die omzettingsbepaling, maar waarop nog geen definitief besluit is genomen.
70
Ten derde, hoewel artikel 52, eerste alinea, van de procedurerichtlijn zich in beginsel evenmin ertegen verzet dat de bepalingen van die richtlijn onmiddellijk worden toegepast op verzoeken die vóór de inwerkingtreding van die richtlijn zijn ingediend, dient evenwel te worden vastgesteld dat een onmiddellijke toepassing van de aanvullende niet-ontvankelijkheidsgrond van artikel 33, lid 2, onder a), van die richtlijn op haar grenzen stoot in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding in zaak C-438/17, waarin zowel het in Duitsland ingediende asielverzoek als het verzoek tot terugname is ingediend vóór 1 januari 2014, zodat dit verzoek overeenkomstig artikel 49 van de Dublin III-verordening nog ten volle onder de Dublin II-verordening valt.
71
De procedurerichtlijn, die is vastgesteld op dezelfde dag als de Dublin III-verordening, voorziet namelijk net als die verordening, ten opzichte van richtlijn 2005/85 die daaraan voorafging en die uitsluitend de asielprocedure regelde, in een uitbreiding van de werkingssfeer ervan tot verzoeken om internationale bescherming. Het is in dit ruimere regelgevingskader dat de aanvullende niet-ontvankelijkheidsgrond van artikel 33, lid 2, onder a), van de procedurerichtlijn is ingevoerd, op grond waarvan lidstaten een asielverzoek ook niet-ontvankelijk kunnen verklaren wanneer een andere lidstaat de verzoeker geen asiel, maar enkel subsidiaire bescherming heeft verleend.
72
Voorts, terwijl artikel 25, lid 1, van richtlijn 2005/85 naar de Dublin II-verordening verwijst, verwijst artikel 33, lid 1, van de procedurerichtlijn naar de Dublin III-verordening.
73
Uit de opzet van de Dublin III-verordening en die van de procedurerichtlijn en uit de bewoordingen van artikel 33, lid 1, van die richtlijn volgt dus dat de in artikel 33, lid 2, onder a), van die richtlijn genoemde aanvullende niet-ontvankelijkheidsgrond niet van toepassing is op een asielverzoek dat nog ten volle onder de Dublin II-verordening valt.
74
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 en op de vragen in zaak C-438/17 worden geantwoord dat artikel 52, eerste alinea, van de procedurerichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat mag bepalen dat de nationale bepaling waarbij artikel 33, lid 2, onder a), van die richtlijn wordt omgezet, onmiddellijk van toepassing is op asielverzoeken waarop nog geen definitief besluit is genomen, die zijn ingediend vóór 20 juli 2015 en vóór de inwerkingtreding van die nationale bepaling. Artikel 52, eerste alinea, gelezen in het licht van met name genoemd artikel 33, verzet zich daarentegen tegen een dergelijke onmiddellijke toepassing in een situatie waarin zowel het asielverzoek als het verzoek tot terugname is ingediend vóór de inwerkingtreding van de procedurerichtlijn en, overeenkomstig artikel 49 van de Dublin III-verordening, nog ten volle onder de Dublin II-verordening valt.
Tweede vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17
75
Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat de verwijzende rechter met die vraag wenst te vernemen of artikel 33 van de procedurerichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten een asielverzoek niet-ontvankelijk mogen verklaren op grond van artikel 33, lid 2, onder a), zonder dat zij bij voorrang gebruik moeten maken van de procedures tot overname of terugname die zijn neergelegd in de verordeningen Dublin II of Dublin III.
76
Volgens artikel 33, lid 1, van de procedurerichtlijn zijn de lidstaten, naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig de Dublin III-verordening, niet verplicht te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig de kwalificatierichtlijn, indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht. In artikel 33, lid 2, wordt een exhaustieve opsomming gegeven van de situaties waarin de lidstaten een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk kunnen beschouwen.
77
Uit de bewoordingen van artikel 33, lid 1, van de procedurerichtlijn, met name uit het gebruik van de bewoordingen ‘naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig de [Dublin III-verordening]’, en uit de doelstelling van proceseconomie die met die bepaling wordt nagestreefd, volgt dat de lidstaten in de situaties die zijn genoemd in artikel 33, lid 2, van die richtlijn, een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk mogen verklaren zonder dat zij bij voorrang gebruik moeten maken van de procedures tot overname of terugname die zijn neergelegd in de Dublin III-verordening.
78
Wat verzoeken om internationale bescherming betreft als die welke aan de orde zijn in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17, die deels onder de Dublin III-verordening vallen, kan een lidstaat bovendien in het kader van de in die verordening neergelegde procedures een andere lidstaat niet rechtsgeldig verzoeken om de overname of terugname van een onderdaan van een derde land die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in eerstbedoelde lidstaat nadat hem in laatstbedoelde lidstaat subsidiaire bescherming was verleend.
79
In die situatie heeft de Uniewetgever zich namelijk op het standpunt gesteld dat een dergelijk verzoek om internationale bescherming moest worden afgewezen middels een besluit van niet-ontvankelijkheid krachtens artikel 33, lid 2, onder a), van de procedurerichtlijn, en niet middels een besluit tot overdracht of niet-behandeling krachtens artikel 26 van de Dublin III-verordening (zie beschikking van 5 april 2017, Ahmed, C-36/17, EU:C:2017:273, punten 39 en 41).
80
Derhalve moet op de tweede vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 worden geantwoord dat in een situatie als aan de orde in die zaken, artikel 33 van de procedurerichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten een asielverzoek niet-ontvankelijk mogen verklaren op grond van artikel 33, lid 2, onder a), zonder dat zij bij voorrang gebruik moeten of kunnen maken van de procedures tot overname of terugname die zijn neergelegd in de Dublin III-verordening.
Derde en vierde vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17
81
Met die vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter ten eerste te vernemen of artikel 33, lid 2, onder a), van de procedurerichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat krachtens de door die bepaling verleende bevoegdheid een verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus niet-ontvankelijk verklaart omdat aan de verzoeker reeds subsidiaire bescherming is verleend in een andere lidstaat, wanneer de levensomstandigheden voor personen met een subsidiairebeschermingsstatus in die andere lidstaat in strijd zijn met artikel 4 van het Handvest, dan wel niet voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk VII van de kwalificatierichtlijn, zonder evenwel in strijd te zijn met artikel 4 van het Handvest. De verwijzende rechter vraagt of dit in voorkomend geval ook het geval is wanneer die personen met een subsidiairebeschermingsstatus in die andere lidstaat geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of slechts voorzieningen die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, maar deze personen in dit opzicht niet anders worden behandeld dan de onderdanen van deze lidstaat.
82
Ten tweede vraagt de verwijzende rechter of artikel 33, lid 2, onder a), van de procedurerichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat diezelfde bevoegdheid uitoefent wanneer de asielprocedure in de andere lidstaat werd en nog steeds wordt gekenmerkt door structurele tekortkomingen.
83
Wat ten eerste de in punt 81 van het onderhavige arrest bedoelde situatie betreft, moet in herinnering worden gebracht dat het Unierecht steunt op de fundamentele premisse dat elke lidstaat met alle andere lidstaten een reeks gemeenschappelijke waarden deelt waarop de Unie berust, en dat elke lidstaat erkent dat de andere lidstaten deze waarden met hem delen, zoals is bepaald in artikel 2 VEU. Deze premisse impliceert en rechtvaardigt dat de lidstaten er onderling op vertrouwen dat de andere lidstaten deze waarden erkennen en het Unierecht, dat deze waarden ten uitvoer brengt, dus in acht nemen, en dat hun respectieve nationale rechtsordes in staat zijn een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden van de in het Handvest erkende grondrechten, met name in de artikelen 1 en 4 van het Handvest, waarin een van de fundamentele waarden van de Unie en haar lidstaten is vastgelegd (arrest van heden, Jawo, C-163/17, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84
Het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten is in het Unierecht van wezenlijk belang, aangezien het de mogelijkheid biedt om een ruimte zonder binnengrenzen te verwezenlijken en in stand te houden. Meer in het bijzonder vereist het beginsel van wederzijds vertrouwen, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, met name, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen (arrest van heden, Jawo, C-163/17, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85
Bijgevolg moet in het kader van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel worden aangenomen dat de behandeling van personen die om internationale bescherming verzoeken, in elke lidstaat in overeenstemming is met de vereisten van het Handvest, het Verdrag van Genève en het EVRM (arrest van heden, Jawo, C-163/17, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit is met name het geval bij de toepassing van artikel 33, lid 2, onder a), van de procedurerichtlijn, dat in het kader van de bij die richtlijn ingevoerde gemeenschappelijke asielprocedure, een uitdrukking van het beginsel van wederzijds vertrouwen vormt.
86
Toch kan niet worden uitgesloten dat de werking van dit stelsel in de praktijk in een bepaalde lidstaat grote moeilijkheden ondervindt, en dat dus een ernstig risico bestaat dat personen die om internationale bescherming verzoeken, in die lidstaat worden behandeld op een wijze die hun grondrechten schendt (zie arrest van heden, Jawo, C-163/17, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87
In dit verband zij erop gewezen dat, gelet op de algemene en absolute aard van het in artikel 4 van het Handvest opgenomen verbod, dat nauw verband houdt met de eerbiediging van de menselijke waardigheid en dat zonder enige mogelijkheid tot afwijking alle vormen van onmenselijke of vernederende behandeling verbiedt, voor de toepassing van artikel 4 niet van belang is of de betrokken persoon een ernstig risico loopt op een dergelijke behandeling op het moment zelf van de overdracht, dan wel tijdens de asielprocedure of na afloop daarvan (zie naar analogie arrest van heden, Jawo, C-163/17, punt 88).
88
Wanneer de rechter bij wie beroep wordt ingesteld tegen een besluit waarbij een nieuw verzoek om internationale bescherming is afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, over gegevens beschikt die de verzoeker heeft overgelegd om aan te tonen dat er in de lidstaat die reeds subsidiaire bescherming heeft verleend, een dergelijk risico bestaat, is deze rechter dan ook ertoe gehouden om op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingsniveau van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, te oordelen of er sprake is van tekortkomingen die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken (zie naar analogie arrest van heden, Jawo, C-163/17, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89
In dat verband dient te worden benadrukt dat de in het vorige punt van het onderhavige arrest vermelde tekortkomingen alleen dan onder artikel 4 van het Handvest vallen — welk artikel overeenstemt met artikel 3 EVRM en waarvan de inhoud en reikwijdte dus krachtens artikel 52, lid 3, van het Handvest dezelfde zijn als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend — wanneer die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, wat afhangt van alle gegevens de zaak (arrest van heden, Jawo, C-163/17, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
90
Deze bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid (arrest van heden, Jawo, C-163/17, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91
Die drempel wordt dus niet bereikt in situaties die, ook al worden zij gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de betrokken persoon, geen zeer verregaande materiële deprivatie meebrengen waardoor deze persoon in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling (arrest van heden, Jawo, C-163/17, punt 93).
92
Gelet op de vragen die in dit verband bij de verwijzende rechter rijzen, dient erop te worden gewezen dat, in het licht van het belang van het beginsel van wederzijds vertrouwen voor het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, schendingen van de bepalingen van hoofdstuk VII van de kwalificatierichtlijn die niet leiden tot een schending van artikel 4 van het Handvest, de lidstaten niet beletten de bij artikel 33, lid 2, onder a), van de procedurerichtlijn verleende bevoegdheid uit te oefenen.
93
De eveneens door de verwijzende rechter vermelde omstandigheid dat personen die subsidiaire bescherming genieten in de lidstaat die de verzoeker een dergelijke bescherming heeft verleend, geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of voorzieningen genieten die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, zonder dat zij evenwel anders worden behandeld dan de onderdanen van deze lidstaat, kan alleen dan leiden tot de vaststelling dat de verzoeker er wordt blootgesteld aan een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van het Handvest, wanneer die omstandigheid tot gevolg heeft dat die verzoeker vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, die beantwoordt aan de in de punten 89 tot en met 91 van het onderhavige arrest genoemde criteria.
94
Hoe dan ook kan op basis van het enkele feit dat de sociale bescherming en/of de levensomstandigheden gunstiger zijn in de lidstaat waar het nieuwe verzoek om internationale bescherming is ingediend dan in de lidstaat die reeds subsidiaire bescherming heeft verleend, niet worden geconcludeerd dat de betrokken persoon bij overdracht aan die lidstaat, zal worden blootgesteld aan een reëel gevaar voor een behandeling die onverenigbaar is met artikel 4 van het Handvest (zie naar analogie arrest van heden, Jawo, C-163/17, punt 97).
95
Wat ten tweede de in punt 82 van het onderhavige arrest bedoelde situatie betreft, volgt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de door de verwijzende rechter genoemde tekortkomingen in de asielprocedure volgens die rechter zien op het feit dat de lidstaat die subsidiaire bescherming heeft verleend, op voorspelbare wijze en in strijd met de kwalificatierichtlijn weigert om personen die om internationale bescherming verzoeken, de vluchtelingenstatus te verlenen, en in strijd met artikel 40, lid 3, van de procedurerichtlijn daarenboven verzuimt om volgende verzoeken nader te onderzoeken ondanks het bestaan van nieuwe elementen of bevindingen die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als vluchteling in aanmerking komt.
96
De verwijzende rechter vraagt in dat verband of uit de bepalingen van artikel 18 van het Handvest juncto artikel 78 VWEU in een dergelijke situatie een verplichting volgt voor een lidstaat om het nieuwe verzoek om internationale bescherming te onderzoeken, in weerwil van een nationale bepaling waarbij uitvoering is gegeven aan artikel 33, lid 2, onder a), van de procedurerichtlijn.
97
In herinnering dient te worden gebracht dat zowel de kwalificatierichtlijn als de procedurerichtlijn is vastgesteld op grond van artikel 78 VWEU en erop zijn gericht de in dat artikel gestelde doelstelling te verwezenlijken en de naleving van artikel 18 van het Handvest te waarborgen.
98
Volgens de kwalificatierichtlijn en met name artikel 13 ervan, zijn de lidstaten verplicht de vluchtelingenstatus te verlenen aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en III als vluchteling wordt erkend. Om te bepalen of dat het geval is, moeten zij overeenkomstig artikel 4, lid 3, van die richtlijn ieder verzoek om internationale bescherming op individuele basis beoordelen. Alleen wanneer de lidstaten na een dergelijke individuele beoordeling vaststellen dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt niet aan de in hoofdstuk III gestelde voorwaarden, maar aan die van hoofdstuk V van die richtlijn voldoet, kunnen zij hem de subsidiairebeschermingsstatus in plaats van de vluchtelingenstatus toekennen.
99
Indien een asielprocedure in een lidstaat tot gevolg zou hebben dat de vluchtelingenstatus systematisch, zonder dat er een werkelijk onderzoek wordt gevoerd, wordt geweigerd aan personen die om internationale bescherming verzoeken en die voldoen aan de voorwaarden van de hoofdstukken II en III van de kwalificatierichtlijn, kan de behandeling van asielzoekers in die lidstaat niet worden aangemerkt als in overeenstemming met de uit artikel 18 van het Handvest voortvloeiende verplichtingen.
100
De andere lidstaten kunnen het door betrokkene bij hen ingediende nieuwe verzoek echter niet-ontvankelijk verklaren overeenkomstig artikel 33, lid 2, onder a), van de procedurerichtlijn, gelezen in het licht van het beginsel van wederzijds vertrouwen. In een dergelijk geval staat het aan de lidstaat die de subsidiaire bescherming heeft toegekend om de procedure tot toekenning van de vluchtelingenstatus te hervatten.
101
Uit bovenstaande overwegingen volgt dat de derde en de vierde vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 als volgt moeten worden beantwoord:
- —
Artikel 33, lid 2, onder a), van de procedurerichtlijn moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat een lidstaat krachtens de door die bepaling verleende bevoegdheid een verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus niet-ontvankelijk verklaart omdat aan de verzoeker in een andere lidstaat subsidiaire bescherming is verleend, wanneer de voorzienbare levensomstandigheden van die verzoeker als persoon die subsidiaire bescherming geniet in die andere lidstaat, hem niet blootstellen aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest. De omstandigheid dat personen die een dergelijke subsidiaire bescherming genieten in die lidstaat geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of voorzieningen genieten die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, zonder dat zij evenwel anders worden behandeld dan de onderdanen van die lidstaat, kan alleen dan leiden tot de vaststelling dat die verzoeker er wordt blootgesteld aan een dergelijk risico, wanneer die omstandigheid tot gevolg heeft dat de verzoeker vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie.
- —
Artikel 33, lid 2, onder a), van de procedurerichtlijn moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat een lidstaat diezelfde bevoegdheid uitoefent wanneer de asielprocedure in de andere lidstaat die de verzoeker subsidiaire bescherming heeft toegekend, ertoe leidt dat de vluchtelingenstatus systematisch, zonder dat er een werkelijk onderzoek wordt gevoerd, wordt geweigerd aan personen die om internationale bescherming verzoeken en die voldoen aan de voorwaarden van de hoofdstukken II en III van de kwalificatierichtlijn.
Vijfde vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17
102
Gelet op het antwoord op met name de tweede vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17, hoeft niet meer te worden geantwoord op de vijfde vraag in die zaken.
Kosten
103
Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 52, eerste alinea, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat mag bepalen dat de nationale bepaling waarbij artikel 33, lid 2, onder a), van die richtlijn wordt omgezet, onmiddellijk van toepassing is op asielverzoeken waarop nog geen definitief besluit is genomen, die zijn ingediend vóór 20 juli 2015 en vóór de inwerkingtreding van die nationale bepaling. Artikel 52, eerste alinea, gelezen in het licht van met name genoemd artikel 33, verzet zich daarentegen tegen een dergelijke onmiddellijke toepassing in een situatie waarin zowel het asielverzoek als het verzoek tot terugname is ingediend vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2013/32 en, overeenkomstig artikel 49 van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, nog ten volle valt onder verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend.
- 2)
In een situatie als aan de orde in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17, moet artikel 33 van richtlijn 2013/32 aldus worden uitgelegd dat de lidstaten een asielverzoek niet-ontvankelijk mogen verklaren op grond van artikel 33, lid 2, onder a), zonder dat zij bij voorrang gebruik moeten of kunnen maken van de procedures tot overname of terugname die zijn neergelegd in verordening nr. 604/2013.
- 3)
Artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat een lidstaat krachtens de door die bepaling verleende bevoegdheid een verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus niet-ontvankelijk verklaart omdat aan de verzoeker in een andere lidstaat subsidiaire bescherming is verleend, wanneer de voorzienbare levensomstandigheden van die verzoeker als persoon die subsidiaire bescherming geniet in die andere lidstaat, hem niet blootstellen aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De omstandigheid dat personen die een dergelijke subsidiaire bescherming genieten, in die lidstaat geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of voorzieningen genieten die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, zonder dat zij evenwel anders worden behandeld dan de onderdanen van die lidstaat, kan alleen dan leiden tot de vaststelling dat de verzoeker er wordt blootgesteld aan een dergelijk risico, wanneer die omstandigheid tot gevolg heeft dat de verzoeker vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie.
Artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat een lidstaat diezelfde bevoegdheid uitoefent wanneer de asielprocedure in de andere lidstaat die de verzoeker subsidiaire bescherming heeft toegekend, ertoe leidt dat de vluchtelingenstatus systematisch, zonder dat er een werkelijk onderzoek wordt gevoerd, wordt geweigerd aan personen die om internationale bescherming verzoeken en die voldoen aan de voorwaarden van de hoofdstukken II en III van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑03‑2019
Conclusie 25‑07‑2018
M. Wathelet
Partij(en)
Gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/171.
Bashar Ibrahim (C-297/17),
Mahmud Ibrahim (C-318/17),
Fadwa Ibrahim (C-318/17),
Bushra Ibrahim (C-318/17),
Mohammad Ibrahim, wettig vertegenwoordigd door Fadwa en Mahmud Ibrahim (C-318/17),
Ahmad Ibrahim, wettig vertegenwoordigd door Fadwa en Mahmud Ibrahim (C-318/17),
Nisreen Sharqawi (C-319/17),
Yazan Fattayrji, wettig vertegenwoordigd door Nisreen Sharqawi (C-319/17),
Hosam Fattayrji, wettig vertegenwoordigd door Nisreen Sharqawi
(C-319/17)
tegen
Bondsrepubliek Duitsland
en
Bondsrepubliek Duitsland
tegen
Taus Magamadov (C-438/17)
[verzoeken om een prejudiciële beslissing van het Bundesverwaltungsgericht (hoogste federale bestuursrechter, Duitsland)]
1.
De verzoeken om een prejudiciële beslissing in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 hebben betrekking op de uitlegging van enerzijds artikel 33, lid 2, onder a), en artikel 52, lid 1, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming2. en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’), en anderzijds de artikelen 20 e.v. van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming3..
2.
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van drie gedingen tussen Bashar Ibrahim (zaak C-297/17), Mahmud Ibrahim, Fadwa Ibrahim, Bushra Ibrahim, de minderjarige kinderen Mohammad en Ahmad Ibrahim (zaak C-318/17), en Nisreen Sharqawi en haar minderjarige kinderen Yazan en Hosam Fattayrji (zaak C-319/17), staatloze Palestijnse asielzoekers uit Syrië, en de Bondsrepubliek Duitsland naar aanleiding van de besluiten van het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Federaal Bureau voor migratie en vluchtelingen, Duitsland; hierna: ‘Bundesamt’) waarbij aan deze personen asiel is geweigerd op grond dat zij Duitsland waren binnengekomen vanuit een veilig derde land.
3.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-438/17 heeft betrekking op de uitlegging van artikel 33, lid 2, onder a), en artikel 52, lid 1, van richtlijn 2013/32.
4.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Bondsrepubliek Duitsland en Taus Magamadov, een asielzoeker met de Russische nationaliteit die stelt Tsjetsjeens te zijn en in Polen woonachtig was, naar aanleiding van een besluit van het Bundesamt waarbij hem asiel is geweigerd op grond dat hij Duitsland was binnengekomen vanuit een veilig derde land.
I. Toepasselijk recht
A. Internationaal recht
1. Verdrag van Genève
5.
Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, zoals ondertekend te Genève op 28 juli 19514., is in werking getreden op 22 april 1954. Het is aangevuld door het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, zoals ondertekend te New York op 31 januari 1967 en in werking getreden op 4 oktober 1967 (hierna: ‘Verdrag van Genève’). Artikel 21 ervan draagt als opschrift ‘Huisvesting’ en bepaalt:
‘Wat de huisvesting betreft, zullen de Verdragsluitende Staten, voor zover deze aangelegenheid geregeld is bij de wet of door voorschriften dan wel onderworpen is aan overheidstoezicht, de regelmatig op hun grondgebied verblijvende vluchtelingen zo gunstig mogelijk behandelen en in elk geval niet minder gunstig dan vreemdelingen in het algemeen onder dezelfde omstandigheden.’
2. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
6.
Onder het opschrift ‘Verbod van foltering’ bepaalt artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: ‘EVRM’):
‘Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.’
B. Unierecht
1. Handvest
7.
Artikel 1 van het Handvest, met als opschrift ‘De menselijke waardigheid’, luidt als volgt:
‘De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.’
8.
Artikel 4 van het Handvest, met als opschrift ‘Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen’, bepaalt:
‘Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.’
Artikel 18 van het Handvest, met als opschrift ‘Het recht op asiel’, bepaalt:
‘Het recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie […].’
9.
Artikel 51 van het Handvest, getiteld ‘Toepassingsgebied’, bepaalt in lid 1 ervan:
‘De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.’
10.
Artikel 52 van het Handvest, getiteld ‘Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen’, bepaalt in lid 3 ervan:
‘Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het [EVRM], zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.’
2. Richtlijn 2013/32
11.
Artikel 33 van richtlijn 2013/32, met als opschrift ‘Niet-ontvankelijke verzoeken’, bepaalt:
- ‘1.
Naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig verordening (EU) nr. 604/2013, zijn de lidstaten niet verplicht te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95/EU, indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht.
- 2.
De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer:
- a)
een andere lidstaat internationale bescherming heeft toegekend;
[…]’
12.
Artikel 40 van deze richtlijn, getiteld ‘Volgende verzoeken’, bepaalt:
‘[…]
- 2.
[…] een volgend verzoek om internationale bescherming [wordt] eerst aan een voorafgaand onderzoek onderworpen om uit te maken of er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of door de verzoeker zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt krachtens richtlijn 2011/95/EU.
- 3.
Indien uit het in lid 2 bedoelde voorafgaande onderzoek wordt geconcludeerd dat er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt krachtens richtlijn 2011/95/EU, wordt het verzoek verder behandeld overeenkomstig hoofdstuk II. De lidstaten kunnen ook in andere redenen voorzien om een volgende verzoek verder te behandelen.
- 4.
De lidstaten kunnen bepalen dat het verzoek enkel verder wordt behandeld indien de betrokken verzoeker buiten zijn toedoen de in de leden 2 en 3 van dit artikel beschreven situaties in het kader van de vorige procedure niet kon doen gelden, in het bijzonder door zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens artikel 46 uit te oefenen.
[…]’
13.
Artikel 51, lid 1, van voornoemde richtlijn bepaalt:
‘De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 20 juli 2015 aan de artikelen 1 tot en met 30, artikel 31, leden 1, 2 en 6 tot en met 9, de artikelen 32 tot en met 46, de artikelen 49 en 50 en bijlage I, te voldoen. Zij stellen de Commissie van de tekst van die bepalingen onverwijld in kennis.’
14.
Luidens artikel 52, eerste alinea, van richtlijn 2013/32:
‘De lidstaten passen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen bedoeld in artikel 51, lid 1, toe op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend en op de procedures tot intrekking van de internationale bescherming die zijn ingeleid na 20 juli 2015 of een eerdere datum. Verzoeken die zijn ingediend vóór 20 juli 2015 en procedures tot intrekking van de vluchtelingenstatus die zijn ingeleid vóór die datum zijn onderworpen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen krachtens richtlijn 2005/85/EG [van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus5.].’
C. Duits recht
15.
§ 29 van het Asylgesetz (Asielwet; hierna: ‘AsylG’) is met ingang van 6 augustus 2016 gewijzigd bij het Integrationsgesetz (Integratiewet) van 31 juli 2016 (BGBl. I, S., blz. 1939) en bepaalt:
- ‘(1)
Een asielverzoek is niet-ontvankelijk wanneer
- 1.
een andere lidstaat
- a)
krachtens [de Dublin III-6.]verordening of
- b)
op grond van andere Unierechtelijke bepalingen dan wel bepalingen van een volkenrechtelijk verdrag
voor de toepassing van de asielprocedure verantwoordelijk is […].
- 2.
een andere lidstaat van de Europese Unie reeds de in § 1, lid 1, punt 2 […] bedoelde internationale bescherming heeft toegekend aan de vreemdeling.’
16.
§ 77, lid 1, AsylG luidt:
‘In geschillen in het kader van deze wet baseert de rechter zich op de feiten en het recht zoals deze ten tijde van de laatste terechtzitting van toepassing waren; indien de beslissing niet door een terechtzitting wordt voorafgegaan, is het tijdstip waarop de beslissing wordt gegeven, bepalend […].’
II. Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
A. Zaken C-297/17, C- 318/17 en C- 319/17
17.
De verzoekende partij in zaak C-297/177., Bashar Ibrahim, is de zoon van Mahmud Ibrahim en Fadwa Ibrahim en de broer van de drie overige verzoekers8. die, evenals hun ouders, de verzoekende partijen zijn in zaak C-318/17.
18.
Verzoekers in de hoofdgedingen hebben Syrië in 2012 verlaten en zijn in Bulgarije aangekomen, waar hun bij besluiten van 26 februari en 7 mei 2013 subsidiaire bescherming is toegekend. In november 2013 zijn zij verder gereisd via Roemenië, Hongarije en Oostenrijk om uiteindelijk aan te komen in Duitsland, waar zij op 29 november 2013 een nieuw asielverzoek hebben ingediend.
19.
Op 22 januari 2014 heeft het Bundesamt de Bulgaarse nationale overheid verzocht om de betrokkenen terug te nemen. Bij brieven van 28 januari en 10 februari 2014 heeft voornoemde overheid de betrokken verzoeken afgewezen op grond dat de terugnameregeling van de Dublin III-verordening in casu niet van toepassing was, omdat in Bulgarije reeds subsidiaire bescherming was toegekend aan verzoekers in het hoofdgeding in de zaken C-297/17 en C-318/17. Bovendien zou de plaatselijke grenspolitie de bevoegde Bulgaarse autoriteit zijn.
20.
Bij besluiten van 27 februari en 19 maart 2014 heeft het Bundesamt geweigerd om aan verzoekers in het hoofdgeding in de zaken C-297/17 en C-318/17 asiel te verlenen — zonder hun verzoeken inhoudelijk te beoordelen — op grond dat zij Duitsland waren binnengekomen vanuit een veilig derde land, en heeft het gelast dat zij werden verwijderd naar de Bulgaarse grens.
21.
Bij uitspraken van 20 mei respectievelijk 22 juli 2014 heeft het Verwaltungsgericht (bestuursrechter, Duitsland) de tegen deze besluiten ingestelde beroepen verworpen.
22.
In zijn uitspraken van 18 februari 2016 heeft het Oberverwaltungsgericht (hogere bestuursrechter, Duitsland) de bevelen tot verwijdering naar de Bulgaarse grens nietig verklaard, maar de overige vorderingen afgewezen. Het Oberverwaltungsgericht was van oordeel dat terecht was geweigerd om aan verzoekers in het hoofdgeding in de zaken C-297/17 en C-318/17 asiel te verlenen in Duitsland, omdat zij dit land waren binnengekomen vanuit een veilig derde land. De bevelen tot verwijdering naar de Bulgaarse grens achtte het evenwel onrechtmatig, omdat niet vaststond of de Bulgaarse Republiek nog steeds bereid was om verzoekers in het hoofdgeding in de zaken C-297/17 en C-318/17 over te nemen.
23.
Voornoemde verzoekers hebben bij het Bundesverwaltungsgericht (hoogste federale bestuursrechter, Duitsland) beroep in Revision tegen deze besluiten tot gedeeltelijke afwijzing van hun vorderingen ingesteld. Zij betogen onder meer dat de bij de Dublin III-verordening ingevoerde regeling van toepassing blijft nadat subsidiaire bescherming is verleend. Het Bundesamt stelt zich daarentegen op het standpunt dat de asielverzoeken thans niet-ontvankelijk zijn op grond van § 29, lid 1, punt 2, AsylG, waarvan de inhoud overeenkomt met die van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32.
24.
In deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter besloten de behandeling te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Verzet de overgangsbepaling in artikel 52, eerste alinea, van richtlijn 2013/32/EU zich tegen de toepassing van een nationale regeling ter omzetting van artikel 33, lid 2, onder a), van deze richtlijn — waarbij een ruimere bevoegdheid wordt verleend dan bij de vorige regeling — volgens welke een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is wanneer aan de verzoeker in een andere lidstaat subsidiaire bescherming is verleend, voor zover deze nationale regeling bij ontstentenis van een nationale overgangsregeling ook van toepassing is op vóór 20 juli 2015 ingediende verzoeken?
Staat de overgangsbepaling in artikel 52, eerste alinea, van richtlijn 2013/32/EU de lidstaten in het bijzonder toe om de ruimere bevoegdheid die wordt verleend door artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32/EU met terugwerkende kracht aan te wenden, waardoor ook asielverzoeken die vóór de omzetting van deze ruimere bevoegdheid in nationaal recht zijn ingediend maar waarop ten tijde van de omzetting nog geen definitief besluit is genomen, niet-ontvankelijk zijn?
- 2)
Geeft artikel 33 van richtlijn 2013/32/EU de lidstaten het recht om te kiezen of zij een asielverzoek niet-ontvankelijk verklaren op grond dat een andere lidstaat internationaal verantwoordelijk is (Dublin-verordening) dan wel op grond van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32?
- 3)
Voor het geval dat de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: verzet het Unierecht zich ertegen dat een lidstaat krachtens de door artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32/EU verleende bevoegdheid een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaart op grond dat in een andere lidstaat subsidiaire bescherming is verleend, wanneer
- a)
de verzoeker een ruimere bescherming verlangt dan de hem in een andere lidstaat verleende subsidiaire bescherming (namelijk die van de vluchtelingenstatus) en de asielprocedure in de andere lidstaat werd en nog steeds wordt gekenmerkt door structurele tekortkomingen, of,
- b)
de wijze waarop de internationale bescherming in de andere lidstaat — waar de verzoeker reeds subsidiaire bescherming heeft verkregen — is georganiseerd, waaronder met name de levensomstandigheden voor personen met een subsidiaire-beschermingsstatus,
- —
in strijd is met artikel 4 van het Handvest, respectievelijk artikel 3 EVRM, dan wel
- —
niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 20 e.v. van richtlijn 2011/95/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming], zonder evenwel in strijd te zijn met artikel 4 van het Handvest, respectievelijk artikel 3 EVRM?
- 4)
Voor het geval dat de derde vraag, onder b), bevestigend moet worden beantwoord: geldt dit ook wanneer personen met een subsidiaire-beschermingsstatus geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of slechts voorzieningen die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, maar deze personen in dit opzicht niet anders worden behandeld dan de onderdanen van deze lidstaat?
- 5)
Voor het geval dat de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord:
- a)
is de Dublin III-verordening van toepassing in een procedure ter verkrijging van internationale bescherming wanneer het asielverzoek vóór 1 januari 2014, maar het terugnameverzoek pas na 1 januari 2014 is ingediend, en de verzoeker voordien (in februari 2013) reeds subsidiaire bescherming had verkregen in de aangezochte lidstaat?
- b)
ligt in de Dublin-regelingen de — ongeschreven — regel vervat dat de verantwoordelijkheid overgaat op de lidstaat die om terugname van een verzoeker verzoekt wanneer de aangezochte verantwoordelijke lidstaat de tijdig voorgestelde terugname volgens de Dublin-voorschriften heeft geweigerd en in plaats daarvan heeft verwezen naar een internationale terugnameovereenkomst?’
B. Zaak C-438/17
25.
In 2007 heeft Magamadov een asielverzoek in Polen ingediend, waar hem bij besluit van 13 oktober 2008 subsidiaire bescherming is toegekend. In juni 2012 is hij met vrouw en kind Duitsland binnengekomen, waar hij op 19 juni 2012 een asielverzoek heeft ingediend.
26.
Op 13 februari 2013 heeft het Bundesamt een verzoek om terugname ingediend bij de Poolse autoriteiten, die op 18 februari 2013 te kennen hebben gegeven dat zij bereid waren Magamadov en zijn gezin terug te nemen.
27.
Bij besluit van 13 maart 2013 heeft het Bundesamt, zonder tot een inhoudelijke beoordeling over te gaan, de asielverzoeken van Magamadov en zijn gezin niet-ontvankelijk verklaard op grond dat de Poolse Republiek de voor de behandeling van deze verzoeken verantwoordelijke lidstaat was, en heeft het hun overdracht aan Polen gelast. Omdat de overdracht wegens medische problemen van de echtgenote van Magamadov niet binnen de gestelde termijn kon plaatsvinden, heeft het Bundesamt bij besluit van 24 september 2013 zijn besluit van 13 maart 2013 ingetrokken, overwegende dat de Bondsrepubliek Duitsland als gevolg van het verstrijken van deze termijn de verantwoordelijke lidstaat was geworden.
28.
Bij besluit van 23 juni 2014 heeft het Bundesamt aan verzoeker internationale bescherming en asiel geweigerd, omdat hij Duitsland was binnengekomen vanuit Polen, en heeft het zijn verwijdering naar laatstgenoemde lidstaat gelast.
29.
Bij uitspraak van 19 mei 2015 heeft het Verwaltungsgericht het tegen dat besluit ingestelde beroep verworpen.
30.
Bij uitspraak van 21 april 2016 heeft het Oberverwaltungsgericht het besluit van het Bundesamt van 23 juni 2014 nietig verklaard.
31.
Het Oberverwaltungsgericht achtte de in artikel 16 bis, lid 2, eerste volzin, van het Grundgesetz neergelegde regel dat aan een vreemdeling geen asiel wordt verleend wanneer hij uit een veilig land komt, niet van toepassing in het hoofdgeding. Het verwees dienaangaande naar de uitzonderingsbepaling in § 26 bis, lid 1, derde volzin, punt 2, AsylG, op grond waarvan de regel van het veilige land buiten beschouwing blijft wanneer, zoals in casu, de Bondsrepubliek Duitsland op grond van het Unierecht de verantwoordelijke lidstaat is geworden. Aangezien het asielverzoek in het hoofdgeding was ingediend vóór 20 juli 2015, was volgens deze rechter richtlijn 2005/85 van toepassing. Ingevolge artikel 25, lid 2, van deze richtlijn mag een asielverzoek enkel zonder inhoudelijke beoordeling worden afgewezen wanneer de betrokken persoon in een andere lidstaat als vluchteling is erkend.
32.
De Bondsrepubliek Duitsland heeft tegen deze uitspraak beroep in Revision ingesteld bij het Bundesverwaltungsgericht. Zij stelt onder meer dat het asielverzoek in het hoofdgeding niet-ontvankelijk is krachtens § 29, lid 1, punt 2, AsylG, waarvan de inhoud overeenkomt met die van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32, aangezien aan verzoeker internationale bescherming is toegekend in Polen.
33.
Magamadov stelt zich op het standpunt dat zijn op 19 juni 2012 ingediende asielverzoek wel degelijk ontvankelijk is, omdat de Poolse Republiek hem niet de vluchtelingenstatus heeft toegekend maar slechts subsidiaire bescherming.
34.
De verwijzende rechter merkt op dat het besluit van het Bundesamt van 23 juni 2014 is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2013/32 en dat de Dublin II-verordening en niet de Dublin III-verordening van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding.
35.
In deze omstandigheden heeft het Bundesverwaltungsgericht besloten de behandeling te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Verzet de overgangsbepaling in artikel 52, eerste alinea, van richtlijn 2013/32/EU zich tegen de toepassing van een nationale regeling ter omzetting van artikel 33, lid 2, onder a), van deze richtlijn — waarbij een ruimere bevoegdheid wordt verleend dan bij de vorige regeling — volgens welke een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is wanneer aan de verzoeker in een andere lidstaat subsidiaire bescherming is verleend, voor zover de nationale regeling bij ontstentenis van een nationale overgangsregeling ook van toepassing is op vóór 20 juli 2015 ingediende verzoeken?
Geldt dit in elk geval wanneer het asielverzoek ingevolge artikel 49 van de Dublin III-]verordening […] nog ten volle onder [de Dublin II-]verordening […] valt?
- 2)
Staat de overgangsbepaling in artikel 52, eerste alinea, van richtlijn 2013/32 de lidstaten in het bijzonder toe om de ruimere bevoegdheid die wordt verleend door artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 met terugwerkende kracht aan te wenden, waardoor ook asielverzoeken die vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2013/32 en vóór de omzetting van deze ruimere bevoegdheid in nationaal recht zijn ingediend maar waarop ten tijde van de omzetting nog geen definitief besluit is genomen, niet-ontvankelijk zijn?’
III. Procedure bij het Hof
36.
Bij beslissing van de president van het Hof van 9 juni 2017 zijn de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het eindarrest, omdat de prejudiciële vragen in deze drie zaken identiek zijn.
37.
De verwijzende rechter heeft het Hof verzocht om deze zaken te behandelen volgens de versnelde procedure overeenkomstig artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Op 14 juli 2017 heeft de president van het Hof beslist om dit verzoek niet in te willigen.
38.
De verwijzende rechter heeft het Hof eveneens verzocht om zaak C-438/17 te behandelen volgens de versnelde procedure overeenkomstig artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Op 19 september 2017 heeft de president van het Hof beslist om dit verzoek niet in te willigen.
39.
Bij beslissing van het Hof van 30 januari 2018 zijn de zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17 gevoegd voor de mondelinge behandeling en voor het eindarrest.
40.
In de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoekers in het hoofdgeding, de Duitse, de Franse en de Poolse regering alsook de Europese Commissie.
41.
In zaak C-438/17 zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Duitse, de Poolse en de Hongaarse regering alsook de Commissie.
42.
Tijdens de gemeenschappelijke terechtzitting van 8 mei 2018 in zaak C-163/17 en de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17 hebben verzoekers in het hoofdgeding in die zaken, het Bundesamt, de Duitse, de Belgische, de Italiaanse en de Nederlandse regering alsook de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt.
IV. Analyse
A. Eerste prejudiciële vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 en de twee prejudiciële vragen in zaak C-438/17
43.
De eerste prejudiciële vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17, en de twee prejudiciële vragen in zaak C-438/17 hebben betrekking op de uitlegging van de overgangsbepaling van richtlijn 2013/32, te weten artikel 52, eerste alinea, ervan. Zij strekken er in wezen toe, vast te stellen welke van de twee richtlijnen, richtlijn 2013/32 dan wel richtlijn 2005/85, van toepassing is op het asielverzoek van 29 november 2013 van verzoekers in het hoofdgeding in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17, en op het asielverzoek van 19 juni 2012 van verzoeker in het hoofdgeding in zaak C-438/17.9.
44.
Volgens de verwijzende rechter is een asielverzoek niet-ontvankelijk op grond van § 29, lid 1, punt 2, AsylG, houdende omzetting van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32, wanneer een andere lidstaat van de Unie reeds internationale bescherming aan de vreemdeling heeft toegekend. Hij voegt hieraan toe dat § 77, lid 1, AsylG ‘op zich voorschrijft dat § 29, lid 1, punt 2, AsylG wordt toegepast op verzoeken die vóór de inwerkingtreding ervan zijn ingediend, voor zover op deze verzoeken nog geen definitief besluit is genomen. […] Het vertrouwen dat de betrokkenen erin mogen stellen dat de oude rechtsregeling blijft gelden, weegt volgens deze rechter minder zwaar dan het doel dat met de nieuwe regeling wordt nagestreefd, namelijk om overeenkomstig artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 te voorkomen dat secundaire migratie plaatsvindt nadat bescherming is toegekend’ (zie punt 20 van het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-297/17).
45.
Opmerking verdient dat de lidstaten volgens artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 een verzoek om internationale bescherming, dat wil zeggen een verzoek ter verkrijging van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus, als niet-ontvankelijk mogen beschouwen wanneer internationale bescherming is toegekend door een andere lidstaat.10.
46.
Daarentegen konden de lidstaten op grond van artikel 25, lid 2, onder a), van richtlijn 2005/8511. een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk achten wanneer de vluchtelingenstatus was toegekend door een andere lidstaat. Volgens deze bepaling kon derhalve een verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus niet niet-ontvankelijk worden geacht, indien door een andere lidstaat de subsidiaire-beschermingsstatus was toegekend.12.
47.
Hieruit volgt dat er een duidelijk onderscheid bestaat tussen deze twee bepalingen, aangezien de lidstaten over een ruimere bevoegdheid beschikken om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren krachtens artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 dan krachtens artikel 25, lid 2, onder a), van richtlijn 2005/85.13. Wat de ontvankelijkheid van de verzoeken om internationale bescherming betreft, is het dus van belang te weten welke van deze richtlijnen van toepassing is op de zaken in het hoofdgeding.
48.
Dienaangaande bepaalt artikel 52, eerste alinea, eerste volzin, van richtlijn 2013/32 dat de lidstaten de nationale bepalingen ter omzetting van onder meer artikel 33 van voornoemde richtlijn toepassen op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend en op de procedures tot intrekking van de internationale bescherming die zijn ingeleid na 20 juli 201514.‘of een eerdere datum’.
49.
Uit de voorbereidende werkzaamheden van richtlijn 2013/32 blijkt dat de zinsnede ‘of een eerdere datum’, die niet voorkwam in de tekst van het voorstel van de Commissie [COM(2009) 554], door de Raad in eerste lezing is toegevoegd aan het eind van artikel 52, eerste alinea, eerste volzin, van richtlijn 2013/32.15.
50.
Deze toevoeging ligt ten grondslag aan de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing. Geconstateerd moet worden dat deze bepaling een klassiek voorbeeld is van gebrekkig geformuleerde wetgeving of besluiteloosheid. Het heeft geleid tot tal van juridische procedures en daarmee tot een aanzienlijke verspilling van middelen op nationaal en Europees niveau, om nog maar te zwijgen van de beproevingen, al was het maar wat de termijnen betreft, die de betrokken justitiabelen moesten doorstaan boven op hun andere problemen.
51.
Zonder deze zinsnede zou artikel 52, eerste alinea, eerste volzin, van richtlijn 2013/32 namelijk volkomen duidelijk zijn en zou 20 juli 2015 de enige relevante datum zijn aan de hand waarvan wordt bepaald welke richtlijn van toepassing is. Wat heeft het bovendien voor zin om de bewoordingen ‘na 20 juli2015’ te handhaven, indien tevens wordt gedoeld op verzoeken die vóór die datum zijn ingediend?
52.
Teneinde uit te maken of de datum van 20 juli2015 relevant blijft voor de vaststelling van de toepasselijkheid ratione temporis van richtlijn 2013/32, moet artikel 52, eerste alinea, van richtlijn 2013/32 naar mijn mening in zijn geheel worden gelezen, zoals de Poolse regering en de Commissie hebben opgemerkt.
53.
Volgens artikel 52, eerste alinea, tweede volzin, van richtlijn 2013/32 zijn verzoeken die zijn ingediend vóór 20 juli 2015 en procedures tot intrekking van de vluchtelingenstatus die zijn ingeleid vóór die datum, onderworpen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die krachtens richtlijn 2005/85 zijn vastgesteld.
54.
Uit deze volkomen duidelijk geredigeerde en dwingende bepaling volgt dat de asielverzoeken van verzoekers in het hoofdgeding, die vóór 20 juli 2015 zijn ingediend, zijn onderworpen aan de krachtens richtlijn 2005/85 vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.16. Indien de zinsnede ‘of een eerdere datum’ aan het eind van artikel 52, eerste alinea, eerste volzin, van richtlijn 2013/32 aldus moest worden uitgelegd dat het de lidstaten de mogelijkheid laat om de nationale bepalingen ter omzetting van richtlijn 2013/32 toe te passen op verzoeken die zijn ingediend vóór 20 juli 2015, zou dit haaks staan op het bepaalde in artikel 52, eerste alinea, tweede volzin, van richtlijn 2013/32 en afbreuk doen aan de duidelijke betekenis ervan.
55.
Ik zie niet in waarom we de duidelijke betekenis van artikel 52, eerste alinea, tweede volzin, van richtlijn 2013/32 zouden moeten ‘opofferen’ ten gunste van een zinvolle betekenis vande bewoordingen ‘of een eerdere datum’, die onduidelijkheid hebben geschapen en zelfs een tegenstrijdigheid in de eerste volzin van dezelfde alinea hebben geïntroduceerd. Aangezien richtlijn 2013/32 op het betwiste punt restrictiever is dan richtlijn 2005/85, kan het argument van de Commissie dat artikel 52, eerste alinea, eerste volzin, van richtlijn 2013/32 toestaat dat de bepalingen van deze richtlijn die gunstiger zijn voor asielzoekers met terugwerkende kracht worden toegepast17., zonder meer terzijde worden geschoven.
56.
De enige logische uitlegging van artikel 52, eerste alinea, eerste volzin, van richtlijn 2013/32 is derhalve dat verzoeken die zijn ingediend na 20 juli2015 en procedures tot intrekking van de vluchtelingenstatus die zijn ingeleid na die datum, onderworpen zijn aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zijn vastgesteld ter omzetting van richtlijn 2013/32.
57.
Met zijn eerste vraag in zaak C-438/17 wil de verwijzende rechter tevens vernemen of de omstandigheid dat het in juni 2012 ingediende asielverzoek van verzoeker in het hoofdgeding in deze zaak nog volledig onder de Dublin II-verordening valt18., relevant is voor de uitlegging van artikel 52, eerste alinea, eerste volzin, van richtlijn 2013/32. De verwijzende rechter is namelijk van oordeel dat de toepasselijkheid van de Dublin II-verordening in de onderhavige zaak zich ertegen kan verzetten dat de nationale bepaling19. die op basis van de ruimere bevoegdheid in artikel 33, lid 2, onder a), van voornoemde richtlijn is vastgesteld, met terugwerkende kracht wordt toegepast.20.
58.
Aangezien uit mijn antwoord in punt 54 van deze conclusie voortvloeit dat artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 niet van toepassing is vóór 20 juli 2015, op welke datum de Dublin III-verordening reeds van kracht was, is de vraag of de Dublin II-verordening zich verzet tegen de toepassing met terugwerkende kracht van de nationale bepaling die is vastgesteld op basis van de ruimere bevoegdheid in artikel 33, lid 2, onder a), van voornoemde richtlijn, niet aan de orde.
59.
Met zijn tweede vraag in zaak C-438/17 wil de verwijzende rechter weten of artikel 52, eerste alinea, van richtlijn 2013/32 toestaat dat de ruimere bevoegdheid die wordt verleend door artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32, met terugwerkende kracht wordt aangewend ten aanzien van asielverzoeken waarop ten tijde van de aanwending van deze bevoegdheid nog niet was beslist en die reeds vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2013/32 waren ingediend.21.
60.
Aangezien uit mijn antwoord in punt 54 van deze conclusie voortvloeit dat artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 niet van toepassing is vóór 20 juli 2015, is de vraag of artikel 52, eerste alinea, eerste volzin, van richtlijn 2013/32 toestaat dat de ruimere bevoegdheid in artikel 33, lid 2, onder a), van voornoemde richtlijn met terugwerkende kracht wordt aangewend ten aanzien van asielverzoeken waarop ten tijde van de aanwending van deze bevoegdheid nog niet was beslist en die reeds vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2013/32 waren ingediend, evenmin aan de orde.
61.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat artikel 52, eerste alinea, van richtlijn 2013/32 zich verzet tegen de toepassing op verzoeken om internationale bescherming die vóór 20 juli 2015 zijn ingediend, van een nationale regeling ter omzetting van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 die in een niet-ontvankelijkheidsgrond voorziet wanneeraan de verzoeker subsidiaire bescherming is toegekend in een andere lidstaat. De omstandigheid dat het asielverzoek op grond van artikel 49 van de Dublin III-verordening nog volledig binnen de werkingssfeer van de Dublin II-verordening valt of dat het asielverzoek is ingediend vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2013/32 en vóór de omzetting ervan in nationaal recht, doet niet ter zake.
62.
Geconstateerd moet worden dat het antwoord op de eerste prejudiciële vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17, en op de twee vragen in zaak C-438/17 ertoe leidt dat de overige prejudiciële vragen van de verwijzende rechter in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 zonder voorwerp zijn geraakt. Ik zal deze vragen derhalve slechts onderzoeken voor het geval dat het Hof het door mij voorgestelde antwoord op de eerste vraag niet zou overnemen.
B. Tweede vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17
63.
Met deze prejudiciële vraag, die specifiek betrekking heeft op de uitlegging van artikel 33 van richtlijn 2013/32, wil de verwijzende rechter weten of de lidstaten het recht hebben om te kiezen om een asielverzoek hetzij niet in behandeling te nemen krachtens de Dublin II- en de Dublin III-verordening op grond dat deze verordeningen een andere lidstaat aanwijzen die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming22., hetzij niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32.23.
64.
Naar mijn mening volgt duidelijk uit de bewoordingen van artikel 33, lid 1, van richtlijn 2013/32 en met name uit de zinsnede ‘[n]aast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig [de Dublin III-]verordening’, dat een lidstaat het recht heeft om te kiezen om hetzij een asielverzoek niet in behandeling te nemen op grond dat een andere lidstaat verantwoordelijk is, hetzij het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32.
65.
Ik schaar mij hier achter de Commissie, die in haar opmerkingen stelt24. dat artikel 33, lid 1, van richtlijn 2013/32 geen voorrang of hiërarchie schept tussen de voorschriften ter bepaling van de verantwoordelijke lidstaat en de in artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 bedoelde niet-ontvankelijkheidsgronden. Derhalve is een lidstaat niet verplicht om eerst te onderzoeken of hij al dan niet verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, en mag hij dit verzoek afwijzen wegens een van de in artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 bedoelde niet-ontvankelijkheidsgronden. Bij ontstentenis van een voorrang of hiërarchie tussen de betrokken regels, dringt deze keuzevrijheid zich ook op om redenen van proceseconomie.
C. Derde en vierde vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17
66.
Met zijn derde vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 zich ertegen verzet dat een lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een verzoeker waaraan een andere lidstaat reeds subsidiaire bescherming heeft verleend, niet-ontvankelijk verklaart wanneer, enerzijds, de asielprocedure in die andere lidstaat werd en nog steeds wordt gekenmerkt door structurele tekortkomingen en, anderzijds, de levensomstandigheden voor personen met een subsidiaire beschermingsstatus in die lidstaat in strijd zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 EVRM of niet voldoen aan de vereisten van de artikelen 20 en volgende van richtlijn 2011/95, zonder evenwel in strijd te zijn met artikel 4 van het Handvest.
67.
Met zijn vierde vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 wil de verwijzende rechter weten of het Unierecht zich ertegen verzet dat een lidstaat een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaart uit hoofde van artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 wanneer de personen aan wie deze internationale bescherming is toegekend, geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of slechts voorzieningen die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, maar deze personen in dit opzicht niet anders worden behandeld dan de onderdanen van deze lidstaat en zonder dat dit in strijd is met artikel 4 van het Handvest.
68.
Opgemerkt zij dat het verzoek om een prejudiciële beslissing geen enkele informatie bevat over de procedure tot toekenning van internationale bescherming in Bulgarije of over de levensomstandigheden van personen die in die lidstaat internationale bescherming genieten.
69.
Ik zal het tweede onderdeel van de derde vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 tezamen met de vierde vraag onderzoeken; vervolgens zal ik het eerste onderdeel van de derde vraag bespreken.
1. Tweede onderdeel van de derde vraag en vierde vraag
70.
Deze prejudiciële vraag van de verwijzende rechter strekt ertoe te vernemen of ‘het Unierecht verlangt dat het volgende verzoek van een persoon aan wie in een andere lidstaat subsidiaire bescherming is verleend, in weerwil van een nationale bepaling ter omzetting van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 wordt onderzocht wanneer de levensomstandigheden voor personen met een subsidiaire beschermingsstatus in die lidstaat in strijd zijn met artikel 4 van het Handvest [en] […] artikel 3 EVRM of niet aan de vereisten van de artikelen 20 en volgende van richtlijn 2011/95 voldoen omdat zij onder de daarin voorgeschreven drempel liggen’.
a) Inleidende opmerkingen over artikel 4 van het Handvest
71.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moeten de regels van afgeleid Unierecht in overeenstemming met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten worden uitgelegd en toegepast. Het in artikel 4 van het Handvest neergelegde verbod op onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen is in dat verband van wezenlijk belang, aangezien het absoluut is, omdat het nauw is verbonden met de eerbiediging van de in artikel 1 van het Handvest bedoelde menselijke waardigheid.25.
72.
Het gemeenschappelijk Europees asielstelsel is opgezet in een context waarin mag worden aangenomen dat alle staten die aan dit stelsel deelnemen, ongeacht of het om lidstaten of derde landen gaat, de grondrechten eerbiedigen, daaronder begrepen de rechten die het Verdrag van Genève, het Protocol van 1967 of het EVRM als grondslag hebben, en dat er in dit opzicht wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten kan bestaan. In die omstandigheden heeft het Hof geoordeeld dat moet worden aangenomen dat de behandeling van asielzoekers in elke lidstaat in overeenstemming is met de eisen van het Handvest, met het Verdrag van Genève en met het EVRM.26.
73.
Ondanks dit vermoeden van overeenstemming heeft het Hof eveneens voor recht verklaard, dat niet kan worden uitgesloten dat de werking van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel in de praktijk in een bepaalde lidstaat grote moeilijkheden ondervindt, zodat een ernstig risico bestaat dat asielzoekers, wanneer zij aan deze lidstaat worden overgedragen, worden behandeld op een wijze die hun grondrechten schendt.27.
74.
In punt 99 van het arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865), verduidelijkt het Hof dat ‘de toepassing van [de Dublin III-]verordening […] op basis van een onweerlegbaar vermoeden dat de grondrechten van de asielzoeker in de lidstaat die normaal gesproken bevoegd is om zijn asielverzoek te behandelen worden geëerbiedigd, onverenigbaar is met de verplichting van de lidstaten om [de Dublin III-]verordening […] conform de grondrechten uit te leggen en toe te passen’. Derhalve is er sprake van een weerlegbaar vermoeden van overeenstemming.
75.
Het Hof heeft in de punten 86 tot en met 94 en 106 van zijn arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865), eveneens opgemerkt dat de overdracht van asielzoekers in het kader van het Dublin-systeem in bepaalde omstandigheden onverenigbaar kan zijn met het verbod van artikel 4 van het Handvest. Zo heeft het geoordeeld dat een asielzoeker een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van dat artikel zou lopen in het geval van overdracht aan een lidstaat ten aanzien waarvan ernstig moet worden gevreesd dat het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers er tekortschieten. Op grond van het in voornoemd artikel neergelegde verbod mogen de lidstaten dus in het kader van het Dublin-systeem geen overdracht aan een lidstaat verrichten wanneer zij niet onkundig kunnen zijn van het bestaan van dergelijke tekortkomingen in die lidstaat.28.
76.
Het arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865), is gewezen in een situatie die vergelijkbaar was met die in het arrest van het EHRM van 21 januari 2011, M. S. S. tegen België en Griekenland29. betreffende artikel 3 van het EVRM, te weten de overdracht door de Belgische autoriteiten van een asielzoeker aan Griekenland, de lidstaat die verantwoordelijk was voor de behandeling van diens verzoek.30. In punt 88 van voornoemd arrest, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865), heeft het Hof vastgesteld dat het EHRM onder meer had geoordeeld dat het Koninkrijk België artikel 3 van het EVRM had geschonden door enerzijds de verzoeker bloot te stellen aan de risico's die de tekortkomingen in de asielprocedure in Griekenland meebrachten, aangezien de Belgische autoriteiten wisten of moesten weten dat deze verzoeker geen enkele garantie had dat de Griekse autoriteiten zijn asielverzoek met de nodige zorgvuldigheid zouden behandelen, en door anderzijds de verzoeker bewust bloot te stellen aan detentie- en leefomstandigheden die vernederende behandelingen vormden.31.
77.
Ofschoon de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865), betreffende het bestaan van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in de aangezochte lidstaat, in 2013 is gecodificeerd in artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening, heeft het Hof niettemin voor recht verklaard dat daaruit niet kon worden afgeleid dat elke schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat gevolgen heeft voor de verplichtingen van de overige lidstaten om de bepalingen van de Dublin III-verordening na te leven.32. Het zou namelijk niet in overeenstemming zijn met de doelstellingen en het systeem van de Dublin III-verordening, indien de geringste schending van de voorschriften inzake het gemeenschappelijk asielstelsel zou volstaan om de overdracht van een asielzoeker aan de lidstaat die normaliter bevoegd is, te beletten.33.
78.
Met betrekking tot de risico's die zijn verbonden aan de overdracht op zich van een persoon die om internationale bescherming verzoekt, heeft het Hof in punt 65 van het arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a. (C-578/16 PPU, EU:C:2017:127), geoordeeld dat een overdracht slechts kan plaatsvinden in omstandigheden waarin het uitgesloten is dat deze een reëel risico inhoudt dat de betrokkene wordt onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Het Hof heeft in dit verband rekening gehouden met de bijzonder slechte gezondheidstoestand van de betrokkene34., die ertoe kon leiden dat hij niet aan een andere lidstaat mocht worden overgedragen, zelfs indien geen sprake was van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in de verantwoordelijke lidstaat.
79.
In punt 91 van het arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a. (C-578/16 PPU, EU:C:2017:127), heeft het Hof namelijk het argument van de Commissie dat uit artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening zou voortvloeien dat uitsluitend het bestaan van structurele tekortkomingen in de verantwoordelijke lidstaat van invloed is op de verplichting tot overdracht van een asielzoeker aan de verantwoordelijke lidstaat, uitdrukkelijk verworpen.35.
80.
Het Hof heeft in dit verband de nadruk gelegd op het algemene karakter van artikel 4 van het Handvest, dat alle vormen van onmenselijke of vernederende behandeling verbiedt; het onderstreepte dat het kennelijk onverenigbaar met het absolute karakter van dat verbod zou zijn, indien lidstaten een reëel en bewezen risico op onmenselijke of vernederende behandelingen voor een asielzoeker niet in aanmerking hoefden te nemen met als argument dat dat risico niet voortvloeit uit een structurele tekortkomingin de verantwoordelijke lidstaat.36.
81.
In punt 95 van het arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a. (C-578/16 PPU, EU:C:2017:127), wordt gepreciseerd dat de onmogelijkheid om in de omstandigheden van die zaaktot overdracht over te gaan ‘volledig in overeenstemming is met het beginsel van wederzijds vertrouwen, aangezien deze onmogelijkheid geenszins afbreuk doet aan het vermoeden van eerbiediging van de grondrechten in elke lidstaat, maar juist waarborgt dat de lidstaten naar behoren rekening houden met de uitzonderlijke situaties die aan de orde zijn in [dat] arrest. Overigens zou de onmenselijke en vernederende behandeling die zich zou voordoen indien een lidstaat een asielzoeker in dergelijke omstandigheden zou overdragen, niet — direct of indirect — toerekenbaar zijn aan de autoriteiten van de verantwoordelijke lidstaat, maar enkel aan eerstgenoemde lidstaat.’37.
82.
Deze voorzichtige benadering, waarin de nadruk wordt gelegd op de bescherming van de fundamentele beginselen en de mensenrechten, weerspiegelt ook de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In § 126 van zijn arrest van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland (CE:ECHR:2014:1104JUD002921712), herinnert dat Hof eraan dat ‘de grief van een persoon dat hij zou worden blootgesteld aan door artikel 3 [van het EVRM] verboden behandelingen indien hij werd teruggestuurd naar een derde land, zorgvuldig door een nationale rechter moet worden onderzocht’.
83.
In tegenstelling tot de omstandigheden in de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865), en 16 februari 2017, C. K. e.a. (C-578/16 PPU, EU:C:2017:127), waarbij het eerste geval betrekking had op structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers, en het tweede geval op de overdracht als zodanig van een persoon die om internationale bescherming verzoekt, hebben de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 betrekking op de inaanmerkingneming van de situatie die zich zou kunnen voordoen na toekenning van internationale bescherming in de verantwoordelijke lidstaat.
84.
Voorts hebben de onderhavige prejudiciële vragen geen betrekking op de Dublin III-verordening maar op de niet-ontvankelijkheidsgrond in artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32.
85.
Deze nieuwe omstandigheden zijn nog niet eerder door het Hof onderzocht.
b) Toepassing van artikel 4 van het Handvest
86.
Volgens artikel 51, lid 1, van het Handvest zijn de bepalingen van het Handvest uitsluitend gericht tot de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen.
87.
Naar mijn mening dienen de lidstaten artikel 4 van het Handvest betreffende het verbod op onmenselijke of vernederende behandelingen, dat een absoluut karakter heeft, te eerbiedigen wanneer zij zich beroepen op de niet-ontvankelijkheidsgrond van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32.38.
88.
Op basis van het beginsel van wederzijds vertrouwen moet worden aangenomen dat de behandeling van personen die internationale bescherming genieten in elke lidstaat in overeenstemming is met de vereisten van het Handvest, het Verdrag van Genève en het EVRM.39. Dit vermoeden van overeenstemming wordt versterkt wanneer de lidstaat niet alleen de jure40.maar ook de facto de bepalingen van hoofdstuk VII van richtlijn 2011/95 (‘Kenmerken van de internationale bescherming’) omzet, waarin aan de betrokken persoon een niveau van sociale voorzieningen wordt geboden dat gelijkwaardig is aan of zelfs hoger is dan dat waarin het Verdrag van Genève voorziet.
89.
Zoals ik echter reeds in punt 73 van deze conclusie heb vermeld, is dit vermoeden van overeenstemming, met onder meer artikel 4 van het Handvest, niet onweerlegbaar.
90.
Naar mijn mening volgt naar analogie uit de §§ 253 en 254 van het arrest van het EHRM van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland (CE:ECHR:2011:0121JUD003069609), en punt 80 van het arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865), dat een lidstaat artikel 4 van het Handvest schendt wanneer personen die internationale bescherming genieten en die volledig afhankelijk zijn van overheidssteun, op een zodanige onverschilligheid van de autoriteiten stuiten dat zij in een situatie van ontberingen of behoeftigheid verkeren die dermate ernstig is dat het hun menselijke waardigheid aantast.
91.
Met andere woorden, er zijn ernstige en aantoonbare gronden om aan te nemen dat personen die internationale bescherming genieten, als gevolg van hun levensomstandigheden in de lidstaat die krachtens de Dublin III-verordening de verantwoordelijke lidstaat is, een reëel risico lopen om aan onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest te worden onderworpen, wanneer zij zich in een bijzonder ernstige situatie41.bevinden die voortvloeit uit de structurele tekortkomingen die in deze lidstaat ten aanzien van hen bestaan.
92.
In een dergelijke volkomen uitzonderlijke situatie kan een lidstaat de in artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 bedoelde niet-ontvankelijkheidsgrond niet op een verzoek om internationale bescherming toepassen en moet hij het bij hem ingediende verzoek om internationale bescherming in behandeling nemen.
93.
Gelet op het voorgaande en met name het absolute karakter van het in artikel 4 van het Handvest neergelegde verbod op onmenselijke of vernederende behandelingen, ben ik van mening dat het Unierecht zich ertegen verzet dat een lidstaat de in artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 bedoelde niet-ontvankelijkheidsgrond toepast op een verzoek om internationale bescherming wanneer de levensomstandigheden van personen aan wie door een andere lidstaat subsidiaire bescherming is toegekend, in strijd zijn met artikel 4 van het Handvest.
c) Toepassing van de artikelen 20 en volgende van richtlijn 2011/95
94.
Hoofdstuk VII van richtlijn 2011/95, dat betrekking heeft op de kenmerken van de internationale bescherming, bevat onder meer bepalingen inzake de toegang van personen die internationale bescherming genieten tot werk42., onderwijs43., sociale voorzieningen44. en gezondheidszorg45., die voorschrijven dat zij op gelijke wijze worden behandeld als de eigen onderdanen van de lidstaat.
95.
Voorts schrijft artikel 32 van richtlijn 2011/95 voor dat personen die internationale bescherming genieten, toegang tot huisvesting moeten hebben onder vergelijkbare voorwaarden als andere onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven.46.
96.
Hieruit blijkt dat de bepalingen van hoofdstuk VII van richtlijn 2011/95 niet voorschrijven dat de sociale voorzieningen ten behoeve van personen die internationale bescherming genieten, van een bepaald niveau moeten zijn of een bepaalde drempel in acht moeten nemen; zij schrijven enkel een nationale behandeling voor of, in uitzonderingsgevallen, een behandeling die vergelijkbaar is met die van andere onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven.47.
97.
Bij gebreke van een echt beleid binnen de Unie op het gebied van internationale bescherming, met een eigen begroting, dat minimale en uniforme levensomstandigheden garandeert aan de personen aan wie deze bescherming is toegekend, weerspiegelen de bepalingen van hoofdstuk VII van richtlijn 2011/95 het in artikel 5, lid 3, VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, doordat zij duidelijk rekening houden met de uiteenlopende niveaus van de sociale voorzieningen in de lidstaten.
98.
Wat de situaties betreft waar een schending van de artikelen 20 en volgende van richtlijn 2011/95 wordt aangevoerd zonder dat zulks evenwel een schending van artikel 4 van het Handvest oplevert, deel ik de opvatting van de Franse regering dat het zou indruisen tegen het beginsel van wederzijds vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan het gemeenschappelijk Europees asielsysteem, met inbegrip van het bepaalde in artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32, om van de bevoegde asielautoriteiten te verlangen dat zij een beoordeling maken van het niveau van de internationale bescherming en van de voorwaarden waaronder deze kan worden verkregen.48.
99.
Bovendien verzet het Unierecht zich niet tegen de toepassing door een lidstaat van de in artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 bedoelde niet-ontvankelijkheidsgrond op een verzoek om internationale bescherming wanneer de personen aan wie internationale bescherming is toegekend, geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of slechts voorzieningen die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, maar deze personen in dit opzicht niet anders worden behandeld dan de onderdanen van de betrokken lidstaat en zonder dat dit een schending van artikel 4 van het Handvest oplevert. Luidens overweging 41 van richtlijn 2011/95 moet, ‘[o]m ervoor te zorgen dat personen die internationale bescherming genieten beter daadwerkelijk gebruik kunnen maken van de in deze richtlijn beschreven rechten en voordelen, […] rekening worden gehouden met hun speciale behoeften en met de specifieke integratieproblemen waarmee zij worden geconfronteerd. Het rekening houden met dergelijke zaken moet normalerwijze niet resulteren in een gunstigere behandeling dan voor de eigen onderdanen, zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor de lidstaten om gunstiger normen vast te stellen of te handhaven.’49.
100.
Anders zouden de lidstaten die hun verplichtingen uit hoofde van richtlijn 2011/95 met betrekking tot de kenmerken van de internationale bescherming wél nakomen of die naar verhouding genereuze sociale voorzieningen bieden, afgestraft worden.
101.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het Unierecht zich niet verzet tegen de toepassing door een lidstaat van de in artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 bedoelde niet-ontvankelijkheidsgrond op een verzoek om internationale bescherming wanneer de lidstaat die reeds subsidiaire bescherming aan de verzoeker heeft toegekend, niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 20 en volgende van richtlijn 2011/9550. zonder dat dit echter een schending van 4 van het Handvest oplevert, of wanneer de personen aan wie internationale bescherming is toegekend, geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of slechts voorzieningen die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, maar deze personen in dit opzicht niet anders worden behandeld dan de onderdanen van de betrokken lidstaat.
2. Eerste onderdeel van de derde vraag
102.
De verwijzende rechter vraagt zich af ‘of en onder welke voorwaarden artikel 18 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 78 VWEU, kan vereisen dat een lidstaat het verzoek om internationale bescherming van een persoon aan wie in een andere lidstaat de subsidiaire-beschermingsstatus is toegekend maar die niet als vluchteling is erkend, in weerwil van een nationale bepaling ter omzetting van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 in behandeling neemt’ wegens het bestaan van tekortkomingen in de asielprocedure in laatstgenoemde lidstaat.
103.
In zijn verzoek om een prejudiciële beslissing zinspeelt de verwijzende rechter op tekortkomingen in de asielprocedure in Bulgarije, welk land ‘subsidiaire bescherming heeft toegekend, […] op (voorzienbare) wijze weigert om de — gunstigere — status van vluchteling te verlenen […] en verzuimt om volgende verzoeken nader te onderzoeken ondanks het bestaan van nieuwe feiten of omstandigheden die de waarschijnlijkheid aanzienlijk vergroten dat de verzoeker als vluchteling moet worden erkend (overeenkomstig artikel 40, lid 3, van richtlijn 2013/32)’. (Punt 32 van het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-297/17).
a) Opmerkingen van partijen
104.
De Duitse regering meent dat, indien er ‘een verplichting zou bestaan om structurele tekortkomingen in de asielprocedure van een andere lidstaat te onderzoeken, deze verplichting toch op zijn minst zou zijn vermeld in richtlijn 2013/32’. Zij merkt op dat ‘dit echter niet het geval is en dat veeleer geldt dat een besluit van een lidstaat inzake de toekenning van internationale bescherming definitief wordt’ (punt 62 van haar opmerkingen). Volgens deze regering kan alleen de Uniewetgever een dergelijke verplichting positiefrechtelijk opleggen en kan de niet-nakoming van deze door het Unierecht opgelegde verplichting slechts worden vastgesteld na afloop van een tegen deze lidstaat ingeleide niet-nakomingsprocedure.
105.
De Franse regering is van mening dat slechts wanneer blijkt dat de reeds door een andere lidstaat toegekende internationale bescherming niet effectief is, dat wil zeggen indien de betrokkene in de lidstaat die hem bescherming heeft toegekend, een risico op vervolging of ernstige schade51. in de zin van richtlijn 2011/95 loopt, de lidstaat waarbij het nieuwe verzoek is ingediend moet onderzoeken of de verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de vluchtelingenstatus, alvorens te onderzoeken of hij recht heeft op subsidiaire bescherming.
106.
Volgens de Poolse regering vereist artikel 33 van richtlijn 2013/32 dat de verzoeker die internationale bescherming in een andere lidstaat geniet, daar adequaat wordt beschermd, zodat de andere lidstaten zijn verzoek als niet-ontvankelijk mogen beschouwen en het zonder inhoudelijke behandeling mogen afwijzen. De omstandigheid dat een bevoegde nationale autoriteit constateert dat een verzoeker internationale bescherming in een andere lidstaat geniet, moet in beginsel volstaan om het verzoek niet inhoudelijk te hoeven behandelen. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen is de bevoegde nationale autoriteit verplicht een procedure strekkende tot inhoudelijke behandeling van het verzoek in te leiden. Het staat aan de bevoegde nationale autoriteit of rechter om uit te maken of in een individueel geval de structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in een bepaalde lidstaat schending van artikel 4 van het Handvest opleveren, hetgeen een inhoudelijke behandeling van een verzoek om versterking van de internationale bescherming zou rechtvaardigen.
107.
De Commissie meent dat tekortkomingen in de asielprocedures van de andere lidstaat bij de beoordeling door de eerste lidstaat (dat wil zeggen, in casu, Duitsland) buiten beschouwing mogen worden gelaten. Na de toekenning van subsidiaire bescherming in staat B en de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om versterking van de internationale bescherming in staat A, is de asielprocedure afgerond. De betrokkene dient alsdan te worden behandeld overeenkomstig artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.52. Volgens de Commissie verblijft de betrokkene illegaal op het grondgebied van lidstaat A, maar heeft hij in lidstaat B een verblijfsvergunning omdat hij aldaar subsidiaire bescherming geniet.
b) Analyse
108.
De onderhavige prejudiciële vraag heeft betrekking op de ontvankelijkheid van een verzoek om ‘versterking’ van de door een lidstaat toegekende subsidiaire bescherming door middel van de erkenning, in een andere lidstaat, van de vluchtelingenstatus. Er zij aan herinnerd dat de lidstaten op grond van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 een verzoek tot verkrijging van de vluchtelingenstatus niet-ontvankelijk kunnen verklaren53. wanneer door een andere lidstaat de subsidiaire-beschermingsstatus is toegekend.
109.
Afgezien van het feit dat de voorwaarden om als vluchteling te worden erkend (hoofdstuk III van richtlijn 2011/95) duidelijk verschillen van de voorwaarden die voor subsidiaire bescherming gelden (hoofdstuk V van richtlijn 2011/95), is de subsidiaire-beschermingsstatus in beginsel een lagere en minder veelomvattende status54. dan de vluchtelingenstatus, onder meer wat het recht op verblijf55. en het recht op sociale voorzieningen56. aangaat. Dit onderscheid tussen de twee statussen van internationale bescherming komt nog sterker naar voren in de bewoordingen van artikel 78 VWEU.57.
110.
Gelet op dit onderscheid tussen beide statussen bepaalt artikel 46, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2013/32 dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt, in de verantwoordelijke lidstaat over een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie van die lidstaat beschikt teneinde op te kunnen komen tegen een beslissing waarbij een verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus en/of de subsidiaire-beschermingsstatus ongegrond wordt verklaard.58.
111.
Artikel 46, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2013/32 bepaalt namelijk dat ‘een lidstaat, indien de door hem verleende subsidiaire-beschermingsstatus dezelfde rechten en voordelen biedt als de vluchtelingenstatus uit hoofde van het recht van de Unie en het nationale recht, een beroep tegen een beslissing om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus als niet-ontvankelijk [kan] beschouwen omdat de verzoeker er onvoldoende belang bij heeft om de procedures voort te zetten’59..
112.
Hieruit volgt dat de vluchtelingenstatus slechts bij uitzondering onderling uitwisselbaar is met de subsidiaire-beschermingsstatus.
113.
Het gemeenschappelijk Europees asielstelsel is opgezet in een context waarin mag worden aangenomen dat alle staten die aan dit stelsel deelnemen, ongeacht of het om lidstaten of derde landen gaat, de grondrechten eerbiedigen, daaronder begrepen het recht op asiel zoals neergelegd in artikel 18 van het Handvest, en dat er in dit opzicht wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten kan bestaan.60.
114.
Naar mijn mening heeft de Uniewetgever bepalingen als artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 op basis van dit beginsel van wederzijds vertrouwen vastgesteld. Deze bepaling strekt ertoe te voorkomen dat middelen worden verspild en dat ‘het stelsel verstopt raakt doordat de autoriteiten van de staten talrijke asielverzoeken van één verzoeker dienen te behandelen, […] om aldus ‘forum shopping’ te voorkomen. Het geheel heeft hoofdzakelijk tot doel om in het belang van zowel de asielzoekers als de deelnemende staten de behandeling van asielverzoeken sneller te laten verlopen.’61.
115.
In de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaken impliceert het wederzijds vertrouwen dat de lidstaten mogen uitgaan van het vermoeden dat de andere lidstaten verzoeken om internationale bescherming in overeenstemming met het Unierecht en met de regels van het Verdrag van Genève behandelen en hetzij de vluchtelingenstatus hetzij de subsidiaire-beschermingsstatus verlenen wanneer de specifieke voorwaarden voor het verlenen van deze statussen zulks vereisen in het licht van de gemeenschappelijke criteria van richtlijn 2011/95. Bijgevolg mogen de lidstaten uitgaan van het vermoeden dat de andere lidstaten de (hogere) status van vluchteling en niet de (lagere) status van subsidiaire bescherming zullen verlenen wanneer de omstandigheden zulks vereisen, en omgekeerd.
116.
Ik heb echter reeds opgemerkt dat dit vermoeden weerlegbaar is. Onderstreept moet namelijk worden dat het recht op asiel een grondrecht is dat wordt gegarandeerd door artikel 18 van het Handvest ‘met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie’. Hieruit volgt dat de betrokkene, ondanks de verplichting tot wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, de mogelijkheid moet hebben om aan te tonen dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure die onder meer bestaan in een wijdverbreide praktijk om ten onrechte de subsidiaire-beschermingsstatus toe te kennen in plaats van de vluchtelingenstatus. Het bestaan van structurele tekortkomingen in de asielprocedure kan immers niet herleid worden tot het feit dat de betrokkene een risico op vervolging of ernstige schade loopt, zoals de Franse regering beweert.62.
117.
Het onderzoek naar het eventuele bestaan van structurele tekortkomingen in de asielprocedure in de verantwoordelijke lidstaat is uitsluitend gebaseerd op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden. Dienaangaande moet de verwijzende rechter elk door de betrokkene overgelegd bewijs van alle relevante feiten met betrekking tot de gestelde structurele tekortkomingen in de asielprocedure in aanmerking nemen.
118.
Geïsoleerde schendingen zijn in elk geval niet voldoende om het gemeenschappelijk Europees asielsysteem en inzonderheid artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 ter discussie te stellen63., en de lidstaten er aldus toe te verplichten een verzoek tot verkrijging van de vluchtelingenstatus ontvankelijk te achten, zelfs wanneer door een andere lidstaat de subsidiaire-beschermingsstatus is toegekend.
119.
Aangezien de persoon die om internationale bescherming verzoekt, ingevolge artikel 46, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2013/32 in de verantwoordelijke lidstaat over een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie van die lidstaat beschikt teneinde op te kunnen komen tegen onder meer een beslissing om een verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus als ongegrond te beschouwen, moet hij bovendien aantonen dat dit recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel non-existent is of dat daaraan structurele tekortkomingen kleven.
120.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het Unierecht, en met name artikel 18 van het Handvest, zich ertegen verzet dat een lidstaat de in artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 bedoelde niet-ontvankelijkheidsgrond toepast op een verzoek om internationale bescherming wanneer de betrokkene door middel van een verzoek om erkenning van de vluchtelingenstatus in een lidstaat verzoekt om versterking van de subsidiaire bescherming die hem in een andere lidstaat is toegekend en de asielprocedure in deze laatste lidstaat werd en nog steeds wordt gekenmerkt door structurele tekortkomingen.
D. Vijfde vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17
121.
De vijfde vraag in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 wordt slechts gesteld voor het geval dat de tweede vraag ontkennend zou worden beantwoord.64. Met deze vraag, die is onderverdeeld in twee subvragen, wil de verwijzende rechter enerzijds vernemen of de omstandigheden van het hoofdgeding ratione temporis onder de Dublin II-verordening dan wel de Dublin III-verordening vallen en anderzijds of de Dublin II-verordening en/of de Dublin III-verordening van toepassing is wanneer in een andere lidstaat reeds subsidiaire bescherming is toegekend aan de verzoeker.
122.
Aangezien uit mijn antwoord op de tweede vraag voortvloeit dat een lidstaat niet verplicht is om eerst te onderzoeken of hij al dan niet verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming en hij dit verzoek kan afwijzen wegens een van de in artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 bedoelde niet-ontvankelijkheidsgronden, is de vijfde vraag zonder voorwerp geraakt.
V. Conclusie
123.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de door het Bundesverwaltungsgericht gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 52, eerste alinea, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming verzet zich tegen de toepassing op verzoeken om internationale bescherming die vóór 20 juli 2015 zijn ingediend, van een nationale regeling ter omzetting van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 die in een niet-ontvankelijkheidsgrond voorziet wanneeraan de verzoeker subsidiaire bescherming is toegekend in een andere lidstaat. De omstandigheid dat het asielverzoek op grond van artikel 49 van de Dublin III-verordening nog volledig binnen de werkingssfeer van de Dublin II-verordening valt of dat het asielverzoek is ingediend vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2013/32 en vóór de omzetting ervan in nationaal recht, doet niet ter zake.
- 2)
Artikel 33, lid 1, van richtlijn 2013/32 schept geen voorrang of hiërarchie tussen de voorschriften ter bepaling van de verantwoordelijke lidstaat en de in artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 bedoelde niet-ontvankelijkheidsgronden. Derhalve is een lidstaat niet verplicht om eerst te onderzoeken of hij al dan niet verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, en mag hij dit verzoek afwijzen wegens een van de in artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 bedoelde niet-ontvankelijkheidsgronden. Bij ontstentenis van een voorrang of hiërarchie tussen de betrokken regels, dringt deze keuzevrijheid zich ook op om redenen van proceseconomie.
- 3)
Het Unierecht verzet zich ertegen dat een lidstaat de in artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 bedoelde niet-ontvankelijkheidsgrond toepast op een verzoek om internationale bescherming wanneer de levensomstandigheden van personen aan wie door een andere lidstaat subsidiaire bescherming is toegekend, in strijd zijn met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
- 4)
Het Unierecht verzet zich niet tegen de toepassing door een lidstaat van de in artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 bedoelde niet-ontvankelijkheidsgrond op een verzoek om internationale bescherming wanneer de lidstaat die reeds subsidiaire bescherming aan de verzoeker heeft toegekend, niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 20 en volgende van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, zonder dat dit echter een schending van artikel 4 van het Handvest oplevert, of wanneer de personen aan wie internationale bescherming is toegekend, geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of slechts voorzieningen die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, maar deze personen in dit opzicht niet anders worden behandeld dan de onderdanen van de betrokken lidstaat.
- 5)
Het Unierecht, en met name artikel 18 van het Handvest, verzet zich ertegen dat een lidstaat de in artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 bedoelde niet-ontvankelijkheidsgrond toepast op een verzoek om internationale bescherming wanneer de betrokkene door middel van een verzoek om erkenning van de vluchtelingenstatus in een lidstaat verzoekt om versterking van de subsidiaire bescherming die hem in een andere lidstaat is toegekend en de asielprocedure in deze laatste lidstaat werd en nog steeds wordt gekenmerkt door structurele tekortkomingen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑07‑2018
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2013, L 180, blz. 60.
PB 2011, L 337, blz. 9.
Recueil des traités des Nations unies, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954).
PB 2005, L 326, blz. 13.
Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31). Zie ook verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003, L 50, blz. 1; hierna: ‘Dublin II-verordening’).
De feitelijke omstandigheden in zaak C-319/17 zijn in wezen identiek aan die welke ten grondslag liggen aan het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-297/17. Ook de motivering en de prejudiciële vragen zijn identiek aan die van het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-297/17.
Te weten Bushra, Mohammad en Ahmad Ibrahim.
De verwijzende rechter merkt op dat ‘de Uniewetgever […] namelijk in artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 de in artikel 25, lid 2, onder a), van richtlijn 2005/85 bedoelde bevoegdheid om een asielverzoek niet-ontvankelijk te verklaren, [heeft] verruimd door de lidstaten in staat te stellen een asielverzoek voortaan ook niet-ontvankelijk te verklaren wanneer door een andere lidstaat subsidiaire bescherming is toegekend’ (zie punt 15 van het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-297/17). Tijdens de gemeenschappelijke terechtzitting van 8 mei 2018 heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk de uitlegging door de verwijzende rechter van artikel 25, lid 2, onder a), van richtlijn 2005/85 betwist. Onder verwijzing naar artikel 3, lid 3, van richtlijn 2005/85 stelde zij onder meer dat, wanneer een lidstaat een gemeenschappelijke procedure voor asielverzoeken en verzoeken om subsidiaire beschermingvolgt, hij de richtlijn gedurende de gehele procedure dient toe te passen. Derhalve moet, aldus de regering van het Verenigd Koninkrijk, artikel 25, lid 2, onder a), van richtlijn 2005/85 in die zin worden uitgelegd dat een lidstaat een asielverzoek als niet-ontvankelijk mag beschouwen wanneer een andere lidstaat subsidiaire bescherming heeft toegekend. Ik kan mij niet in deze uitlegging vinden. Afgezien van het feit dat artikel 25, lid 2, onder a), van richtlijn 2005/85 uitdrukkelijk doelt op de vluchtelingenstatus, verwart de regering van het Verenigd Koninkrijk de procedure tot toekenning van de vluchtelingenstatus of van de subsidiaire-beschermingsstatus in de lidstaten mijns inziens met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus.
Volgens punt 43 van het arrest van 17 maart 2016, Mirza (C-695/15 PPU, EU:C:2016:188), ‘beoogt [artikel 33 van richtlijn 2013/32] de verplichting van de verantwoordelijke lidstaat om een verzoek om internationale bescherming te behandelen, te verlichten door te omschrijven in welke gevallen een dergelijk verzoek niet-ontvankelijk wordt geacht’. De in artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 bedoelde niet-ontvankelijkheidsgrond stelt de lidstaten in staat om verzoeken om internationale bescherming zonder inhoudelijke behandeling af te wijzen.
Richtlijn 2005/85 is met ingang van 21 juli 2015 ingetrokken bij artikel 53 van richtlijn 2013/32.
De verwijzende rechter merkt op dat § 29, lid 1, punt 2, AsylG weliswaar voldoet aan de vereisten van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32, maar dat deze bepaling op dit punt ‘onverenigbaar’ is met artikel 25, lid 2, onder a), van richtlijn 2005/85. Volgens deze laatste bepaling ‘[kunnen] [d]e lidstaten […] een asielverzoek uit hoofde van dit artikel als niet-ontvankelijk beschouwen […] wanneer een andere lidstaat de vluchtelingenstatus heeft toegekend’.
Volgens de Poolse regering volgt expliciet uit een vergelijking van de twee bepalingen, te weten artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 en artikel 25, lid 2, onder a), van richtlijn 2005/85, dat richtlijn 2013/32 de bevoegdheden van de lidstaten om een verzoek niet-ontvankelijk te achten, heeft verruimd. Voortaan kan een verzoek niet alleen niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer aan de verzoeker de vluchtelingenstatus is toegekend in een andere lidstaat, maar ook wanneer hij daar subsidiaire bescherming geniet. Krachtens richtlijn 2005/85 daarentegen kon een verzoek slechts niet-ontvankelijk worden geacht, aldus deze regering, wanneer aan de verzoeker de vluchtelingenstatus was toegekend in een andere lidstaat.
Opgemerkt zij dat overeenkomstig artikel 51, lid 1, van richtlijn 2013/32 artikel 33 ervan uiterlijk op 20 juli 2015 diende te worden omgezet. Voorts is richtlijn 2005/85 overeenkomstig artikel 53 van richtlijn 2013/32 met ingang van 21 juli 2015 ingetrokken. In de zaken in het hoofdgeding is subsidiaire bescherming toegekend en zijn verzoeken om toekenning van de vluchtelingenstatus ingediend vóór 20 juli 2015.
Zie artikel 52 van standpunt (EU) nr. 7/2013 van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking), door de Raad vastgesteld op 6 juni 2013 (PB 2013, C 179 E, blz. 27).
Gelet op het dwingende karakter van artikel 52, eerste alinea, tweede volzin, van richtlijn 2013/32, kunnen nationale bepalingen zoals § 77, lid 1, AsylG niet de temporele werkingssfeer van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 en artikel 25, lid 2, onder a), van richtlijn 2005/85 bepalen.
De Commissie is van mening dat de bepalingen van richtlijn 2013/32 en de nationale maatregelen ter omzetting daarvan slechts kunnen worden toegepast op verzoeken die zijn ingediend vóór 20 juli 2015 wanneer zij gunstiger zijn voor asielzoekers dan die van richtlijn 2005/85 — waardoor zij stroken met het in artikel 5 van richtlijn 2005/85 neergelegde beginsel van de meest gunstige behandeling. Volgens de Commissie kan de formulering ‘of een eerdere datum’ dus enkel in die gevallen een praktische betekenis hebben. Ter terechtzitting van 8 mei 2018 heeft de raadsman van Magamadov (C-438/17) betoogd dat de formulering ‘of een eerdere datum’ doelde op een vroegtijdige omzetting van richtlijn 2013/32.
De Dublin III-verordening is in werking getreden op 1 januari 2014.
Namelijk § 29, lid 1, punt 2, AsylG.
Volgens de verwijzende rechter zou ‘dan immers de Bondsrepubliek Duitsland krachtens de Dublin-regels internationaal verantwoordelijk kunnen zijn (of worden) voor de inhoudelijke behandeling van en de beslissing op een (nieuw) asielverzoek strekkend tot verkrijging van de (ruimere) bescherming als vluchteling, een verzoek dat zij niet inhoudelijk zou hoeven te onderzoeken en waarop zij geen besluit zou hoeven te nemen volgens de bepaling waarbij artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 met terugwerkende kracht is omgezet. De bewoordingen van artikel 33, lid 1, van richtlijn 2013/32, die uitsluitend betrekking hebben op de Dublin III-verordening, zouden ervoor kunnen pleiten dat de bepaling in elk geval niet kan worden toegepast op gevallen die nog volledig onder de Dublin II-verordening vallen’. (Punt 16 van het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-438/17).
De verwijzende rechter heeft deze vraag gesteld omdat, in tegenstelling tot de asielverzoeken in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17, die zijn ingediend op 29 november 2013, het asielverzoek van Magamadov van 19 juni 2012 is ingediend vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2013/32. Overeenkomstig artikel 54 van richtlijn 2013/32 ‘[treedt] [d]eze richtlijn […] in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie’. Richtlijn 2013/32 is op 29 juni 2013 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Opgemerkt zij dat het Hof in punt 42 van de beschikking van 5 april 2017, Ahmed (C-36/17, EU:C:2017:273) voor recht heeft verklaard ‘dat de bepalingen en de beginselen van [de Dublin III-]verordening […] die direct of indirect de termijnen regelen voor de indiening van een verzoek tot terugname, niet van toepassing zijn in een situatie […] waarin een derdelander in een lidstaat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, nadat hem in een andere lidstaat subsidiaire bescherming was verleend’. Het Hof heeft zich in deze beschikking echter niet uitgesproken over de vraag of de lidstaten het recht hebben om te kiezen om een asielverzoek hetzij niet in behandeling te nemen krachtens de Dublin III-verordening, hetzij niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32.
Volgens de Commissie kan deze vraag ‘worden verklaard door het feit dat het Duitse recht in § 29, lid 1, punt 1a), AsylG voorziet in een niet-ontvankelijkheidsgrond wanneer een andere lidstaat krachtens de bepalingen van de [Dublin III-]verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek’ (punt 22 van de opmerkingen van de Commissie; cursivering van mij).
Verzoekers in het hoofdgeding in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 stellen zich op het standpunt dat de Dublin III-verordening niet meer van toepassing kan zijn wanneer, zoals in casu, de lidstaat die krachtens de Dublin II-verordening is aangewezen als de verantwoordelijke lidstaat, heeft geweigerd om de betrokkene over te nemen. De Duitse regering meent dat de Dublin III-verordening niet meer van toepassing is wanneer aan de vluchtelingen reeds internationale bescherming is toegekend. Naar haar mening onderscheidt artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 twee gevallen waarin een inhoudelijke behandeling van een asielverzoek achterwege blijft: niet-ontvankelijkheid krachtens de bepalingen van de Dublin III-verordening en niet-ontvankelijkheid wegens een van de gronden van artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32. Volgens deze regering is er dus geen samenloop van beide regelingen noch bestaat er dienaangaande een keuzemogelijkheid.
Zie arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a. (C-578/16 PPU, EU:C:2017:127, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens het Hof correspondeert het in artikel 4 van het Handvest neergelegde verbod op onmenselijke of vernederende behandelingen met dat van artikel 3 van het EVRM en zijn in zoverre de inhoud en reikwijdte ervan volgens artikel 52, lid 3, van het Handvest dezelfde als die welke er door dat verdrag aan worden toegekend (arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a., C-578/16 PPU, EU:C:2017:127, punt 67). Voorts volgt uit artikel 15, lid 2, van het EVRM dat niet mag worden afgeweken van artikel 3, en heeft het Hof bevestigd dat de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna ook: ‘EHRM’) inzake artikel 3 van het EVRM in aanmerking moet worden genomen bij de uitlegging van artikel 4 van het Handvest (arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a., C-578/16 PPU, EU:C:2017:127, punt 68).
Zie in die zin arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865, punten 78–80).
Zie arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865, punt 81).
Zie ook in die zin arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a. (C-578/16 PPU, EU:C:2017:127, punt 60 en aangehaalde rechtspraak).
CE:ECHR:2011:0121JUD003069609.
Opmerking verdient dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in het kader van het onderzoek van de opvangvoorzieningen in Griekenland van personen die om internationale bescherming verzoeken, rekening heeft gehouden met de verplichtingen die op de Griekse autoriteiten rustten krachtens richtlijn 2003/9/EG van de Raad tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (PB 2003, L 31, blz. 18) (arrest van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland, CE:ECHR:2011:0121JUD003069609, § 263).
In zijn arrest heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat een situatie van extreme armoede problematisch kon zijn in het licht van artikel 3 EVRM. Het stelde vervolgens vast dat de situatie waarin de betrokken verzoeker verkeerde, bijzonder schrijnend was. Voorts wees het erop dat ‘verzoeker [naar eigen zeggen] maandenlang in een staat van extreme armoede had geleefd, waarin hij in geen enkele van de basisbehoeften had kunnen voorzien: voedsel, hygiëne en onderdak. Daarnaast leefde hij in constante angst voor beroving en geweld en was de situatie volstrekt uitzichtloos’ (arrest van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland, CE:ECHR:2011:0121JUD003069609,§§ 252–254). In § 263 van dit arrest oordeelt het EHRM dat de Griekse autoriteiten ‘hebben verzuimd naar behoren rekening te houden met de kwetsbaarheid van verzoeker als asielaanvrager; op grond van hun passieve houding moeten zij derhalve verantwoordelijk worden gehouden voor de omstandigheden waarin hij maandenlang heeft verkeerd, dakloos, berooid, zonder toegang tot sanitaire voorzieningen en zonder middelen om in zijn basisbehoeften te kunnen voorzien. Het Hof is van oordeel dat verzoeker aan een vernederende behandeling is onderworpen die getuigt van een gebrek aan respect voor zijn waardigheid, en dat het geen twijfel lijdt dat deze situatie bij hem zodanige gevoelens van vrees, angst of minderwaardigheid heeft opgewekt dat dit tot wanhoop leidde. Dergelijke levensomstandigheden, gecombineerd met de geruime tijd dat hij in onzekerheid verkeerde en het totale gebrek aan uitzicht op een verbetering van zijn situatie, leveren een voldoende mate van ernst op om van een schending van artikel 3 [van het EVRM] te kunnen spreken.’
Zie arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865, punt 82).
Arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865, punt 84).
In deze zaak heeft het Hof geoordeeld dat er geen ernstige gronden waren om te vrezen dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in de verantwoordelijke lidstaat structurele tekortkomingen bevatten. Niettemin heeft het Hof voor recht verklaard dat niet kon worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een bijzonder slechte gezondheidstoestand op zich voor de betrokkene een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest kan inhouden, ongeacht de kwaliteit van de opvang en de zorg die aanwezig zijn in de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek. Het Hof oordeelde dat, in omstandigheden waarin de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van die asielzoeker zou inhouden, die overdracht een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van dat artikel zou vormen. Het voegde hieraan toe dat het aan de autoriteiten van de overdragende lidstaat en, in voorkomend geval, aan de rechterlijke instanties van die lidstaat staat om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen door de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen teneinde ervoor te zorgen dat de overdracht op zodanige wijze plaatsvindt dat de gezondheidstoestand van de betrokkene passend en voldoende kan worden beschermd. Indien die voorzorgsmaatregelen, gelet op de bijzondere ernst van de aandoening van de betrokken asielzoeker, niet zouden volstaan om te verzekeren dat zijn overdracht geen reëel risico zal inhouden op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand, moeten de autoriteiten van de betrokken lidstaat de uitvoering van de overdracht van die persoon opschorten zolang hij door zijn toestand niet in staat is een dergelijke overdracht te ondergaan [arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a. (C-578/16 PPU, EU:C:2017:127, punten 71, 73 en 96)].
Ik wijs erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn arrest van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland (CE:ECHR:2014:1104JUD002921712), heeft geoordeeld dat, teneinde na te gaan of de overdracht krachtens het Dublin-systeem van een persoon die om internationale bescherming verzoekt, een onmenselijke of vernederende behandeling vormde, moest worden onderzocht of er, gelet op de algehele situatie van de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in de verantwoordelijke lidstaat en op de bijzondere situatie van de verzoekers, ernstige en bewezen gronden aanwezig zijn die doen vermoeden dat de verzoekers, indien zij naar Italië worden teruggestuurd, het risico lopen een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling te ondergaan. Volgens dat Hof was de situatie in Italië ten tijde van de feiten geenszins vergelijkbaar met de situatie die ten tijde van de uitspraak van zijn arrest van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland (CE:ECHR:2011:0121JUD003069609), in Griekenland heerste en kan de benadering in deze zaak niet dezelfde zijn als die welke tot dat arrest heeft geleid. Niettemin heeft datzelfde Hof voor recht verklaard dat er sprake zou zijn van een schending van artikel 3 EVRM, indien de verzoekers (een echtpaar met zes minderjarige kinderen, waarvan de laatsten bijzondere bescherming genieten wegens hun specifieke behoeften en hun extreme kwetsbaarheid) naar Italië werden teruggestuurd zonder dat de Zwitserse autoriteiten vooraf van de Italiaanse autoriteiten de individuele garantie hadden ontvangen dat de overname zou worden afgestemd op de leeftijd van de kinderen en dat het gezin bijeen zou blijven.
Zie arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a. (C-578/16 PPU, EU:C:2017:127, punt 93).
Cursivering van mij.
Zie naar analogie arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865, punten 64–69).
Arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865, punten 78–80).
Volgens artikel 288 VWEU is de richtlijn voor de lidstaat namelijk verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat.
Zie arrest van het EHRM van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland (CE:ECHR:2011:0121JUD003069609), § 254.
Zie artikel 26 van richtlijn 2011/95. Zie ook de artikelen 17 tot en met 19 van het Verdrag van Genève.
Zie artikel 27 van richtlijn 2011/95 en artikel 22 van het Verdrag van Genève.
Zie artikel 29 van richtlijn 2011/95. Artikel 29, lid 2, van richtlijn 2011/95 bepaalt: ‘In afwijking van de algemene regel in lid 1, kunnen de lidstaten de sociale bijstand voor personen met de subsidiaire-beschermingsstatus beperken tot de meest fundamentele prestaties die wat niveau en toegangsvoorwaarden betreft moeten overeenkomen met die welke voor de eigen onderdanen gelden.’ Zie ook artikelen 23 en 24 van het Verdrag van Genève.
Zie artikel 30 van richtlijn 2011/95. Zie ook artikel 24 van het Verdrag van Genève.
Zie ook artikel 21 van het Verdrag van Genève.
In het geval van de toegang tot huisvesting.
Opgemerkt zij dat de verwijzende rechter geen enkele informatie verstrekt waaruit blijkt dat personen die internationale bescherming in Bulgarije genieten, worden gediscrimineerd ten opzichte van nationale onderdanen, met name op het gebied van socialebijstandsuitkeringen.
Cursivering van mij.
Onderstreept moet worden dat schendingen van de artikelen 20 e.v. van richtlijn 2011/95 aanleiding kunnen vormen tot het instellen van een beroep wegens niet-nakoming tegen de betrokken lidstaat krachtens artikel 258 VWEU. Bovendien kunnen de betrokkenen de rechten die zij aan de artikelen 20 e.v. van richtlijn 2011/95 ontlenen, geldend maken voor de nationale rechter en de nationale autoriteiten.
Zie artikel 15 van richtlijn 2011/95.
PB 2008, L 348, blz. 98.
Het gaat hier om een mogelijkheid.
Artikel 3 van richtlijn 2011/95, dat als opschrift ‘Gunstiger normen’ draagt, bepaalt: ‘De lidstaten kunnen ter bepaling van wie als vluchteling of als voor subsidiaire bescherming in aanmerking komend persoon wordt erkend en ter bepaling van de inhoud van de internationale bescherming, gunstiger normen vaststellen of handhaven indien die met deze richtlijn verenigbaar zijn.’
Zie artikel 24 van richtlijn 2011/95.
Zie artikel 29 van richtlijn 2011/95.
Artikel 78, lid 1, VWEU bepaalt dat ‘[d]e Unie […] een gemeenschappelijk beleid inzake asiel, subsidiaire bescherming en tijdelijke bescherming [ontwikkelt], teneinde iedere onderdaan van een derde land die internationale bescherming behoeft, een passende status te verlenen en de naleving van het beginsel van non-refoulement te garanderen. Dit beleid moet in overeenstemming zijn met het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen alsmede met de andere toepasselijke verdragen.’ Cursivering van mij. Voorts bepaalt artikel 78, lid 2, VWEU: ‘Voor de toepassing van lid 1 stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vast voor een gemeenschappelijk Europees asielstelsel dat omvat: a) een uniforme asielstatus voor onderdanen van derde landen die in de hele Unie geldt; b) een uniforme subsidiaire-beschermingsstatus voor onderdanen van derde landen die, als zij geen asiel krijgen in de Europese Unie, internationale bescherming behoeven.’ Cursivering van mij.
In punt 51 van het arrest van 17 december 2015, Tall (C-239/14, EU:C:2015:824), heeft het Hof voor recht verklaard dat ‘[d]e kenmerken van het in artikel [46 van richtlijn 2013/32] bedoelde beroep moeten […] worden bepaald in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest, dat een herbevestiging vormt van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming en volgens hetwelk eenieder wiens door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden’.
Cursivering van mij.
Zie naar analogie arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865, punt 78).
Zie arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865, punt 79).
Bovendien moet worden onderstreept dat het recht op asiel niet beperkt is tot de inachtneming van het beginsel van non-refoulement, zoals blijkt uit de rechten die zijn toegekend bij de artikelen 20 e.v. van richtlijn 2011/95.
Zie naar analogie arrest van 21 december 2011, N. S. e.a. (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865, punten 82 en 84).
Verzoekers in het hoofdgeding in de zaken C-297/17, C-318/17 en C-319/17 zijn van mening dat ‘uit artikel 49, lid 2, van de Dublin III-verordening volgt dat deze verordening slechts van toepassing is op verzoeken om internationale bescherming die na 1 januari 2014 zijn ingediend. Het voorbehoud dat de Dublin III-verordening na 1 januari 2014 van toepassing is op elk terugnameverzoek, ongeacht het tijdstip waarop het is gedaan, wil niet zeggen […] dat de Dublin III-verordening dan in zijn geheel van toepassing is, hetgeen in strijd zou zijn met de duidelijke bepaling van artikel 49, lid 2, noch dat, indien de Dublin II-verordening voor het overige nog van toepassing is, de termijnen voor indiening van een terugnameverzoek in acht moeten worden genomen. De Dublin II-verordening voorzag op dat punt in geen enkele termijn.’ De Duitse regering is van mening dat, gelet op haar antwoorden op de overige prejudiciële vragen van de verwijzende rechter, de vijfde vraag niet hoeft te worden beantwoord. De Commissie meent dat, ‘aangezien de vijfde prejudiciële vraag, gelet op [haar antwoorden] op de eerste en de tweede vraag, tweemaal zonder voorwerp is geraakt, het zeer onwaarschijnlijk is dat het Hof deze vraag zal dienen te beantwoorden’. De Franse en de Poolse regering hebben geen opmerkingen ingediend naar aanleiding van deze prejudiciële vraag.