Verrekening door de fiscus
Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/5.7.1:5.7.1 Hof Amsterdam 8 december 2005 (Interstate/Ontvanger): verrekening door de fiscus van een teruggaaf omzetbelasting met een betwiste aanslag vennootschapsbelasting waarvoor uitstel van betaling is verleend
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/5.7.1
5.7.1 Hof Amsterdam 8 december 2005 (Interstate/Ontvanger): verrekening door de fiscus van een teruggaaf omzetbelasting met een betwiste aanslag vennootschapsbelasting waarvoor uitstel van betaling is verleend
Documentgegevens:
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS604785:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Leidraad Invordering 1990, art. 25, § 2, lid 5. Zie ook art. 25.2.7 Leidraad Invordering 2008.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 31 december 2003 werd aan Interstate een definitieve aanslag vennootschapsbelasting 2000 opgelegd voor een bedrag van € 174.170. De betaling van deze aanslag diende uiterlijk 29 februari 2004 plaats te vinden. Interstate maakt op 29 januari bezwaar tegen deze aanslag. Dat leidde tevens tot uitstel van betaling voor de aanslag. Op 28 februari 2004 stelde de ontvanger een teruggaaf omzetbelasting over het vierde kwartaal 2003 vast voor een bedrag van € 118.375. Vervolgens gaf de ontvanger op 13 april 2004 aan over te willen gaan tot verrekening van de teruggaaf omzetbelasting met de nog openstaande aanslag vennootschapsbelasting over 2003. Op 27 april 2004 is tussen partijen afgesproken dat de teruggaaf omzetbelasting zou worden verrekenend met de door Interstate te betalen omzetbelasting over het eerste kwartaal 2004 van € 94.297. Op 29 april 2004 heeft de ontvanger Interstate laten weten dat, gezien de aard van de correcties op de aangifte vennootschapsbelasting 2003, de teruggaaf omzetbelasting 2004 niet zal worden uitbetaald.
Interstate startte vervolgens een kort geding, waarin zij vorderde dat de ontvanger zou worden verboden de aanslag vennootschapsbelasting 2000 te verrekenen met de teruggaaf over het vierde kwartaal 2003 en dat na verrekening van de teruggaaf omzetbelasting over het vierde kwartaal 2003 met de te betalen omzetbelasting over het eerste kwartaal 2004, het restant aan haar zou worden uitbetaald. De rechtbank wijst de vorderingen van Interstate af. Het Hof neemt in hoger beroep als uitgangspunt dat de ontvanger op grond van artikel 24 Iw 1990 de bevoegdheid heeft de onderhavige uit te betalen en te innen bedragen met elkaar te verrekenen. Het Hof wijst er op dat, op grond van de Leidraad Invordering 1990 in geval van uitstel van betaling voor een betwiste aanslag in beginsel hiermee geen verrekening plaatsvinden. Indien echter de solvabiliteitspositie van de belastingschuldige daartoe aanleiding geeft en tevens onvoldoende zekerheid is gesteld, kan hiervan worden afgeweken.1 Het Hof neemt aan dat, gezien de moeizame informatieverstrekking door Interstate, dan wel het geheel ontbreken daarvan, haar slechte financiële positie, de frequente wijziging van vestigingsadres, bestuurders en aandeelhouders en de voortdurende onttrekking van gelden aan de vennootschap, bij de ontvanger terecht gegronde vrees bestaat voor onverhaalbaarheid van de openstaande vennootschapsbelastingschuld. Tevens heeft Interstate volgens het Hof geen harde zekerheid gesteld in de vorm van een bankgarantie of een recht van hypotheek maar slechts een door de moedermaatschappij af te geven garantie, terwijl niet duidelijk is of de moedermaatschappij voldoende verhaal biedt. Het Hof komt tot de conclusie dat de ontvanger, ondanks het verleende betalingsuitstel, in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot verrekening en deze bevoegdheid niet heeft misbruikt noch onrechtmatig jegens Interstate heeft gehandeld. In deze zaak heeft de belastingplichtige de rechter er kennelijk niet van kunnen overtuigen dat geen gegronde vrees voor onverhaalbaarheid van de betreffende aanslag bestond. Onder de gegeven omstandigheden was dat ook geen eenvoudige opgave.