Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/11.4.2.1
11.4.2.1 Zorgverplichtingen
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583679:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 118-119; M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 570-571; Van Achterberg 1999, nr. 46; Wibier 2009a, nr. 43; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 292. Zie over de zorgplicht ex art. 6:154 BW o.a. Hof 's-Hertogenbosch 11 maart 2008, JOR 2008/214, m.nt. A. Steneker; en Hof Amsterdam 30 september 2008, JOR 2009/143.
Bij de overgang van vorderingen op grond van art. 7:420 BW volgt de zorgverplichting van de lasthebber (de oude schuldeiser) uit art. 7:401 BW, dat bepaalt dat de lasthebber bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed lasthebber in acht te nemen. De bepalingen van opdracht zijn op lastgeving van toepassing voor zover uit de wet niet anders voortvloeit, zie Asser/Kortmann 5-III 1994, nr. 126 e.v.; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV* 2009, nr. 53, 223.
Vgl. Meijers 1948, p. 87 e.v.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 118-119; en vgl. art. 6.1.2.7 lid 3 O.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 116, waar art. 6:154 BW in andere bewoordingen als derde lid onderdeel uitmaakte van het huidige art. 6:12BW.
Vgl. o.a. T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 118-120; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 292-293; Blomkwist 2006, nr. 21.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 119; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 292.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 119; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 292.
AI dan niet op verlangen van de schuldenaar in het kader van art. 6:88 lid 1 BW. Zie hiervóór nr. 544 e.v.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-11* 2009, nr. 261.
Zie Wiarda 1937, p. 291.
Vgl. Van der Grinten 1993, nr. 41; en Asser/Kortmann 2-12004, nr. 110.
Zie hiervóór nr. 272 (en vgl. nr. 531) respectievelijk nr. 282.
687. Zowel voor als na de overgang van de vordering rust op de oude schuldeiser jegens de nieuwe schuldeiser een zorgverplichting ten aanzien van de vordering.
Op de oude schuldeiser rust voor de overgang van de vordering een zorgverplichting jegens de nieuwe schuldeiser ten aanzien van de vordering, die ontstaat op het moment dat de oude schuldeiser redelijkerwijs met de overgang rekening moet houden.1 Daarvan is bijvoorbeeld sprake als de schuldeiser zijn vordering verkocht heeft. Deze zorgverplichting is uit verschillende bepalingen in het Burgerlijk Wetboek af te leiden. De verplichting rust onder meer op de verkoper van de vordering (art. 6:27 jo 7:9 jo 7:47 BW),2 op de nieuwe schuldeiser die weet van een tekortkoming die tot ontbinding aanleiding kan geven (art. 6:273 BW, art. 7:10 lid 4 tweede zin BW en vgl. art. 6:204 lid 1 BW) en op de koper die de vordering heeft ontvangen, maar voornemens is deze te weigeren (art. 7:29 lid 1 jo 7:47 BW).3 In de periode voorafgaand aan de overgang is sprake van een fiduciaire rechtsverhouding tussen degene die de vordering nog onder zich heeft (de oude schuldeiser) en degene die de vordering zal verkrijgen (de nieuwe schuldeiser).4 Bij subrogatie komt een vergelijkbare zorgverplichting voor. De schuldeiser is jegens degene die, zo hij de vordering voldoet, zal worden gesubrogeerd, verplicht zich te onthouden van elke gedraging die ten koste van deze afbreuk doet aan de rechten waarin hij mag verwachten krachtens subrogatie te zullen treden (art. 6:154 BW). Deze verplichting rust bijvoorbeeld op de schuldeiser als een derde zich hoofdelijk voor de schuld van een ander verbindt (art. 6:12 BW).5Art. 7:962 lid 1 tweede zin BW (subrogatie bij verzekeringen) bevat een vergelijkbare regel als art. 6:154 BW.
Uit hoofde van zijn zorgverplichting is de oude schuldeiser verplicht om zich te onthouden van gedragingen die afbreuk kunnen doen aan de vordering, zoals het prijsgeven van rechten zoals zekerheidsrechten en voorrechten, het toestaan van verweermiddelen van de schuldenaar, het bemoeilijken van de bewijspositie en het onoverdraagbaar maken van de vordering.6Geeft de schuldeiser rechten prijs in de periode voordat hij redelijkerwijs met de overgang van vordering rekening diende te houden, dan levert dit geen schending op van zijn zorgverplichting.7 Bij subrogatie schendt de oude schuldeiser zijn zorgverplichting niet als hij afstand doet van rechten jegens derden, zoals een derdenpand of derdenhypotheek, omdat deze rechten bij subrogatie niet op de nieuwe schuldeiser overgaan.8
Als de schuldeiser de keuze heeft tussen het uitoefenen van verschillende bevoegdheden, kan uit zijn zorgverplichting voortvloeien dat hij in overleg treedt met de toekomstige schuldeiser alvorens een rechtshandeling te verrichten. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als bij een tekortkoming door de schuldenaar, de schuldeiser dient te beslissen of hij nakoming of vervangende schadevergoeding vordert of de overeenkomst ontbindt.9 Ook bij het door opzegging vervroegd opeisbaar maken van de vordering of het uitoefenen van een keuzerecht bij een alternatieve verbintenis in de periode dat de schuldeiser redelijkerwijs met de overgang rekening moet houden, vloeit in beginsel uit zijn zorgverplichting jegens de nieuwe schuldeiser voort dat hij met hem in overleg treedt over de uitoefening van de bevoegdheid.
688. Na de overgang van de vordering kan tussen de oude schuldeiser en de nieuwe schuldeiser een rechtsverhouding blijven bestaan. Blijft de aan de vordering ten grondslag liggende rechtsverhouding uit overeenkomst bij de oude schuldeiser achter of blijven niet-afhankelijke zekerheidsrechten zoals een retentierecht, een eigendomsvoorbehoud of een vordering jegens een hoofdelijke schuldenaar bij de oude schuldeiser, dan is hij op grond daarvan gehouden bij de uitoefening van deze bevoegdheden en rechten rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de nieuwe schuldeiser.10 Op grond van hun rechtsverhouding kan de oude schuldeiser gehouden zijn om de overeenkomst te ontbinden, op te zeggen of te vernietigen in het belang van de nieuwe schuldeiser, al dan niet op diens verzoek, of daar juist van af te zien.11 Daarnaast zal hij ook met zijn eigen gerechtvaardigde beIangen bij de ontbinding, opzegging of vernietiging rekening mogen houden. Of de oude schuldeiser in zijn verhouding tot de nieuwe schuldeiser bevoegd of verplicht is tot ontbinding, opzegging dan wel vernietiging van de aan de vordering onderliggende overeenkomst, dient per geval beoordeeld te worden en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een algemene regel is niet te geven.12 De oude schuldeiser is gehouden om een retentierecht en een eigendomsvoorbehoud, die na de overgang van de vordering bij de oude schuldeiser achterblijven,13 ten behoeve van de nieuwe schuldeiser in te roepen bij niet-nakoming door de schuldenaar, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. De nieuwe schuldeiser is jegens de oude schuldeiser gehouden hem te informeren over een niet-nakoming of een (toerekenbare) tekortkoming door de schuldenaar, gelet op de vereisten voor de bevoegdheid tot opschorting en ontbinding en het inroepen van een retentierecht of een eigendomsvoorbehoud. Oefent de schuldenaar bij niet-nakoming zijn bevoegdheid tot termijnstelling ex art. 6:88 lid 1 BW uit, dan dienen de oude en de nieuwe schuldeiser binnen de door de schuldenaar gestelde termijn gezamenlijk aan de schuldenaar te laten weten of de oude schuldeiser de overeenkomst ontbindt of dat de nieuwe schuldeiser nakoming of vervangende schadevergoeding wenst. Op de oude en de nieuwe schuldeiser rust in dit geval de verplichting tot samenwerking.