Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/6.3.4.1
6.3.4.1 Inleiding
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS510893:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 25 juli 1991 (Marc Rich/Società Italiana Impianti), NJ 1993, 554, m.nt. JCS.
HUGENHOLTZ/HEEMSKERK, no. 93 en H.J. SNIJDERS in zijn noot (sub 3a) bij HR 22 december 1995, (Vierkant Beheer/KVBBB), NJ 1997, 118.
HvJ EG 25 juli 1991 (Marc Rich/Società Italiana Impianti), NJ 1993, 554, m.nt. JCS; met het 'onderwerp' van het geding, ofwel het 'onderwerp' van de gevraagde maatregel duidt het Hof van Justitie niet op de aard van de maatregel, maar op de aard van de rechten die erdoor worden bewaard (zie daartoe 6.3.3.2).
Zie ook P. VLAS in zijn noot (sub 8) bij HvJ EG 17 november 1998 (Van Uden Maritime/DecoLine), NJ 1999, 339: 'Het gaat erom te bepalen of het onderwerp van de gevraagde maatregel onder dat toepassingsgebied valt (zie ook HvJ EG 27 maart 1979, zaak 143/78, Jur. 1979, blz. 1055, NJ 1979, 610, De Cavel I; HvJ EG 26 maart 1992, zaak C-261/90, Jur. 1992, blz. 1-2149, NJ 1996, 315, Reichert 11).'.
Vraag is of de EEX-Verordening van toepassing is als in het geding bij de gewone rechter de vraag aan de orde komt of een geldige arbitrageovereenkomst bestaat. Op dit punt zie ik twee mogelijkheden: (i) de eisende partij legt de vraag aan de rechter voor als zij een verklaring van recht vordert dat tussen partijen al dan niet een geldige overeenkomst tot arbitrage bestaat (zie 6.3.4.2); (ii) de verweerder werpt in een bij de rechter aanhangig gemaakt geding de vraag op of al dan niet een geldige overeenkomst tot arbitrage bestaat als hij zich erop beroept dat de rechter onbevoegd is uit hoofde van een tussen partijen bestaande geldige overeenkomst tot arbitrage (zie 6.3.4.3).
Het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Marc Rich/Società Italiana Impianti geeft enig houvast op dit punt. Het Hof van Justitie overweegt daarin dat het EEX ingevolge art. 1(4) EEX (art. 1 lid 2 (d) EEX-Verordening) niet van toepassing is op het geding bij de gewone rechter als het een geding bij de gewone rechter tot het voeren van een arbitraal geding betreft, zelfs niet indien bij de gewone rechter (prealabel) de vraag aan de orde komt of al dan niet een geldige overeenkomst tot arbitrage bestaat (zie 6.3.2). Volgens het Hof van Justitie is het onderwerp van het geding bepalend. Indien het onderwerp buiten het toepassingsgebied van het verdrag valt (zoals het geding tot het voeren van een arbitraal geding), dan kan het bestaan van een prealabele vraag waarop de rechter een antwoord moet geven om het geding te kunnen beslissen, ongeacht de inhoud ervan, de toepassing van het verdrag niet rechtvaardigen.1
Ik wijs nogmaals erop dat volgens Nederlands recht — anders dan blijkens de zaak Marc Rich/Società Italiana Impianti volgens het destijds op de zaak toepasselijk Engels recht de (prealabele) vraag of een geldige overeenkomst tot arbitrage tussen partijen bestaat in een geding tot benoeming van arbiters buiten toepassing kan blijven. De bevoegde rechter kan de vraag afdoen ongeacht de vraag of de overeenkomst tot arbitrage geldig is (art. 1027 lid 4 Rv) (zie 6.3.2).
Ik merk op dat als onderwerp van het geding volgens ons nationaal procesrecht niet alleen de eis van de eisende partij, doch ook het verweer van de verweerder kan worden aangemerkt.2 Het zijn dan eiser en verweerder tezamen die het onderwerp van het geding bepalen. Uit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Marc Rich/Società Italiana Impianti moeten wij kennelijk afleiden dat het Hof met het onderwerp van het geding kennelijk slechts ziet op het onderwerp van de gevraagde maatregel.3Immers, het verweer dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, wordt niet gerekend tot het onderwerp van het geding, doch aangemerkt als zogenaamde prealabele vraag.4