Rechtbank Gelderland 1 februari 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:479.
HR, 18-07-2025, nr. 24/02431
ECLI:NL:HR:2025:1172
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-07-2025
- Zaaknummer
24/02431
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1172, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑07‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:2133
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:349
ECLI:NL:PHR:2025:349, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1172
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑06‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0067
JIN 2025/126 met annotatie van mr. R.J.G. Mengelberg
TvPP 2025/40, p.207 met annotatie van F.M.R. den Hartog
JBPr 2025/66 met annotatie van mr. G.C.C. Lewin
JBPr 2025/66 met annotatie van mr. G.C.C. Lewin
Uitspraak 18‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Art. 133 lid 4 Rv. Rolbeslissing dat recht op vragen akte of mondelinge behandeling is vervallen door uitblijven instructie na memorie van antwoord. Ten onrechte eindarrest gewezen zonder te beslissen op later verzoek om mondelinge behandeling?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/02431
Datum 18 juli 2025
ARREST
In de zaak van
[de zoon] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
hierna: de zoon,
advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele,
tegen
[de dochter] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de dochter,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/05/399314 / HZ ZA 22-42 van de rechtbank Gelderland van 7 september 2022 en 1 februari 2023;
b. de rolbeslissingen en het arrest in de zaak 200.328.315 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 januari 2024 (rolbeslissing), 13 februari 2024 (rolbeslissing) en 26 maart 2024.
De zoon heeft tegen de rolbeslissingen en het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen de dochter is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van de zoon hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De moeder van partijen is in 2018 overleden. De zoon en de dochter zijn haar enige erfgenamen. Zij hebben haar nalatenschap zuiver aanvaard.
(ii) De zoon en de dochter zijn niet tot overeenstemming gekomen over de verdeling van de nalatenschap.
2.2
De dochter vordert in deze procedure vaststelling van de verdeling van de nalatenschap. In reconventie vordert de zoon eveneens vaststelling van de verdeling van de nalatenschap. Bij vonnis van 1 februari 2023 heeft de rechtbank de verdeling vastgesteld.1.
2.3
De zoon heeft hoger beroep ingesteld. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.2.
2.4
Voor zover in cassatie van belang blijkt uit het roljournaal van het hof het volgende procesverloop.
(i) Nadat op 2 januari 2024 de dochter haar memorie van antwoord had genomen, is de zaak aangehouden tot 16 januari 2024 voor ‘selectie mondelinge behandeling’.
(ii) Op 16 januari 2024 heeft het hof de zaak niet geselecteerd voor een mondelinge behandeling en heeft het de zaak aangehouden tot 30 januari 2014 voor ‘beraad partijen’.
(iii) Voor of op 30 januari 2024 hebben partijen geen rolinstructie gegeven. Op 30 januari 2024 heeft het hof beslist dat het recht van partijen op het vragen van een akte of mondelinge behandeling is vervallen. Het hof heeft de zaak toen aangehouden tot 13 februari 2024 voor fourneren van het procesdossier.
(iv) Op 13 februari 2024 heeft de dochter gefourneerd en heeft de zoon een termijn voor het nemen van een akte gevraagd, waartegen de dochter bezwaar heeft gemaakt. Het hof heeft het akteverzoek van de zoon opgevat als een verzoek om gelegenheid voor repliek en heeft dit afgewezen.
(v) Op 26 maart 2024 heeft het hof eindarrest gewezen
2.5
Uit de in cassatie overgelegde stukken blijkt dat de zoon op 21 februari 2024 het hof heeft verzocht om een mondelinge behandeling. De dochter heeft op 26 februari 2024 bezwaar gemaakt tegen dat verzoek, onder meer met het argument dat na partijberaad het recht op het verzoeken van een mondelinge behandeling is vervallen. Het procesdossier biedt geen aanknopingspunt om aan te nemen dat het hof hieromtrent een beslissing heeft genomen.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.1 Middel I is gericht tegen de rolbeslissing van 30 januari 2024 dat het recht op het vragen van een akte of een mondelinge behandeling is vervallen. Het middel klaagt dat deze beslissing blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat een verzoek om een mondelinge behandeling slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgewezen en het hof daaromtrent niets heeft vastgesteld. Voorts klaagt het middel dat ook het vervallen van het recht om te verzoeken een akte te mogen nemen, gemotiveerd had moeten worden.
3.1.2 De rechter stelt de termijnen vast voor het nemen van de conclusies en voor het verrichten van andere proceshandelingen (art. 133 leden 1 en 3 Rv). Wanneer een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, vervalt het recht om de desbetreffende proceshandeling te verrichten (art. 133 lid 4 Rv). Deze bepalingen zijn in hoger beroep van overeenkomstige toepassing (art. 353 Rv).
3.1.3 Art. 1.12 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven dat van toepassing was van 1 januari 2024 tot 1 juli 2024 (hierna: Lpr)3., bepaalt dat de termijnen ambtshalve worden gehandhaafd, tenzij uit het reglement anders voortvloeit, en dat indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en van die termijn geen uitstel kan worden verkregen, het recht vervalt de proceshandeling te verrichten. Verder volgt uit art. 1.14 Lpr dat uiterlijk vier dagen voor de afloop van de desbetreffende termijn een verzoek tot uitstel kan worden gedaan op grond van klemmende redenen, en dat als een partij door overmacht niet in staat is het verzoek in te dienen binnen die termijn van vier dagen, zij het hof daarvan bij eerste gelegenheid bericht dient te geven.
Ten aanzien van het ‘partijberaad’ bepaalt art. 2.25 Lpr dat na de roldatum waarop de memorie van antwoord, dan wel de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep, kon worden genomen, een termijn van twee weken wordt verleend om een verzoek in te dienen tot het nemen van een akte of het vragen van een mondelinge behandeling, het wijzen van arrest of doorhaling, en dat als een dergelijk verzoek achterwege blijft, de zaak wordt verwezen naar een roldatum op een termijn van twee weken voor het fourneren van de procesdossiers.
3.1.4 Uit hetgeen hiervoor in 3.1.2 en 3.1.3 is overwogen volgt dat de zoon door het ongebruikt laten verstrijken van de (hiervoor in 2.4 onder (ii) bedoelde) termijn voor ‘beraad partijen’ niet langer het recht had te verzoeken om een mondelinge behandeling of om een akte te mogen nemen. De rolbeslissing van 30 januari 2024 is in overeenstemming met de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Lpr en behoefde geen nadere motivering.
3.1.5 Indien als gevolg van het ongebruikt laten verstrijken van de desbetreffende termijn het recht om te vragen om een mondelinge behandeling is vervallen, kan de rechter een nadien gedaan verzoek om een mondelinge behandeling op die enkele grond afwijzen. In dat geval geldt niet de regel dat een verzoek om een mondelinge behandeling slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgewezen.4.
3.1.6 Middel I faalt derhalve.
3.2.1 Middel II klaagt over de afwijzing van het verzoek van de zoon op de rol van 13 februari 2014 om een termijn voor het nemen van een akte (zie hiervoor in 2.4 onder (iv)). Het middel klaagt dat die afwijzing onjuist althans onbegrijpelijk is.
3.2.2 Het roljournaal vermeldt als reden voor de afwijzing van het verzoek van de zoon: “Het hof verstaat het akteverzoek als een verzoek om repliek -> de rolraadsheer wijst het verzoek af, repliek is niet toegestaan, gelet op de twee-conclusie regel”.
Volgens een door de zoon in cassatie overgelegde brief van 13 februari 2024 heeft hij verzocht om een termijn voor het nemen van een akte “aangezien hij het gestelde bij antwoordmemorie integraal betwist en waartoe hij als hier herhaald en ingelast wenst te beschouwen hetgeen hij bij memorie van grieven heeft gesteld en waartoe hij expliciet bewijs aanbiedt”.
In het licht daarvan en omdat de zoon de termijn voor ‘beraad partijen’ ongebruikt had laten verstrijken, is niet onbegrijpelijk dat het hof het verzoek heeft opgevat als een verzoek te mogen repliceren. Dat verzoek kon het hof afwijzen op de grond die het heeft genoemd.
Middel II faalt daarom.
3.3.1 Middel III klaagt dat het hof eindarrest heeft gewezen zonder kenbaar te beslissen op het hiervoor in 2.5 genoemde verzoek van de zoon om een mondelinge behandeling.
3.3.2 Omdat het roljournaal en het eindarrest van het hof het verzoek van 21 februari 2024 niet vermelden, moet worden aangenomen dat het hof op het verzoek geen beslissing heeft genomen. Dit houdt mogelijk verband met het feit dat in het verzoek van 21 februari 2024 als roldatum 14 mei 2024 was genoemd.
3.3.3 Middel III kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. De omstandigheden van dit geval laten geen andere conclusie toe dan dat het hof het verzoek van 21 februari 2024 zou hebben afgewezen. Immers, het hof had op 30 januari 2024 al op goede gronden beslist dat het recht om een mondelinge behandeling te verzoeken was vervallen (zie hiervoor in 3.1.4), en de zoon heeft ter toelichting van zijn verzoek van 21 februari 2024 slechts aangevoerd “gezien de persoonlijke familierechtelijke betrekkingen tussen partijen en de afwikkeling van de nalatenschap van hun ouders”, en verzuimd gronden aan te voeren waarop het hof van zijn beslissing van 30 januari 2024 zou moeten terugkomen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de zoon in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de dochter begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 18 juli 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑07‑2025
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2133.
Stcrt. 2023, nr. 32703.
Vgl. onder meer HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:449, rov. 3.4.
Conclusie 21‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Verval recht om akte te nemen en verval recht op mondelinge behandeling o.g.v. de art. 2.25 en 1.12 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven en art. 133 leden 1, 3 en 4 Rv. Weigering om akte alsnog toe te staan. Rolbeschikkingen? Bestaat recht op het nemen van een akte? Recht op een mondelinge behandeling. Mogelijkheden om van vervallenverklaring terug te komen. Verzoek waarvan niet blijk dat dit het hof heeft bereikt. Feitelijk grondslag cassatieklachten (art. 419 lid 2 Rv).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02431
Zitting 21 maart 2025
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
[de zoon] ,
eiser tot cassatie,
advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele
tegen
[de dochter] ,
verweerster in cassatie,
niet verschenen
Partijen worden hierna aangeduid als de zoon en de dochter.
1. Inleiding en samenvatting
Deze zaak heeft inhoudelijk betrekking op de verdeling van de nalatenschap van de moeder van partijen. In cassatie gaat het echter uitsluitend om een zuiver processuele kwestie. De zaak is na de memorie van antwoord door het hof op de rol geplaatst voor beraad partijen. Toen partijen binnen de daarvoor gestelde termijn geen instructie hadden gegeven, heeft het hof op de rol bepaald dat hun recht op het vragen van een akte of een mondelinge behandeling was vervallen. Het hof heeft daarna op de rol een verzoek van de zoon om een termijn voor het nemen van een akte afgewezen. Het hof heeft vervolgens eindarrest gewezen.
In cassatie wordt geklaagd dat het hof zijn beslissing dat het recht op een akte en het recht op een mondelinge behandeling is vervallen, niet naar behoren heeft gemotiveerd, en dat het hof het verzoek van de zoon om een akte te mogen nemen heeft afgewezen met een ondeugdelijke motivering. Van deze beslissingen van het hof blijkt uitsluitend uit de bij de procesinleiding in cassatie overgelegde uitdraai van het roljournaal van het hof. Voorts voeren de middelen aan dat het hof ten onrechte zonder enige motivering is voorbijgegaan aan een naderhand ingediend verzoek van de zoon om een mondelinge behandeling te houden.
Het beroep is ongegrond. De middelen zien eraan voorbij dat de beslissing van het hof dat het recht om een akte te mogen nemen en het recht op een mondelinge behandeling zijn vervallen, berust op de relevante bepalingen van het procesreglement en op art. 133 lid 4 Rv. Laatstgenoemde bepaling houdt in dat wanneer een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, het recht om de desbetreffende proceshandeling te verrichten vervalt. Vanwege het verval van het recht op een akte heeft het hof niet behoeven in te gaan op het latere verzoek om nog een akte te mogen nemen. Dat de zoon later nog een verzoek heeft gedaan om een mondelinge behandeling te houden, blijkt niet uit de stukken van het geding, nu niet blijkt dat zijn verzoek het hof heeft bereikt. Overigens had het hof niet op dat verzoek behoeven in te gaan, nu naar zijn vaststelling het recht op een mondelinge behandeling al was vervallen.
In het vervolg van deze conclusie werk ik het voorgaande uit.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
(i) De moeder van partijen is op 28 mei 2018 overleden. Partijen zijn haar enige erfgenamen. Zij hebben haar nalatenschap zuiver aanvaard.
(ii) Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen over de verdeling van de nalatenschap van hun moeder.
2.2
Bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 25 januari 2022 heeft de dochter de zoon gedagvaard voor de rechtbank Gelderland en gevorderd dat de rechtbank op grond van art. 3:185 BW de verdeling van de nalatenschap vaststelt. De zoon heeft in reconventie dezelfde vordering ingesteld. Bij vonnis van 1 februari 2023 heeft de rechtbank de verdeling vastgesteld.2.
2.3
De zoon heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof Arnhem-Leeuwarden.
Blijkens het roljournaal van het hof is op de rol van 16 januari 2024 bepaald dat de zaak niet (door het hof) is geselecteerd voor een mondelinge behandeling na memorie van antwoord. Het hof heeft de zaak naar de rol van 30 januari 2024 verwezen voor beraad partijen. Blijkens het roljournaal hebben partijen geen instructie voor de rol van die datum gegeven (‘Partijen geen instructie’). Blijkens het roljournaal is daarop op de rol van 30 januari 2024 bepaald dat het recht op het vragen van een akte of mondelinge behandeling is vervallen (‘Partijen recht op vragen akte of mondelinge behandeling vervallen’).
Het roljournaal vermeldt bij de rol van 13 februari 2024, voor zover van belang, dat de dochter heeft gefourneerd, dat de zoon ‘een termijn akte’ vraagt en dat de dochter bezwaar maakt tegen de akte. Als beslissing vermeldt het roljournaal bij die datum dat ‘het hof het akteverzoek verstaat als een verzoek om repliek’ en dat ‘de rolraadsheer het verzoek afwijst omdat repliek niet is toegestaan, gelet op de tweeconclusieregel’. Daarna vermeldt het roljournaal, voor zover belang, dat op 26 maart 2024 arrest is gewezen, op één dossier.
2.4
Bij arrest van 26 maart 2024 heeft het hof, voor zover van belang, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.3.Dit arrest bevat geen vaststellingen of overwegingen over het toestaan van een akte of een mondelinge behandeling.
2.5
De zoon heeft tijdig cassatieberoep ingesteld.4.Het beroep is volgens de procesinleiding gericht tegen de ‘rolbeslissingen’ van 30 januari 2024 en 13 februari 2024 en het arrest van 26 maart 2024. De dochter is in cassatie niet verschenen. Het beroep is niet schriftelijk door de zoon toegelicht.
3. Bespreking van de cassatiemiddelen
3.1
De zoon voert drie cassatiemiddelen aan. Middel I is gericht tegen de beslissing van 30 januari 2024 dat het recht op het vragen van een akte en op een mondelinge behandeling is komen te vervallen. Middel II bestrijdt de beslissing van 13 februari 2024 waarbij het verzoek om een akte te mogen nemen is afgewezen. Middel III betoogt dat het hof ten onrechte in zijn arrest van 26 maart 2024 voorbij is gegaan aan een verzoek van de zoon om een mondelinge behandeling te houden.
Rechtskarakter beslissingen van 30 januari 2024 en 13 februari 2024
3.2
De middelen I en II zijn gericht tegen wat ik gemakshalve, met de middelen, aanduid als rolbeslissingen. Onder een rolbeslissing versta ik iedere beslissing die op de rol wordt genomen door de rolrechter of rolraadsheer. Het rechtskarakter van een dergelijke beslissing hangt af van hetgeen waarop die beslissing betrekking heeft en hetgeen die beslissing inhoudt. Voor sommige rolbeslissingen wordt de term ‘rolbeschikking’ gehanteerd (deze beschikkingen worden vaak ook als ‘rolbeslissing’ aangeduid, maar dat is m.i. niet handig omdat er dan geen afzonderlijke aanduiding is voor beslissingen die ter rolle worden gegeven). Rolbeschikkingen zijn beschikkingen die naar hun aard van zo weinig belang zijn dat daartegen om die reden geen rechtsmiddel openstaat. Het gaat om beslissingen die niet op enige wijze ingrijpen in de rechten en belangen van partijen en louter worden gegeven ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van een geregeld verloop van de procesgang.5.Dergelijke beslissingen behoeven niet te worden gemotiveerd. Of sprake is van een rolbeschikking of van een voor hogere voorziening vatbare (eveneens op de rol genomen) beslissing, moet niet naar de vorm maar naar de inhoud van die beslissing worden beoordeeld. Rechterlijke beslissingen waardoor partijen enig recht niet (langer) geldend kunnen maken, gelden niet als eigenlijke rolbeschikkingen, die dus niet voor een hogere voorziening vatbaar zijn.6.Dergelijke in rechten of (wezenlijke) belangen ingrijpende beslissingen worden veelal aangeduid als (tussen)vonnis of -arrest, om tot uitdrukking te brengen dat daarvan beroep openstaat.
3.3
De beslissing van 30 januari 2024 is aldus aan te merken als een (tussen)arrest waartegen cassatieberoep openstaat, nu partijen door die beslissing het recht is ontnomen op een mondelinge behandeling en het recht om nog een akte te nemen. Voor wie dat verhelderend vindt: de vervallenverklaring van dat recht is blijkens het procesreglement de verlening van een akte niet-dienen.7.
3.4
Over de beslissing van 13 februari 2024 tot weigering van het verzoek om nog een akte te mogen nemen, is blijkens de literatuur discussie mogelijk. Vooropgesteld kan worden dat de wet noch het procesreglement de zoon het recht gaf om een akte te nemen ten tijde van die beslissing. De wet geeft partijen dat recht sowieso niet. De art. 347 en 353 lid 1 Rv geven partijen alléén aanspraak op de reguliere memories van grieven en antwoord.8.De appelrechter kan daarnaast nadere memories en aktes toestaan, maar de wet verplicht de appelrechter daartoe niet.9.Iets anders is dat aktes in de praktijk reeds lang plegen te worden toegestaan in hoger beroep. Het huidige procesreglement van de hoven geeft dit recht ook uitdrukkelijk aan partijen.10.Dat recht was in deze zaak echter al op 13 februari 2024 vervallen, op grond van de beslissing van 30 januari 2024.
In de literatuur wordt wel aangenomen dat een weigering van een akte geen beslissing oplevert die voor beroep vatbaar is – dus wel een rolbeschikking is –, mits nog recht op een mondelinge behandeling bestaat. Kennelijk is hierbij de gedachte dat de betrokken partij niet wezenlijk in zijn belangen wordt geschaad door een weigering de akte toe te staan.11.
Ik zou echter menen dat, als de rechter een akte weigert, uitgangspunt moet zijn dat een partij daardoor steeds zodanig in haar belangen wordt geschaad dat geen sprake is van een rolbeschikking, maar van een voor beroep vatbare beslissing (het hier voor in 3.2 genoemde criterium om aan te nemen dat geen sprake is van een rolbeschikking). Die partij wordt daarmee immers de mogelijkheid onthouden om zich uit te laten. Dat die partij nog een mondelinge behandeling kan vragen, waarop zij alsnog haar punt kan maken, lijkt me geen goede grond voor een uitzondering. Een mondelinge behandeling kan immers aanmerkelijk meer tijd en kosten met zich brengen en vormt dus niet altijd een behoorlijk alternatief. Een onevenredige belasting van de rechtspleging levert het niet maken van deze uitzondering m.i. niet op. In de gevallen dat geen recht op het nemen van de akte bestaat, zal een klacht tegen de weigering tot het mogen nemen van de akte veelal erop vastlopen dat dit recht ontbreekt en dat het toestaan van de akte daarom in beginsel is overgelaten aan het beleid van de rechter. Het voordeel van het niet maken van deze uitzondering is uiteraard dat als wél recht bestaat op het nemen van de akte dan wel – wat praktisch op hetzelfde neerkomt – de goede procesorde meebrengt dat de rechter het nemen van die akte dient toe te staan, dat steeds in een hogere instantie aan de orde kan worden gesteld. Het weigeren van een akte valt m.i. dan ook steeds aan te merken als een voor beroep vatbare beslissing.12.Overigens bestond in dit geval geen recht meer op een mondelinge behandeling, gegeven de beslissing van de rolraadsheer van 30 januari 2024, en is de nuance die een deel van de literatuur wil aanbrengen, in dit geval dus ook niet van toepassing.
De zoon is dus mede in het cassatieberoep tegen de beslissing van 13 februari 2024 ontvankelijk te achten.
Geen schriftelijke uitwerking beslissingen van 30 januari 2024 en 13 februari 2024
3.5
De beslissingen van 30 januari 2024 en 13 februari 2024 zijn niet schriftelijk uitgewerkt en dus niet nader gemotiveerd. Een schriftelijke uitwerking van die beslissingen had wel gevraagd kunnen worden aan het hof met het oog op het cassatieberoep. Een rolbeslissing wordt veelal alleen aangetekend op de rol (in het roljournaal), zoals in dit geval ook is gebeurd. Voor rolbeslissingen die slechts rolbeschikking zijn in de hiervoor in 3.2 genoemde zin, is dat zonder meer passend, omdat deze niet behoeven te worden gemotiveerd en daarvan toch geen rechtsmiddel openstaat. Dat geldt echter niet zonder meer voor rolbeslissingen die op grond van het daar vermelde zijn aan te merken als vonnis of arrest. De praktijk eist of brengt echter mee dat bij die beslissingen volstaan moet kunnen worden met genoemde enkele aantekening, omdat van het leeuwendeel van de rolbeslissingen toch geen rechtsmiddel wordt aangewend. Als een partij echter wel beroep wil instellen, ligt het voor de hand dat zij kan vragen om alsnog een schriftelijke uitwerking van de beslissing te geven, met daarin dus de (precieze) motivering daarvoor. In mijn recente conclusie in de zaak 23/02289 ging ik hierop al in.13.Daarbij heb ik erop gewezen dat partijen voor- en nadeel kunnen hebben van het al dan niet vragen van een schriftelijke uitwerking. In dit geval hebben partijen ervan afgezien om deze uitwerking te vragen. Daarbij attendeer ik erop dat dit wat betreft de zoon niet kan berusten op mogelijke onbekendheid met deze mogelijkheid. Hij wordt in cassatie bijgestaan door een advocaat die ook betrokken was bij zaak 23/02289. Overigens denk ik dat in dit geval, net als het geval was in zaak 23/02289, het cassatieberoep goed beoordeeld kan worden zonder een schriftelijke uitwerking van de beslissingen, in dit geval dus die van 30 januari 2024 en 13 februari 2024.
Bespreking middel I
3.6
Middel I klaagt dat de beslissing van 30 januari 2024 dat het recht van partijen om te vragen om een akte of een mondelinge behandeling vervallen is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het middel heeft het hof miskend dat een verzoek om een mondelinge behandeling slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgewezen, dat de rechter de redenen voor een dergelijke afwijzing uitdrukkelijk moet vermelden en dat hij zijn beslissing daaromtrent uitdrukkelijk moet motiveren. Van uitzonderlijke omstandigheden is in dit geval volgens het middel geen sprake en het hof heeft ook niet vastgesteld dat dit het geval zou zijn. Volgens het middel moet ook voor het verval van het recht om een akte te nemen worden aangenomen dat dit deugdelijk moet worden gemotiveerd. Het verval van dat recht kan volgens het middel in elk geval niet worden gedragen door het gegeven dat partijen geen instructie hebben gegeven toen de zaak op de rol stond voor beraad partijen, omdat noch de wet noch het procesreglement bepaalt dat het recht om een akte te mogen nemen om deze reden zou kunnen vervallen.
3.7
Art. 87 lid 8 Rv bepaalt dat indien geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, de rechter, voordat hij over de zaak beslist, aan partijen desverlangd de gelegenheid biedt hun standpunt mondeling uiteen te zetten. Op grond van art. 353 lid 1 Rv is art. 87 Rv ook van toepassing in hoger beroep. Blijkens de op laatstgenoemde bepaling gegeven parlementaire toelichting is art. 87 lid 8 Rv ingevoerd in verband met het vervallen van het recht op pleidooi in art. 134 (oud) Rv.14.De rechtspraak van de Hoge Raad over een op de voet van art. 134 lid 1 (oud) Rv gedaan verzoek om pleidooi, heeft dan ook zijn betekenis behouden voor de vraag of de rechter een op de voet van art. 87 lid 8 Rv gedaan verzoek om een mondelinge behandeling mag afwijzen. Die rechtspraak komt erop neer dat een dergelijk verzoek slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgewezen. Voor dat laatste is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij klemmende redenen worden aangevoerd tegen toewijzing van het verzoek of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde. In elk van deze beide gevallen zal de rechter de redenen voor de afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk moeten motiveren.15.
Juist is dus de stelling van het middel dat een verzoek om een mondelinge behandeling (in het art. 87 lid 8 Rv genoemde geval) slechts in uitzonderlijke omstandigheden mag worden geweigerd en dat de rechter een dergelijke afwijzing uitdrukkelijk moet motiveren. Het middel miskent echter dat van een dergelijk verzoek om een mondelinge behandeling in deze zaak geen sprake was op het moment waarop de rolbeslissing van 30 januari 2024 werd genomen. Partijen hebben immers blijkens het roljournaal geen instructie gegeven voor de rol van die datum, waarop de zaak voor beraad partijen stond. De bijzondere regels waarop het middel een beroep doet, zijn dus niet van toepassing op de beslissing van 30 januari 2024.
3.8
De beslissing van 30 januari 2024 is overigens niet onjuist en evenmin niet naar behoren gemotiveerd. De termijnen voor het verrichten van proceshandelingen en de mogelijkheid van uitstel voor die handelingen worden op grond van art. 133 leden 1 en 3 Rv door de rechter bepaald. Art. 133 lid 4 Rv bepaalt dat wanneer een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, het recht om de desbetreffende proceshandeling te verrichten vervalt.
Het al genoemde art. 2.25 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna: Lpr) bepaalt onder het kopje ‘Partijberaad’ dat na de roldatum waarop de memorie van antwoord kon worden genomen, een termijn van twee weken wordt verleend om een verzoek in te dienen dat onder meer kan strekken tot het nemen van een akte of het vragen van een mondelinge behandeling. Als een dergelijk verzoek achterwege blijft, wordt de zaak volgens art. 2.25 Lpr verwezen naar een roldatum op een termijn van twee weken voor fourneren.
Art. 1.12 Lpr bepaalt dat de termijnen (van het reglement) ambtshalve worden gehandhaafd en dat als een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en van die termijn geen uitstel kan worden verkregen, het recht om de proceshandeling te verrichten vervalt. Een aanzegging akte niet-dienen vindt dus niet plaats.16.
Art. 1.14 Lpr voorziet in het vragen van uitstel. Een dergelijk verzoek moet worden gedaan binnen de geldende termijn, behoudens overmacht, in welk geval het verzoek zo snel mogelijk moet worden gedaan. Uiteraard moet het verzoek naar behoren zijn gemotiveerd.
Uit een en ander volgt dat als geen akte of mondelinge behandeling wordt gevraagd op de rol waarop de zaak voor partijberaad staat als bedoeld in art. 2.25 Lpr, het recht op een akte en op een mondelinge behandeling vervalt, tenzij tijdig een uitstelverzoek is gedaan en gehonoreerd als bedoeld in art. 1.14 Lpr. Niet blijkt dat in dit geval een dergelijk uitstelverzoek is gedaan. Dat dit het geval is, wordt althans niet aangevoerd.
3.9
Naar ik meen staan de aard en de inhoud van het recht om een akte te mogen nemen – dat als gezegd wettelijk niet bestaat, maar alleen door het hier toepasselijke procesreglement wordt gegeven – en het recht op een mondelinge behandeling, niet in de weg aan een stringente regeling van de termijn waarop om een akte of een mondelinge behandeling moet worden gevraagd, zoals de art. 2.25 en 1.12 Lpr blijkens het voorgaande bevatten. Art. 133 Rv geeft daartoe immers uitdrukkelijk de mogelijkheid.17.Daarbij merk ik nog op dat, zoals hiervoor bleek, art. 1.14 Lpr een ontsnappingsmogelijkheid kent voor de gevallen waarin deze noodzakelijk is, en dat die ontsnappingsmogelijkheid ook aanwezig is in de vorm van het kunnen doen van het verzoek om terug te komen van een bindende eindbeslissing als deze onjuist blijkt. Dat verzoek is ook mogelijk bij een zogeheten akte niet-dienen.18.Een dergelijk verzoek is in deze zaak evenmin gedaan, althans dat wordt niet aangevoerd. De middelen bevatten ook geen klachten die op het voorgaande betrekking hebben.
3.10
Uit het voorgaande volgt dat het middel ongegrond is.
Bespreking middel II
3.11
Middel II voert aan dat van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft of onbegrijpelijk is de beslissing van 13 februari 2024 om het akteverzoek van de zoon te verstaan als een verzoek om een repliek te mogen geven en dit verzoek af te wijzen, welke beslissing erop berust dat repliek niet toegestaan zou zijn, gezien de tweeconclusieregel. Volgens het middel heeft het hof miskend dat uit het akteverzoek niet blijkt dat de beoogde akte zou neerkomen op iets anders dan wat art. 1.2, aanhef en onder b, Lpr onder een akte verstaat, namelijk “een processtuk dat een korte mededeling, zoals een enkele erkenning of ontkenning, een bewijsaanbod, de aankondiging van een productie of een reactie daarop bevat”. Voorts wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat de tweeconclusieregel er niet aan in de weg staat dat een partij bij akte producties overlegt, bewijs aanbiedt of (kort) reageert op een processtuk van de wederpartij, dat een partij eerder betrokken stellingen mag uitwerken of preciseren en dat het beginsel van hoor en wederhoor meebrengt dat een partij in beginsel bij akte mag reageren op een processtuk van de wederpartij.
3.12
Het middel is ongegrond. Zoals hiervoor in 3.8 opgemerkt, is het recht om een akte te nemen, blijkens de vermelding in het roljournaal van hetgeen op de rol van 30 januari 2024 is gebeurd, komen te vervallen doordat partijen geen instructie hebben gegeven, terwijl de zaak op de rol stond voor beraad partijen als bedoeld in art. 2.25 Lpr. Reeds om die reden had de zoon op 13 februari 2024 geen recht meer om nog een akte te nemen. Kennelijk heeft het hof het akteverzoek, omdat het recht op het nemen van de akte al was vervallen, opgevat als een verzoek om repliek, waarvoor, gelet op art. 347 Rv, dat als gezegd slechts twee conclusies toestaat, geen plaats is. Mogelijk heeft het hof daarvoor ook grond gevonden in de inhoud van het verzoek. Dat oordeel is, als berustende op een uitleg van het verzoek, feitelijk. Gelet op de inhoud van het verzoek, dat naar ik begrijp volgens de zoon is gedaan bij de door hem in cassatie overgelegde brief van 13 februari 2024 – waarvan overigens niet blijkt dat deze door het hof is ontvangen en dat deze derhalve behoort tot de stukken van het geding –, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. De brief vermeldt namelijk:
‘(…) Derhalve mag ik u (…) verzoeken te beslissen deze procedure (…) alsnog naar de rol te verwijzen voor het nemen van een nadere akte, aangezien [de zoon] het gestelde bij antwoordmemorie integraal betwist en waartoe hij als hier herhaald en ingelast wenst te beschouwen hetgeen hij bij memorie van grieven heeft gesteld en waartoe hij expliciet bewijs aanbiedt. (…)’
Dit kan denk ik wel worden verstaan als een verzoek om een repliek. Dat de brief ook anders gelezen zou kunnen worden, is onvoldoende om de lezing van het hof onbegrijpelijk te doen zijn in de zin waar het bij de toetsing op begrijpelijkheid van feitelijke oordelen van de lagere rechter in cassatie om gaat.
Bespreking middel III
3.13
Middel III klaagt dat het hof ten onrechte over de zaak heeft beslist zonder de zoon de gelegenheid te bieden zijn standpunt mondeling uiteen te zetten en niet kenbaar heeft beslist over het verzoek van de zoon van 21 februari 2024 bij H10-formulier om een mondelinge behandeling, althans dit verzoek ongemotiveerd heeft afgewezen. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat indien er nog geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, het hof partijen in beginsel desverlangd de gelegenheid moet bieden hun standpunt mondeling uiteen te zetten voordat hij over de zaak beslist en dat bij afwijzing van een verzoek om een mondelinge behandeling de rechter de redenen daarvan uitdrukkelijk moet vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk moet motiveren. Volgens het middel kan het feit dat genoemd H10-formulier als roldatum 14 mei 2024 vermeldt, niet aan het voorgaande afdoen.
3.14
Ook dit middel faalt omdat het miskent dat het recht op een mondelinge behandeling op 30 januari 2024 is komen te vervallen. Ook dit middel bevat voorts niet de klacht dat het hof van (het uitspreken van) dat verval had moeten terugkomen. Voor zover het middel een beroep doet op het verzoek van de zoon van 21 februari 2024 bij H10-formulier, faalt het mede omdat niet blijkt dat dit verzoek tot de stukken van het geding behoort. Op grond van art. 419 lid 2 Rv kan de feitelijke grondslag voor cassatieklachten slechts worden gevonden in de bestreden uitspraak en de stukken van het geding. Niet blijkt dat het in cassatie overgelegde H10-formulier het hof heeft bereikt. Het feit dat het roljournaal en het arrest van het hof van 26 maart 2024 het formulier niet vermelden, wijst erop dat dit niet het geval is. Het lag op de weg van de zoon om in cassatie aannemelijk te maken dat het hof het verzoek desalniettemin wel heeft bereikt. In cassatie vormt uitgangspunt dat tot de stukken van het geding in de zin van art. 419 lid 2 Rv alleen die stukken worden gerekend waarvan uit de bestreden uitspraak of andere gedingstukken genoegzaam blijkt dat ze aan de lagere rechter zijn overgelegd. Asser Cassatie merkt hierover op:
‘Wie zich in cassatie ter staving van de feitelijke grondslag van zijn middelen of het verweer tegen de middelen wil beroepen op een niet in de uitspraak vermeld stuk, zal deugdelijk moeten aantonen dat de rechter daarvan vóór zijn uitspraak kennis heeft genomen of had kunnen nemen, doordat het stuk tijdig de griffie van het gerecht heeft bereikt, maar dat het stuk vervolgens niet ter kennis van de rechter is gekomen of door deze kennelijk over het hoofd is gezien.’19.
Namens de zoon is op dit punt in cassatie niets aangevoerd, laat staan onderbouwd.
Slotsom
3.15
Geen van de middelen is gegrond.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑03‑2025
Vgl. de vaststellingen van het hof in rov. 2.1 en 2.2.
Rb. Gelderland 1 februari 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:479.
Hof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2133.
De procesinleiding in cassatie is op 26 juni 2024 bij de Hoge Raad ingediend.
Vgl. voor deze omschrijving HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2568, NJ 2017/396, rov. 3.3.
Vgl. bijv. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/65, en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/35, beide met verdere verwijzingen.
Vgl. terecht in die zin T&C Rv, commentaar op art. 353 Rv, aant. 1c (P. Koerts, actueel t/m 01-10-2024). Andere auteurs zijn minder duidelijk op dit punt. Zie ook hetgeen in de volgende voetnoot wordt opgemerkt.
In het in middel II, voetnoot 5, ingeroepen HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1334, NJ 2023/297, rov. 3.1.2, lees ik op dit punt geen ander oordeel. In die zaak ging het om een reeds toegestane akte, die het hof daarna op grond van haar inhoud buiten beschouwing had gelaten, wat de Hoge Raad onjuist oordeelt. Ook in HR 28 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5202, NJ 1987/172, rov. 3.1, m.nt. W.H. Heemskerk valt op dit punt geen ander oordeel te lezen, anders dan in de literatuur nogal eens wordt opgemerkt.
Zie in deze zin H.J. Snijders en A. Wendels, Civiel appel (BPP nr. 2), Deventer: Kluwer 2009/41, en plv. P-G Wissink, conclusie in zaak 23/04225, ECLI:NL:PHR:2024:1049, onder 2.19.3, 2.20 en 2.22, onder verwijzing naar Snijders en Wendels.
Zie in dezelfde zin – overigens met een verkeerd gebruik van de term ‘eindarrest’ (een kennelijke verschrijving) – Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/35 (“Als een rolbeslissing wel ingrijpt in de rechten en belangen van een partij, zoals het verlenen van akte niet-dienen, moet deze als een einduitspraak worden aangemerkt”) en, naar ik begrijp, A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie voor HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, NJ 2006/405, m.nt. G.R. Rutgers, onder 2.10. Wesseling-van Gent is zonder meer van opvatting dat een beslissing “tot handhaving van de beslissing tot het niet meer toestaan van een conclusie, akte of memorie” moet worden aangemerkt als een vonnis of arrest.
ECLI:NL:PHR:2024:372, onder 3.4-3.8.
Zie voor een en ander o.m. HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:449, NJ 2023/125, rov. 3.4, met verwijzing naar rechtspraak over art. 134 lid 1 (oud) Rv. In voetnoot 2 bij het middel worden nog twee latere uitspraken genoemd waarin de Hoge Raad deze uitspraak heeft herhaald.
In deze zaak doet zich ook niet het geval voor van HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210, rov. 3.8, waarin de valbijl van het verval van het recht om een stuk te nemen op een bijzondere experimentele bepaling berustte, waarvan kon worden afgeweken, en het bovendien ging om een memorie van grieven (waardoor het verval dus onmiddellijk fatale gevolgen had voor het appel als geheel). Voor dat geval oordeelde de Hoge Raad het verval onevenredig.
Zie HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1873, NJ 2023/290, m.nt. H.J. Snijders.
Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/282, met verdere verwijzingen, waaraan toe te voegen HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2915, NJ 2012/514, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.3.
Beroepschrift 26‑06‑2024
PROCESINLEIDING CASSATIE (VORDERINGSZAAK)
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Datum indiening: | woensdag 26 juni 2024 |
Uiterste verschijndatum verweerster: | donderdag 1 augustus 2024 |
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in art. 15a Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het procesreglement van de Hoge Raad, om 10.00 uur.
De verweerster in cassatie kan in dit geding bij de Hoge Raad uitsluitend verschijnen door tussenkomst van en vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad.
Partijen
Eiser tot cassatie
Naam: | [de zoon] |
(hierna: de zoon) | |
Woonplaats: | [woonplaats] |
Advocaten bij de Hoge Raad: | mrs. J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele |
Kantooradres advocaten: | Molenveldlaan 162 |
6523 RN Nijmegen |
Verweerster in cassatie
Naam: | [de dochter] |
Woonplaats: | [woonplaats] |
Advocaat laatste feitelijke instantie: | mr. M.J.P. Schipper |
Kantooradres advocaat: | Keesomstraat 6 B |
1821 BS Alkmaar |
Bestreden uitspraken
Gerecht: | gerechtshof Arnhem-Leeuwarden |
Data: | dinsdag 30 januari 2024 (rolbeslissing) |
dinsdag 13 februari 2024 (rolbeslissing) | |
dinsdag 26 maart 2024 (arrest) |
Middel van cassatie I:1.
Schending van het recht en/of verzuim van essentiële vormen doordat het hof geoordeeld en beslist heeft zoals vervat is in zijn rolbeslissing van 30 januari 2024, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen:
1. Het verval van het recht om te vragen om een akte of mondelinge behandeling
Van een onjuiste rechtsopvatting geeft blijk de rolbeslissing van 30 januari 2024 dat het recht van partijen om te vragen om een akte of mondelinge behandeling vervallen zou zijn.
Immers, een verzoek om een mondelinge behandeling mag slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden afgewezen worden. De rechter moet de redenen voor een dergelijke afwijzing uitdrukkelijk vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk motiveren.2. Hetzelfde heeft te gelden voor het verval van het recht om te vragen om een mondelinge behandeling, nu het verval van dit recht en zo'n afwijzing hetzelfde rechtsgevolg hebben: er vindt geen mondelinge behandeling plaats.
In casu is echter geen sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Het hof heeft ook niet geoordeeld dat hiervan sprake zou zijn. Het gegeven dat partijen geen instructie gegeven hebben toen de zaak op de rol stond voor ‘beraad partijen’ is in elk geval geen zeer uitzonderlijke omstandigheid. Voorts vermeldt de rolbeslissing niet, laat staan uitdrukkelijk, de redenen voor het verval van het recht om te vragen om een mondelinge behandeling; de rolbeslissing is in het geheel niet gemotiveerd.
Daarbij komt dat ook het verval van het recht om een akte te mogen nemen, gemotiveerd moet worden, gezien de ingrijpende gevolgen daarvan. Dit verval kan in elk geval niet gedragen worden door het gegeven dat partijen geen instructie gegeven hebben toen de zaak op de rol stond voor ‘beraad partijen’. Want noch de wet noch het procesreglement bepaalt dat het recht om een akte te mogen nemen om deze reden zou kunnen vervallen.
Dit alles heeft het hof miskend.
Middel van cassatie II:
Schending van het recht en/of verzuim van essentiële vormen doordat het hof geoordeeld en beslist heeft zoals vervat is in zijn rolbeslissing van 13 februari 2024, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen:
2. De afwijzing van het akteverzoek
Van een onjuiste rechtsopvatting geeft blijk en/of onbegrijpelijk is de rolbeslissing van 13 februari 2024 om het akteverzoek van de zoon te verstaan als een verzoek om een repliek te mogen geven en dit verzoek af te wijzen, welke beslissing erop berust dat repliek niet toegestaan zou zijn, gezien de tweeconclusieregel.
- a.
Want het hof heeft miskend dat uit het akteverzoek3. niet blijkt dat de beoogde akte zou neerkomen op iets anders dan wat art. 1.2, aanhef en letter b, van het procesreglement onder een akte verstaat, namelijk ‘een processtuk dat een korte mededeling, zoals een enkele erkenning of ontkenning, een bewijsaanbod, de aankondiging van een productie of een reactie daarop bevat’.
- b.
Bovendien brengt de tweeconclusieregel (art. 347 lid 1 Rv) niet mee dat het nemen van een akte niet toegestaan zou zijn, nu deze regel slechts inhoudt dat een partij in hoger beroep in beginsel al haar grieven, verweren of eis wijzigingen moet concentreren in haar eerste processtuk.4. Deze regel staat derhalve in beginsel niet eraan in de weg dat een partij bij akte bijvoorbeeld producties overlegt, bewijs aanbiedt of (kort) reageert op een processtuk van de wederpartij. Een partij mag immers eerder betrokken stellingen uitwerken of preciseren.5. Voorts brengt het beginsel van hoor en wederhoor (art. 19 lid 1 Rv) met zich dat een partij in beginsel bij akte mag reageren op een processtuk van de wederpartij.6. Dit alles heeft het hof miskend.
Middel van cassatie III:
Schending van het recht en/of verzuim van essentiële vormen doordat het hof geoordeeld en beslist heeft zoals vervat is in zijn arrest van 26 maart 2024, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen:
3. Het voorbijgaan aan het verzoek om een mondelinge behandeling
Ten onrechte heeft het hof in het arrest van 26 maart 2024:
- —
over de zaak beslist zonder de zoon eerst de gelegenheid te bieden zijn standpunt mondeling uiteen te zetten; en
- —
niet (kenbaar) beslist over het verzoek van de zoon om een mondelinge behandeling, althans dit verzoek ongemotiveerd afgewezen.
Want ondanks dat de zoon bij H10-formulier van 21 februari 2024 (bijlage) aan het hof het verzoek gedaan heeft om een mondelinge behandeling te houden, heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden, terwijl de rechter, indien er nog geen mondelinge behandeling geweest is, partijen in beginsel desverlangd de gelegenheid moet bieden hun standpunt mondeling uiteen te zetten voordat hij over de zaak beslist (art. 87 lid 8 en 353 lid 1 Rv).7. Voorts moet bij afwijzing van een verzoek om een mondelinge behandeling de rechter de redenen daarvan uitdrukkelijk vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk motiveren.8. Dit alles heeft het hof miskend.
Het gegeven dat het verzoek om een mondelinge behandeling blijkens genoemd H10-formulier pas gedaan is voor de roldatum van 14 mei 2024 kan aan het voorgaande niet afdoen, gezien het fundamentele karakter van het recht op een mondelinge behandeling (‘fair and public hearing’, art. 6 EVRM). Bovendien berust de vermelding van deze roldatum onmiskenbaar op een vergissing, omdat bij het verzoek ook verhinderdata in de maanden maart, april en (begin) mei 2024 genoemd worden.
Op grond van deze middelen moge het de Hoge Raad behagen om de bestreden uitspraken te vernietigen, met zodanige beslissing als de Hoge Raad passend acht; kosten rechtens, met bepaling dat over deze kosten de wettelijke rente verschuldigd is indien deze niet voldaan zijn binnen veertien dagen na de datum waarop de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doet.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 26‑06‑2024
Iedere uitspraak wordt met een apart middel van cassatie bestreden.Overzichtelijkheidshalve worden de onderdelen doorgenummerd.
HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1623, rov. 3.2; HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1451, rov. 3.2; HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:449, rov. 3.4.
H10-formulier van 13 februari 2024 met als bijlage een brief van diezelfde datum.
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6699, rov. 3.6; HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, rov. 2.4.2; HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, rov. 4.2.1 t/m 4.2.4.
HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1334, rov. 3.1.2; HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:824, rov. 3.3.6; HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:641, rov. 3.5.2; HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:984, rov. 3.1.3; HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:281, rov. 3.3.5; HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1301, rov. 3.9. Vgl. Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/264: ‘Akten worden in het algemeen zonder meer aanvaard (zie in dit verband nr. 150). Ook hiervoor geldt dus wel de ‘in beginsel strakke regel’.’
Vgl. Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/150: ‘Akten kunnen in elk stadium van de procedure en zonder toestemming van de wederpartij en de rechter worden genomen.’
HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1623, rov. 3.2; HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1451, rov. 3.2; HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:449, rov. 3.2.
HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1623, rov. 3.2; HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1451, rov. 3.2; HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:449, rov. 3.4.