Hof Den Haag, 09-03-2023, nr. 22-000529-20
ECLI:NL:GHDHA:2023:2997
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
09-03-2023
- Zaaknummer
22-000529-20
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2023:2997, Uitspraak, Hof Den Haag, 09‑03‑2023; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:1311
Uitspraak 09‑03‑2023
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende vormen van mensenhandel. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Ook heeft hij zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een bedreiging van twee personen met een nepwapen en heeft hij zich nogmaals schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn ex-vriendin. Gepubliceerd naar aanleiding van arrest van de Hoge Raad.
Rolnummer: 22-000529-20
Parketnummers: 10-750541-18, 10-056607-15 (TUL) en 22-002594-16 (TUL)
Datum uitspraak: 9 maart 2023
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 februari 2020 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1971,
thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte en namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2a en 5 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2b, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest en een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, te weten een contactverbod, voor de duur van 5 jaren, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en omtrent de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde straffen, een en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2a en 5 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:
1.hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juli 2018 tot en met 09 maart 2019 te Rotterdam en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een ander, genaamd [slachtoffer 1], (telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer 1] heeft,
1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1 Sr), en/of
2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273f lid 1 sub 4 Sr) en/of
3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer 1] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),
en/of
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] (artikel 273 f lid 1 sub 6), waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:
- -
het mishandelen van die [slachtoffer 1] (onder andere door die [slachtoffer 1] (met (een) slipper(s) en/of een riem en/of een voorwerp) te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen en/of aan de haren te trekken en/of te bijten en/of door over die [slachtoffer 1] heen te plassen) en/of
- -
het dwingen althans bewegen van die [slachtoffer 1] om (onvrijwillig) en/of door die [slachtoffer 1] als vernederend ervaren en/of deviante seksuele handelingen van en/of met hem, verdachte, te ondergaan en/of te dulden (zoals het brengen van zijn, verdachtes, vuist in de anus van die [slachtoffer 1]) en/of
- -
het bedreigen van die [slachtoffer 1] en/of de familie van die [slachtoffer 1] en/of het dreigen om een brandbom bij de woning van de familie van die [slachtoffer 1] naar binnen te gooien en/of
- -
het opsluiten en/of opgesloten houden, althans het (in ernstige mate) beperken van de bewegingsvrijheid van die [slachtoffer 1] en/of
- -
het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer 1] en/of
- -
het onder controle houden en/of onder druk zetten van die [slachtoffer 1] en/of
- -
het brengen van die [slachtoffer 1] in een positie waarin zij na een afspraak met een klant haar verdiende geld moest afstaan aan hem, verdachte,
en/of waarbij voornoemde (onder 2)) "enige handeling" heeft bestaan uit:
- -
het laten verblijven van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, woning en/of in de woning van een vriend/kennis van hem, verdachte, en/of
- -
het maken van foto's voor advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en/of
- -
het aanmaken en/of onderhouden van één of meer advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en/of
- -
het geven van uitleg en/of instructie aan die [slachtoffer 1] met betrekking tot de door die [slachtoffer 1] te verrichten prostitutiewerkzaamheden en/of
- -
het bepalen welke klanten die [slachtoffer 1] moest aannemen voor haar prostitutiewerkzaamheden en/of
- -
het begeleiden van die [slachtoffer 1] bij/naar escortwerkzaamheden;
2.hij, op of omstreeks
b) 9 maart 2019, te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) zijn levensgezel, [slachtoffer 1], heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]
b)(meermalen) (met kracht) (met gebalde vuist) in het gezicht en/of de zij te slaan en/of te stompen en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen;
3.hij, op of omstreeks 16 februari 2019 te Herwijnen, gemeente West Betuwe, op de rijksweg A15, althans in Nederland, [slachtoffer 2]en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door het (meermalen) tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 2]en/of [slachtoffer 3];
4.hij, op of omstreeks 7 november 2017 te Rotterdam zijn levensgezel, [slachtoffer 4], heeft mishandeld door haar in het gezicht te slaan/stompen en/of door haar (met kracht) een keukenkastje in het gezicht te slaan/gooien.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van het onder 2a en 5 tenlastegelegde. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behalve ten aanzien van de in dat vonnis opgelegde straf en de beslissing ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2b, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden, met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt, in het bijzonder niet ten aanzien van onderdelen van de bewezenverklaring van feit 1 en feit 3.
Gevoerd verweer
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar overgelegde pleitnotities - op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangeefster [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) niet voor het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde kunnen worden gebezigd, nu haar verklaringen niet consistent en derhalve niet betrouwbaar zijn.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Met de rechtbank ziet het hof geen aanleiding voor het oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] onbetrouwbaar zijn, nu deze verklaringen op hoofdlijnen en op verschillende essentiële punten steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Het feit dat [slachtoffer 1] op enkele ondergeschikte punten ook wel wisselend heeft verklaard, doet naar het oordeel van het hof niets af aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de kern van haar verklaringen. Ook het feit dat uit het dossier naar voren komt dat [slachtoffer 1] zowel voor als na de bewezenverklaarde periode zelfstandig en vrijwillig als prostituee heeft gewerkt doet naar het oordeel van het hof aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen over de bewezenverklaarde bestanddelen van mensenhandel niet af.
Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2b, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juli 11 september 2018 tot en met 09 maart 2019 te Rotterdam en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een ander, genaamd [slachtoffer 1], (telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer 1] heeft,
1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1 Sr), en/of
2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273f lid 1 sub 4 Sr) en/of
3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer 1] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),
en/of
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] (artikel 273 f lid 1 sub 6), waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:
- -
het mishandelen van die [slachtoffer 1] (onder andere door die [slachtoffer 1] (met (een) slipper(s) en/of een riem en/of een voorwerp) te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen en/of aan de haren te trekken en/of te bijten en/of door over die [slachtoffer 1] heen te plassen) en/of
- -
het dwingen althans bewegen van die [slachtoffer 1] om (onvrijwillig) en/of door die [slachtoffer 1] als vernederend ervaren en/of deviante seksuele handelingen van en/of met hem, verdachte, te ondergaan en/of te dulden (zoals het brengen van zijn, verdachtes, vuist in de anus van die [slachtoffer 1]) en/of
- -
het bedreigen van die [slachtoffer 1] en/of de familie van die [slachtoffer 1] en/of het dreigen om een brandbom bij de woning van de familie van die [slachtoffer 1] naar binnen te gooien en/of
- -
het opsluiten en/of opgesloten houden, althans het (in ernstige mate) beperken van de bewegingsvrijheid van die [slachtoffer 1] en/of
- -
het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer 1] en/of
- -
het onder controle houden en/of onder druk zetten van die [slachtoffer 1] en/of
- -
het brengen van die [slachtoffer 1] in een positie waarin zij na een afspraak met een klant haar verdiende geld moest afstaan aan hem, verdachte,
en/of waarbij voornoemde (onder 2)) "enige handeling" heeft bestaan uit:
- -
het laten verblijven van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, woning en/of in de woning van een vriend/kennis van hem, verdachte, en/of
- -
het maken van foto's voor advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en/of
- -
het aanmaken en/of onderhouden van één of meer advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en/of
- -
het geven van uitleg en/of instructie aan die [slachtoffer 1] met betrekking tot de door die [slachtoffer 1] te verrichten prostitutiewerkzaamheden en/of
- -
het bepalen welke klanten die [slachtoffer 1] moest aannemen voor haar prostitutiewerkzaamheden en/of
- -
het begeleiden van die [slachtoffer 1] bij/naar escortwerkzaamheden;
2. hij, op of omstreeks
b) 9 maart 2019, te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) zijn levensgezel, [slachtoffer 1], heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]
b)(meermalen) (met kracht) (met gebalde vuist) in het gezicht en/of de zij te slaan en/of te stompen en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen;
3. hij, op of omstreeks 16 februari 2019 te Herwijnen, gemeente West Betuwe, op de rijksweg A15, althans in Nederland, [slachtoffer 2]en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door het (meermalen) tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 2]en/of [slachtoffer 3];
4. hij, op of omstreeks 7 november 2017 te Rotterdam zijn levensgezel, [slachtoffer 4], heeft mishandeld door haar in het gezicht te slaan/stompen en/of door haar (met kracht) een keukenkastje in het gezicht te slaan/gooien.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
Mensenhandel, meermalen gepleegd (artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4°, 6° en 9° van het Wetboek van Strafrecht).
Het onder 2b en 4 bewezenverklaarde levert telkens op:
Mishandeling.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Inleiding
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich ten aanzien van een kwetsbare vrouw schuldig gemaakt aan verschillende vormen van mensenhandel, zoals strafbaar gesteld in artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan mishandeling van diezelfde vrouw. Ook heeft hij zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een bedreiging van twee personen met een nepwapen en heeft hij zich nogmaals schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn ex-vriendin.
Mensenhandel valt op grond van de rechtspraak van het EHRM onder de reikwijdte van artikel 4 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) waarin is opgenomen het verbod op slavernij, dienstbaarheid of gedwongen arbeid.
De strafbaarstelling van mensenhandel is gericht op het tegengaan van de uitbuiting van personen. Bij deze strafbaarstelling staat het belang van het individu voorop. Dat belang behelst het behoud van de menselijke waardigheid, de geestelijke en lichamelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van het individu.
Seksuele uitbuiting is een vorm van mensenhandel die naar zijn aard een inbreuk oplevert op alle genoemde onderdelen van het beschermde belang van het individu.
Degene die zich schuldig maakt aan het seksueel uitbuiten van een persoon maakt zich daarom schuldig aan een zeer ernstig misdrijf.
Ernst van de bewezenverklaarde feiten
De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze in een periode van bijna een half jaar schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van het slachtoffer.
De verdachte heeft het slachtoffer in die periode gedwongen en bewogen prostitutiewerkzaamheden te verrichten en al haar verdiensten aan hem af te staan. Hij bepaalde wanneer zij moest werken en wie zij moest ontvangen. Hij heeft haar beledigd, mishandeld en bedreigd. Bovendien verkeerde het slachtoffer in een kwetsbare positie toen de verdachte haar leerde kennen: zij gebruikte drugs en had grote psychische problemen. Dit was bij de verdachte bekend, en daarvan heeft hij misbruik gemaakt. Met zijn handelen heeft de verdachte het slachtoffer seksueel uitgebuit. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een mishandeling van hetzelfde slachtoffer.
De verdachte heeft met zijn bewezenverklaarde handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en haar persoonlijke vrijheid. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten doorgaans lange tijd de psychische gevolgen hiervan ondervinden. Dat dit in het onderhavige geval niet anders is, blijkt uit het schadeonderbouwingsformulier, waaruit is gebleken dat het slachtoffer ten gevolgen van de bewezenverklaarde feiten PTSS heeft opgelopen.
Daarnaast heeft de verdachte twee willekeurige en voor hem onbekende personen bedreigd door hen een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen, terwijl zij met hoge snelheid op de snelweg reden. Uit de verklaringen van beide slachtoffers blijkt dat zij dit als zeer bedreigend hebben ervaren. De verdachte heeft door zijn handelen niet alleen gevoelens van angst bij de slachtoffers veroorzaakt, maar dergelijke feiten brengen ook in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg in de samenleving.
Tot slot heeft de verdachte zijn ex-vriendin mishandeld door haar meermalen in het gezicht te slaan. Ten gevolge van deze mishandeling heeft het slachtoffer letsel opgelopen aan haar neus en de verdachte heeft hiermee een inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit.
Justitiële documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 februari 2023, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder een partnermishandeling. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Overweging betreffende de strafmodaliteit en strafmaat
Het hof is van oordeel dat op grond van de hiervoor uiteengezette ernst van de bewezenverklaarde feiten en de gevolgen voor het slachtoffer niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Het hof heeft bij de bepaling van de strafmaat acht geslagen op de bewezenverklaarde wijze van seksuele uitbuiting (met geweld jegens en bedreiging van het slachtoffer) en op de lengte van de bewezenverklaarde periode daarvan. Ook heeft het hof acht geslagen op de ernst en de aard van de bewezenverklaarde mishandelingen en de bewezenverklaarde bedreiging. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen de straffen die doorgaans voor dergelijke feiten, afhankelijk van ernst en aard, plegen te worden opgelegd. Tevens heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte gedurende het ruime tijdsverloop sinds het plegen van de onderhavige feiten niet opnieuw is veroordeeld wegens (soortgelijke) misdrijven. Het hof is van oordeel dat – al het voorgaande afwegende – de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van in totaal 30 maanden in beginsel passend is. Het hof acht de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf derhalve te hoog.
Het hof zal naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet ook nog een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, te weten een contactverbod met het slachtoffer en de familie van het slachtoffer, opleggen, nu de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft medegedeeld dat de verdachte geen contact meer heeft opgenomen met het slachtoffer en haar familie en het hof ook anderszins geen aanwijzingen heeft die daartoe aanleiding zouden kunnen geven.
Overschrijding van de redelijke termijn
Het hof heeft geconstateerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM, nu er in de appelfase meer dan 2 jaren zijn verstreken tussen het namens de verdachte instellen van het hoger beroep op 13 februari 2020 en het eindarrest. De redelijke termijn is in hoger beroep overschreden met bijna 13 maanden.
Het hof heeft bij het bepalen van de strafmaat in matigende zin rekening gehouden met deze overschrijding van de redelijke termijn, door op de in beginsel op te leggen gevangenisstraf van 30 maanden, 3 maanden in mindering te brengen, zodat 27 maanden resteren.
Slotsom
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. In het onderhavige geval heeft de verdachte de op te leggen straf al volledig uitgezeten.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2b tenlastegelegde, tot een bedrag van € 82.145,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met proceskosten, waarvoor een bedrag van € 25,80 is gevorderd.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 47.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Materiële schade
Op basis van de verklaringen van [slachtoffer 1], de bankstortingen op de rekening van (de onderneming van) de verdachte, de aangetroffen agendanotities in de telefoon van de verdachte en de informatie met betrekking tot de eigen bankrekening van [slachtoffer 1] neemt het hof als uitgangspunt dat [slachtoffer 1] een gemiddeld inkomen had van€ 250,00 per dag dat zij verdiende met haar prostitutiewerkzaamheden en dat zij dat bedrag geheel aan de verdachte heeft moeten afstaan. Het door de verdediging aangevoerde argument dat niet aannemelijk is dat [slachtoffer 1] alles heeft moeten afstaan, omdat zij ook ‘ergens van moest leven,’ gaat – naar ’s hofs oordeel – niet op, nu zij in de bewezenverklaarde periode tevens een uitkering had.
Nu de vastgestelde periode waarin [slachtoffer 1] prostitutiewerkzaamheden heeft verricht 143 dagen betreft, zal het hof met de rechtbank de gederfde inkomsten schatten op 143 x € 250,00 = € 35.750,00. Ook de gevorderde schadevergoeding voor de verhuis- en opslagkosten ter hoogte van € 1.080,00 zullen worden toegewezen, aangezien dit naar het oordeel van het hof eveneens kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het onder 1 en 2b bewezenverklaarde.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij al met al aangetoond dat tot een bedrag van € 36.830,00 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 en 2b bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij ter zake materiële schade zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag.
Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van materiële schade.
Immateriële schade
Het hof is met betrekking tot de gevorderde vergoeding van immateriële schade van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW kan worden aangenomen. Aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde.
De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag ter hoogte van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade.
Het hof bepaalt dat over de toegewezen bedragen aan schadevergoeding wettelijke rente dient te worden betaald met ingang van 9 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op € 25,80, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van€ 46.830,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].
Namens de benadeelde partij is bij brief van 21 februari 2023 aangegeven dat de benadeelde partij extra materiële schade heeft geleden, te weten reeds door de benadeelde partij betaalde boetes van de auto van verdachte die op haar naam stond, die later door het CJIB zijn kwijtgescholden, en medische kosten in de zin van eigen risico bij de zorgkostenverzekering. Nu de benadeelde partij de gevorderde schade in hoger beroep niet kan verhogen, heeft zij verzocht de hoogte van die gevorderde materiële schade als schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het hof ziet geen aanleiding de schadevergoedingsmaatregel te verhogen met de bij brief van 21 februari 2023 gevorderde bedragen, nu naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat dit schade betreft dat een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en/of 2b bewezenverklaarde.
Vorderingen tenuitvoerlegging
Rolnummer 22-002594-16
Bij arrest van het hof Den Haag van 22 maart 2017 onder rolnummer 22-002594-16 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met bevel dat een gedeelte van die gevangenisstraf, te weten: 2 weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
Naar het oordeel van het hof zijn er echter – gelet op het tijdsverloop – nu geen termen meer aanwezig voor toewijzing van die vordering.
De vordering zal dan ook worden afgewezen.
Parketnummer 10-056607-15
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 14 september 2015 onder parketnummer 10-056607-15 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, nu de vordering tot tenuitvoerlegging te laat bij de griffie is ingediend.
De vordering tot tenuitvoerlegging dient ingevolge artikel 14g, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht binnen drie maanden na het verstrijken van de proeftijd ter griffie te zijn ingediend. De bij voormeld vonnis gestelde proeftijd is verstreken op 25 januari 2019. De onderhavige vordering is eerst op 20 januari 2020 ter griffie ingediend. Derhalve dient het Openbaar Ministerie alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2a en 5 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2b, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2b, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 en 2b bewezenverklaarde tot het bedrag van € 46.830,00 (zesenveertigduizend achthonderddertig euro) bestaande uit € 36.830,00 (zesendertigduizend achthonderddertig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 25,80 (vijfentwintig euro en tachtig cent).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 en 2b bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 46.830,00 (zesenveertigduizend achthonderddertig euro) bestaande uit € 36.830,00 (zesendertigduizend achthonderddertig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 269 (tweehonderdnegenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 maart 2019.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 20 januari 2020, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het hof Den Haag van 22 maart 2017, rolnummer 22-002594-16, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 10-056607-15.
Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden,mr. G. Knobbout en mr. M.A.J. van de Kar, in bijzijn van de griffier mr. M.V. Lievers-Roza.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 maart 2023.
mr. A.S.I. van Delden is buiten staat dit arrest te ondertekenen.