Procestaal: Roemeens.
HvJ EU, 11-06-2020, nr. C-88/19
ECLI:EU:C:2020:458
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
11-06-2020
- Magistraten
A. Arabadjiev, P. G. Xuereb, T. von Danwit, z
- Zaaknummer
C-88/19
- Conclusie
J. Kokott
- Roepnaam
Alianța pentru combaterea abuzurilor
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2020:458, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑06‑2020
ECLI:EU:C:2020:93, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑02‑2020
Uitspraak 11‑06‑2020
Inhoudsindicatie
‘Prejudiciële verwijzing — Instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna — Richtlijn 92/43/EEG — Artikel 12, lid 1 — Systeem van strikte bescherming van diersoorten — Bijlage IV — Canis lupus (wolf) — Artikel 16, lid 1 — Natuurlijk verspreidingsgebied — Vangst en vervoer van een in het wild levend specimen van de soort Canis lupus — Openbare veiligheid’
A. Arabadjiev, P. G. Xuereb, T. von Danwit, z
Partij(en)
In zaak C-88/19*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Judecătorie Zărnești (rechter in eerste aanleg Zărnești, Roemenië) bij beslissing van 15 november 2018, ingekomen bij het Hof op 7 februari 2019, in de procedure
Alianța pentru combaterea abuzurilor
tegen
TM,
UN,
Direcția pentru Monitorizarea și Protecția Animalelor,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev (rapporteur), kamerpresident, P. G. Xuereb en T. von Danwitz, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Alianța pentru combaterea abuzurilor, vertegenwoordigd door C. Dumitriu en C. Feher,
- —
de Roemeense regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door E. Gane, L. Liţu en C.-R. Canţăr, vervolgens door E. Gane en L. Liţu als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G.-D. Balan en C. Hermes als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 februari 2020,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 12, lid 1, en artikel 16, lid 1, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EU van 13 mei 2013 (PB 2013, L 158, blz. 193) (hierna: ‘habitatrichtlijn’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen, enerzijds, de vereniging Alianța pentru combaterea abuzurilor (bond ter bestrijding van misbruik) en, anderzijds, TM, lid van de dierenbeschermingsorganisatie Direcția pentru Monitorizarea și Protecția Animalelor (directie toezicht op en bescherming van dieren; hierna: ‘DMPA’), de dierenarts UN, en DMPA, over de vangst en het vervoer onder ongeschikte omstandigheden van een in het wild levend specimen van de soort Canis lupus (wolf).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 1 van de habitatrichtlijn heeft als opschrift ‘Definities’ en bepaalt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder
[…]
- b)
natuurlijke habitats: land- of waterzones met bijzondere geografische, abiotische en biotische kenmerken, en die zowel geheel natuurlijk als halfnatuurlijk kunnen zijn;
[…]
- f)
habitat van een soort: een door specifieke abiotische en biotische factoren bepaald milieu waarin de soort tijdens één van de fasen van zijn biologische cyclus leeft;
[…]
- k)
gebied van communautair belang: […].
Voor de diersoorten met een zeer groot territorium komen de gebieden van communautair belang overeen met de plaatsen, binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn;
[…]’
4
Artikel 2 van deze richtlijn luidt:
- ‘1.
Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is.
- 2.
De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.
- 3.
In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.’
5
In artikel 4, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn is het volgende opgenomen:
‘Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke lidstaat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. […]’
6
In artikel 12, lid 1, van dezelfde richtlijn staat te lezen:
‘De lidstaten treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, letter a), vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op:
- a)
het opzettelijk vangen of doden van in het wild levende specimens van die soorten;
- b)
het opzettelijk verstoren van die soorten, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek;
- c)
het opzettelijk vernielen of rapen van eieren in de natuur;
- d)
de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen.’
7
Artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn bepaalt:
‘Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, mogen de lidstaten afwijken van het bepaalde in de artikelen 12, 13, 14 en 15, letters a) en b):
- a)
in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
- b)
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom;
- c)
in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
- d)
ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie van deze soorten, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;
- e)
ten einde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, door de bevoegde nationale instanties vastgesteld aantal van bepaalde specimens van de in bijlage IV genoemde soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben.’
8
Tot de diersoorten ‘van communautair belang die strikt moeten worden beschermd’, die zijn opgesomd in bijlage IV, onder a), bij deze richtlijn (hierna: ‘beschermde diersoorten’), behoort met name de Canis lupus (wolf).
Roemeens recht
9
Artikel 33 van ordonanță de urgență nr. 57/2007 privind regimul ariilor naturale protejate, conservarea habitatelor naturale, a florei și faunei sălbatice (spoedverordening nr. 57/2007 van de regering houdende de regeling inzake beschermde natuurgebieden, de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna; hierna: ‘SVR 57/2007’), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalt:
- ‘(1)
Met betrekking tot de in de bijlagen 4 A en 4 B bedoelde wilde planten- en diersoorten (met uitzondering van vogels) die op het land, in het water of onder de grond leven, ongeacht of zij in de beschermde natuurgebieden leven, wordt een verbod ingesteld op:
- a)
het verzamelen, vangen, doden, vernielen of verwonden van specimens in hun natuurlijke omgeving, ongeacht de fase van de biologische cyclus waarin zij zich bevinden;
- b)
het opzettelijk verstoren tijdens de perioden van voortplanting, groei, overwintering en trek;
[…]
- f)
het — ongeacht het doel ervan — in bezit hebben, vervoeren, verhandelen of ruilen, evenals het in ruil of te koop aanbieden van aan hun natuurlijke habitat onttrokken specimens, ongeacht de fase van de biologische cyclus waarin zij zich bevinden.
[…]’
10
Artikel 38 SVR 57/2007 luidt:
- ‘(1)
Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijkingen geen afbreuk doen aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke gebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, stelt de centrale overheidsdienst voor milieubescherming jaarlijks en zo vaak als nodig is, in afwijking van artikel 33, leden 1 tot en met 4, en artikel 37, lid 1, de afwijkingen vast die uitsluitend in de volgende gevallen mogen worden toegepast:
[…]
- c)
in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid, en wanneer het gaat om andere diersoorten dan vogels, ook om andere redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en wanneer er sprake is van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
[…]
- (2)
De afwijkingen worden, na advies van de Academia Română [(Roemeense Academie)], bij besluit van de directeur van de centrale overheidsdienst voor de bescherming van het milieu en de bossen vastgesteld.
[…]
- (22)
De procedure voor de vaststelling van afwijkingen wordt bij besluit van de centrale overheidsdienst voor de bescherming van het milieu en de bossen vastgesteld.
- (23)
Bij de in lid 21 bedoelde afwijkingen moet het volgende worden aangegeven:
- a)
voor welke soorten de afwijking is toegestaan;
- b)
de toegestane middelen, systemen of methoden voor het vangen of doden;
- c)
onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en plaats deze afwijkingen mogen worden toegepast;
- d)
welke autoriteit bevoegd is om te verklaren dat er sprake is van de vereiste omstandigheden, en om te beslissen welke middelen, systemen of methoden door wie en binnen welke grenzen mogen worden gebruikt;
- e)
de te verrichten controles.
[…]’
11
In artikel 52 SVR 57/2007 is het volgende bepaald:
‘De volgende feiten zijn strafbare feiten en worden bestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar of een geldboete:
[…]
- d)
schending van artikel 33, leden 1 en 2’.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
12
Șimon (Roemenië), een dorp dat behoort tot de gemeente Bran en gelegen is in het district Brașov, ligt ongeveer een kilometer ten oosten van de grens van het gebied ‘Buceg’, dat de Europese Commissie op voorstel van Roemenië onder de code ROSCI0013 heeft toegevoegd aan de lijst van gebieden van communautair belang. Een ander soortgelijk gebied, ‘Munţii Făgăraş’ (code ROSCI0122), bevindt zich op ongeveer acht kilometer ten westen van dit dorp. Voor beide gebieden werd op het standaardgegevensblad de aanwezigheid van wolven gemeld.
13
Op 6 november 2016, om ongeveer 19.00 uur, heeft het personeel van DMPA zich samen met dierenarts UN onder leiding van TM naar Șimon begeven. Zij waren van plan een wolf te vangen en naar een andere plaats te brengen, die zich sinds enige dagen op het terrein van een lokale bewoner ophield en samen met de honden van deze bewoner at en speelde. De wolf kreeg een dosis verdovende middelen voor diergeneeskundig gebruik toegediend met behulp van een hypodermisch geweer. Na observatie is de wolf gevangen en bij staart en nekvel van de grond opgetild, naar een voertuig gebracht dat zich op enige afstand bevond en vervolgens in een kooi voor hondenvervoer gelegd.
14
Medewerkers van DMPA zorgden voor het transport van de gevangen wolf naar het berenreservaat Libearty van Zărnești (Roemenië), dat ook over een omheind verblijf beschikt waar wolven leven die uit dierentuinen zonder vergunning zijn gered. De wolf kon tijdens het transport echter uit de kooi breken en heeft zijn toevlucht gezocht in de plaatselijke bossen.
15
Op 9 mei 2017 heeft Alianța pentru combaterea abuzurilor strafklacht ingediend tegen TM, UN en DMPA, alsook tegen andere medewerkers van DMPA, wegens inbreuken in verband met het vangen en vervoeren in slechte omstandigheden van een wolf. Uit deze klacht blijkt dat er geen toestemming is gevraagd om de wolf te vangen en vervoeren.
16
De Judecătorie Zărnești (rechter in eerste aanleg Zărnești, Roemenië) vraagt zich af in hoeverre het opzettelijk vangen of doden van in het wild levende specimens van de soort Canis lupus geoorloofd is wanneer geen afwijking is toegestaan op grond van artikel 16 van de habitatrichtlijn en deze dieren worden aangetroffen aan de rand van of op het grondgebied van een territoriaal publiekrechtelijk lichaam, of dat er een afwijking vereist is voor een in het wild levend specimen dat zich niet in gevangenschap bevindt, ongeacht of het zich op het grondgebied van een dergelijk territoriaal publiekrechtelijk lichaam begeeft.
17
Deze rechter merkt op dat het hoofddoel van de habitatrichtlijn, namelijk ‘met inachtneming van de vereisten op economisch, sociaal, cultureel en regionaal gebied, het behoud van de biologische diversiteit bevorderen, [wat bijdraagt tot het algemene doel van een duurzame ontwikkeling]’, ook volstrekt gerechtvaardigd is wanneer bedreigde diersoorten hun natuurlijke habitat verlaten. Een strikte uitlegging van de bepalingen van deze richtlijn kan er echter toe leiden dat op de staat geen enkele verplichting meer rust zodra deze dieren hun natuurlijke habitat verlaten, hetgeen in strijd zou zijn met het door dit rechtsinstrument nagestreefde doel.
18
Deze rechter verwijst met name naar de afwijking van de regels inzake de bescherming van bedreigde soorten in artikel 16, lid 1, onder c), van de habitatrichtlijn, volgens welke het begrip ‘openbare veiligheid’ nauw verband houdt met situaties waarin bedreigde diersoorten zich buiten hun natuurlijke habitat ophouden.
19
Daarop heeft de Judecătorie Zărnești de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet artikel 16 van [de habitatrichtlijn] aldus worden uitgelegd dat de lidstaten ook afwijkingen van de artikelen 12, 13 en 14 en artikel 15, onder a) en b), dienen vast te stellen voor gevallen waarin dieren die tot een bedreigde soort behoren, hun natuurlijke habitat verlaten en zich al dan niet in de onmiddellijke nabijheid daarvan ophouden?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
20
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 12, lid 1, onder a), en artikel 16 van de habitatrichtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat de vangst en het vervoer van een specimen van een beschermde diersoort zoals de wolf aan de rand van een door de mens bewoond gebied of in een dergelijk gebied onder het verbod van voormeld artikel 12 kan vallen wanneer de bevoegde nationale instantie geen afwijking heeft toegestaan op grond van voormeld artikel 16.
21
Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat de habitatrichtlijn krachtens artikel 2, lid 1, ervan tot doel heeft bij te dragen tot het waarborgen van de biodiversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten. Voorts beogen de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen volgens artikel 2, leden 2 en 3, van die richtlijn de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van belang voor de Europese Unie in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen en wordt in die maatregelen rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.
22
Ingevolge artikel 12, lid 1, onder a), van de habitatrichtlijn moeten de lidstaten de nodige maatregelen treffen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de beschermde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op het opzettelijk vangen of doden van in het wild levende specimens van die soorten.
23
De naleving van deze bepaling verplicht de lidstaten niet alleen tot het vaststellen van een volledig wettelijk kader, maar ook tot het treffen van concrete en specifieke beschermingsmaatregelen. Tevens veronderstelt het systeem van strikte bescherming het vaststellen van coherente en gecoördineerde preventieve maatregelen. Dit systeem van strikte bescherming moet het dus mogelijk maken om het opzettelijk vangen of doden van specimens van beschermde diersoorten in de natuur daadwerkelijk te voorkomen [zie in die zin arresten van 17 april 2018, Commissie/Polen (Oerbos van Białowieża), C-441/17, EU:C:2018:255, punt 231 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 oktober 2019, Luonnonsuojeluyhdistys Tapiola, C-674/17, EU:C:2019:851, punt 27].
24
Artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn staat de lidstaten weliswaar toe af te wijken van de bepalingen van de artikelen 12 tot en met 14 en artikel 15, onder a) en b), van die richtlijn, maar aangezien afwijkingen die op grond van dat artikel worden toegestaan het de lidstaten mogelijk maken zich te onttrekken aan de verplichtingen die het systeem van strikte bescherming van natuurlijke soorten meebrengt, geldt daarvoor als voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat en dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Deze voorwaarden zien op alle in artikel 16, lid 1, van die richtlijn bedoelde gevallen (arrest van 10 oktober 2019, Luonnonsuojeluyhdistys Tapiola, C-674/17, EU:C:2019:851, punten 28 en 29).
25
Tevens dient erop te worden gewezen dat artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn, dat nauwkeurig en uitputtend de voorwaarden omschrijft waaronder de lidstaten mogen afwijken van de artikelen 12 tot en met 14 en artikel 15, onder a) en b), daarvan, een uitzondering vormt op het door die richtlijn opgezette beschermingssysteem, die dus restrictief moet worden uitgelegd en volgens welke de autoriteit die het besluit neemt voor elke afwijking moet bewijzen dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan (arrest van 10 oktober 2019, Luonnonsuojeluyhdistys Tapiola, C-674/17, EU:C:2019:851, punt 30).
26
Bovendien moet worden opgemerkt dat de soort Canis lupus, algemeen bekend als ‘wolf’, een van de diersoorten is die door de habitatrichtlijn worden beschermd.
27
De vraag van de verwijzende rechter moet worden onderzocht tegen de achtergrond van deze inleidende overwegingen.
28
Deze verwijzende rechter vraagt zich af of de in artikel 12 van de habitatrichtlijn neergelegde regeling voor de bescherming van bedreigde soorten alleen betrekking heeft op de natuurlijke habitat van die soorten en bijgevolg niet langer toepassing vindt wanneer een specimen van een bedreigde diersoort zich naar een door de mens bewoond gebied of naar de rand daarvan begeeft. De vraag van deze rechter heeft dus betrekking op de uitlegging die moet worden gegeven aan het begrip ‘natuurlijk verspreidingsgebied’ en de woorden ‘in het wild levend’ en ‘in de natuur’ die in artikel 12, lid 1, van de habitatrichtlijn zijn opgenomen, alsook op de omvang van de bescherming die daaruit voortvloeit.
29
Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof voor de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 21 november 2019, Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, C-678/18, EU:C:2019:998, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 12 van de habitatrichtlijn betreft, moet worden vastgesteld dat deze geenszins van nut zijn bij het definiëren van het begrip ‘natuurlijk verspreidingsgebied’ en de woorden ‘in het wild levend’ en ‘in de natuur’.
31
Niettemin kan worden opgemerkt dat dit artikel de bescherming die het oplegt niet baseert op het begrip ‘natuurlijke habitat’ en dat het geen regeling vaststelt voor de bescherming van specimens van beschermde diersoorten naargelang van de plaats, de ruimte of de habitat waar zij op een bepaald moment worden aangetroffen.
32
Wat in de tweede plaats de context van artikel 12 van de habitatrichtlijn betreft, zij erop gewezen dat noch artikel 1, noch enige andere bepaling van deze richtlijn dit begrip en deze woorden definieert. Daarom moeten het begrip ‘natuurlijk verspreidingsgebied’ en de woorden ‘in het wild levend’ en ‘in de natuur’ in lid 1 van dat artikel worden onderzocht in het licht van verwante begrippen die in die richtlijn worden gedefinieerd en/of gebruikt.
33
In dit verband zij erop gewezen dat de habitatrichtlijn twee delen omvat, namelijk een deel dat gewijd is aan de instandhouding van de natuurlijke habitats, door met name beschermde gebieden af te bakenen, en een deel dat gewijd is aan de instandhouding van de wilde fauna en flora door beschermde soorten aan te wijzen.
34
Deze richtlijn vereist echter niet dat de uit hoofde van het tweede deel geboden bescherming wordt vastgelegd in samenhang met het eerste deel en met name uitgaande van het geografische gebied dat door de beschermde gebieden of natuurlijke habitats wordt bestreken.
35
Bovendien moeten de natuurlijke habitats, zoals de advocaat-generaal in punt 29 van haar conclusie aangeeft, overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6 van de habitatrichtlijn als zodanig worden beschermd in het kader van de beschermde gebieden van het Natura 2000-netwerk. Dit netwerk omvat echter ook de ‘habitats van een soort’, die in artikel 1, onder f), van deze richtlijn afzonderlijk worden gedefinieerd en waarin de in bijlage II bij deze richtlijn genoemde soorten leven. Aangezien de wolf in die bijlage is vermeld, moeten de lidstaten de speciale beschermingszones voor die soort afbakenen.
36
Er moet worden vastgesteld dat het begrip ‘habitat van een soort’ in artikel 1, onder f), van de habitatrichtlijn, dat wordt gedefinieerd als ‘een door specifieke abiotische en biotische factoren bepaald milieu waarin de soort tijdens één van de fasen van zijn biologische cyclus leeft’, niet overeenkomt met een vast en onveranderlijk afgebakend territorium.
37
Zoals de advocaat-generaal in punt 42 van haar conclusie opmerkt, volgt uit de bepalingen van de habitatrichtlijn betreffende de bescherming van gebieden dat de bescherming van diersoorten niet enkel mag gelden binnen de beschermde gebieden. Deze gebieden zijn niet afgebakend met het doel de habitat van beschermde soorten — die een uitgestrekt territorium kunnen bezetten — volledig te omsluiten. Voor die soorten schrijft artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn voor dat de lidstaten een lijst van gebieden voorstellen waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Deze bepaling verduidelijkt dat voor diersoorten met een zeer groot territorium deze gebieden overeenkomen met de plaatsen, binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn.
38
Voor beschermde diersoorten die — zoals de wolf — uitgestrekte gebieden bezetten, is het begrip ‘natuurlijk verspreidingsgebied’ dus breder dan de geografische ruimte die de fysieke en biologische elementen vertoont die voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zoals de advocaat-generaal in punt 37 van haar conclusie opmerkt, komt dit gebied overeen met het geografische ruimte waar de betrokken soort zich van nature ophoudt of verspreidt.
39
Hieruit volgt dat de door artikel 12, lid 1, van de habitatrichtlijn geboden bescherming geen beperkingen of grenzen kent en dat dus niet kan worden aangenomen dat een in het wild levend specimen van een beschermde diersoort dat in de buurt van of binnen door de mens bewoonde gebieden wordt aangetroffen, door dergelijke gebieden trekt of zich voedt met door de mens gecreëerde hulpbronnen, een dier is dat zijn ‘natuurlijke verspreidingsgebied’ heeft verlaten, of dat dit gebied geen menselijke nederzettingen of door de mens tot stand gebrachte elementen kan omvatten.
40
Dezelfde conclusie volgt uit het lezen van het Guidance document on the strict protection of animal species of Community interest under the ‘Habitats’ Directive 92/43/EEC (de richtsnoeren inzake de strikte bescherming van diersoorten van communautair belang in de zin van de habitatrichtlijn) (definitieve versie, februari 2007), waarin het ‘natuurlijke verspreidingsgebied’ wordt omschreven als een dynamisch concept, dat niet precies samenvalt met de ‘daadwerkelijk bezette gebieden of het grondgebied waar een habitat, een soort of een ondersoort permanent aanwezig is’.
41
Zoals de advocaat-generaal opmerkt in de punten 38 en 40 van haar conclusie vindt deze uitlegging eveneens steun in de definitie die is opgenomen in artikel 1, lid 1, onder f), van het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten, dat op 23 juni 1979 te Bonn is ondertekend en namens de Gemeenschap is gesloten bij besluit 82/461/EEG van de Raad van 24 juni 1982 (PB 1982, L 210, blz. 10). Volgens deze definitie betekent ‘verspreidingsgebied’ alle land- en wateromvattende gebieden waarbinnen een trekkende soort leeft of tijdelijk verblijft of waardoor zij trekt of waarover zij vliegt op een bepaald moment op de gebruikelijke trekroute. De definitie van het begrip ‘verspreidingsgebied’ van een soort slaat dus op de door deze soort doorkruiste gebieden van om het even welke aard.
42
Het zou inconsequent zijn om de begrippen ‘natuurlijk verspreidingsgebied’ en ‘verspreidingsgebied’ in deze twee rechtsinstrumenten verschillend te definiëren en er dus een verschillend toepassingsgebied aan toe te kennen.
43
Bijgevolg moet worden geoordeeld dat uit de context van artikel 12 van de habitatrichtlijn blijkt dat de territoriale werkingssfeer van dit artikel ten aanzien van een beschermde soort als de wolf ook gebieden buiten de beschermde gebieden, en in het bijzonder door de mens bewoonde gebieden, kan omvatten.
44
Het gebruik van de woorden ‘in het wild levend’ en ‘in de natuur’ in artikel 12, lid 1, onder a) respectievelijk c), van de habitatrichtlijn doet niet af aan deze vaststelling. Het moet aldus worden opgevat dat de strikte bescherming van beschermde diersoorten door middel van de verbodsbepalingen van artikel 12, lid 1, van deze richtlijn niet alleen van toepassing is op bepaalde plaatsen, maar geldt voor alle in de natuur of in het wild levende specimens van beschermde diersoorten die dus een rol vervullen in natuurlijke ecosystemen, waarbij deze bescherming niet noodzakelijkerwijs geldt voor specimens die op legale wijze in gevangenschap worden gehouden.
45
Deze woorden zijn niet opgenomen in lid 1, onder b), van artikel 12, dat bepaalt dat de specimens van beschermde diersoorten niet mogen worden verstoord tijdens ‘perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek’, en evenmin in lid 1, onder d), van dat artikel. Het staat dan ook buiten kijf dat de verbodsbepalingen van artikel 12, lid 1, onder b) en d), van de habitatrichtlijn van toepassing zijn op alle specimens van beschermde diersoorten, ongeacht de plaats waar zij zich ophouden. Vastgesteld moet worden dat het vangen en, a fortiori, het doden van een exemplaar van deze soorten op zijn minst als verstoring moet worden beschouwd.
46
Wat in de derde plaats de doelstelling van de habitatrichtlijn betreft, moet in herinnering worden gebracht dat de artikelen 12, 13 en 16 ervan een coherent geheel van normen vormen die strekken tot bescherming van de populaties van de betrokken soorten (arrest van 20 oktober 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C-6/04, EU:C:2005:626, punt 112). Het gemeenschappelijke doel van deze bepalingen is de strikte bescherming van de beschermde diersoorten te waarborgen door middel van de verbodsbepalingen van artikel 12, lid 1, van deze richtlijn, waarbij uitzonderingen alleen zijn toegestaan onder de strikte voorwaarden van artikel 16, lid 1, van deze richtlijn, dat beperkend moet worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 10 mei 2007, Commissie/Oostenrijk, C-508/04, EU:C:2007:274, punten 109-112, en 15 maart 2012, Commissie/Polen, C-46/11, niet gepubliceerd, EU:C:2012:146, punt 29).
47
De beschermingsregeling van artikel 12 van de habitatrichtlijn moet dus in staat zijn om schade aan beschermde diersoorten doeltreffend te voorkomen.
48
Het zou niet verenigbaar met deze doelstelling zijn om stelselmatig geen bescherming te verlenen aan exemplaren van beschermde diersoorten wanneer hun ‘natuurlijke verspreidingsgebied’ zich uitstrekt tot door de mens bewoonde gebieden.
49
Daarentegen maakt de uitlegging volgens welke het in artikel 12, lid 1, van de habitatrichtlijn genoemde ‘natuurlijke verspreidingsgebied’ van die soorten ook zones omvat die buiten de beschermde gebieden liggen, en de daaruit voortvloeiende bescherming derhalve niet tot deze gebieden beperkt is, de verwezenlijking mogelijk van de doelstelling, namelijk een verbod instellen op het doden of vangen van specimens van beschermde diersoorten. Die soorten dienen immers niet alleen te worden beschermd op bepaalde, restrictief omschreven plaatsen, maar de bescherming moet ook gelden voor de exemplaren van die soorten die in de natuur of in het wild leven en dus een rol binnen de natuurlijke ecosystemen vervullen.
50
Zoals de Commissie opmerkt, leven er in een groot aantal regio's van de Unie wolven in door de mens bewoonde gebieden in de onmiddellijke nabijheid van menselijke nederzettingen. De invloed die de mens op deze ruimten uitoefent heeft er ook toe geleid dat de wolven zich deels aan deze nieuwe omstandigheden hebben aangepast. Blijkens het dossier waarover het Hof beschikt, hebben de ontwikkeling van de infrastructuur, de illegale houtkap, de landbouw en bepaalde industriële activiteiten ertoe bijgedragen dat de wolvenpopulatie en haar leefgebied onder druk staan. Uit het dossier blijkt ook dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde feiten zich hebben afgespeeld in Șimon, een dorp dat gelegen is tussen twee grote beschermde gebieden met wolvenpopulaties, waardoor de wolven van het ene naar het andere gebied kunnen trekken.
51
Uit het voorgaande volgt dat een uitlegging van het begrip ‘natuurlijk verspreidingsgebied’ en van de woorden ‘in het wild levend’ in artikel 12, lid 1, onder a), van de habitatrichtlijn, in die zin dat door de mens bewoonde gebieden zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de bepalingen inzake de bescherming van beschermde diersoorten, niet alleen onverenigbaar zou zijn met de bewoordingen en de context van deze bepaling, maar ook met het doel dat ermee wordt nagestreefd.
52
Derhalve moet worden vastgesteld dat de verplichting om beschermde diersoorten strikt te beschermen overeenkomstig de artikelen 12 en volgende van de habitatrichtlijn geldt voor het gehele ‘natuurlijke verspreidingsgebied’ van deze soorten, ongeacht of deze zich in hun gebruikelijke habitat, in beschermde gebieden of juist in de nabijheid van menselijke nederzettingen bevinden.
53
Voorts moet worden vastgesteld dat meerdere van de in artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn genoemde afwijkingsgronden uitdrukkelijk verwijzen naar de conflicten die kunnen ontstaan wanneer een specimen van een beschermde diersoort in contact — of zelfs in conflict — komt met de mens of zijn eigendom, met name in situaties als beschreven in punt 50 van dit arrest.
54
De verwijzende rechter vraagt zich in dit verband af of het in alle omstandigheden verboden is om opzettelijk specimens van beschermde diersoorten te vangen, wanneer de bevoegde nationale instantie geen afwijking op basis van deze bepaling heeft toegestaan.
55
Zoals blijkt uit de in punt 23 van dit arrest genoemde rechtspraak, staat het in dit verband aan de betrokken lidstaat om een volledig wettelijk kader vast te stellen, dat overeenkomstig artikel 16, lid 1, onder b) en c), van de habitatrichtlijn maatregelen kan omvatten ter voorkoming van aanzienlijke schade, met name aan gewassen of veehouderijen, of maatregelen die worden genomen in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard.
56
Bijgevolg kan de vangst en het vervoer van een specimen van een beschermde diersoort die onder de verbodsbepalingen van artikel 12, lid 1, van de habitatrichtlijn valt, slechts worden gerechtvaardigd indien de bevoegde nationale instantie daarvoor krachtens artikel 16, lid 1, onder b) en c), van deze richtlijn een afwijking heeft vastgesteld, die met name is gebaseerd op redenen van openbare veiligheid.
57
Het staat aan de betrokken lidstaat om met het oog daarop bepalingen vast te stellen die het mogelijk maken om, indien nodig, dergelijke afwijkingen effectief en tijdig toe te staan.
58
Verder moet in herinnering worden gebracht dat artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn, naast de bovengenoemde afwijkingsgronden, uitdrukkelijk vereist dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat en dat de toegestane afwijking geen afbreuk doet aan het streven om de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Het is aan de bevoegde nationale instanties om vast te stellen dat dit het geval is, met name rekening houdend met de beste pertinente wetenschappelijke en technische kennis en in het licht van de omstandigheden van de specifieke aan de orde zijnde situatie (zie in die zin arrest van 10 oktober 2019, Luonnonsuojeluyhdistys Tapiola, C-674/17, EU:C:2019:851, punten 51 en 66).
59
Het staat dus aan de verwijzende rechter om te bepalen onder welke omstandigheden het specimen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beschermde diersoort verdoofd is geweest en naar het Libearty-natuurreservaat in Zărnești is vervoerd, en in hoeverre deze handeling een ‘opzettelijk vangst’ in de zin van artikel 12, lid 1, onder a), van de habitatrichtlijn vormt die plaatsvond op grond van een met inachtneming van de vereisten van artikel 16 van deze richtlijn vastgestelde afwijking. Die rechter moet zich er ook van vergewissen dat rekening wordt gehouden met de impact die een dergelijke handeling heeft op de staat van instandhouding van de wolvenpopulatie.
60
Bij de vaststelling van de in casu toe te passen sanctie wegens niet-nakoming van de verplichtingen van artikel 12, lid 1, onder a), en artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn, is het verder relevant, zoals de advocaat-generaal in punt 69 van haar conclusie opmerkt, dat het op basis van de nationale wetgeving niet mogelijk was om binnen een korte termijn gepast te reageren op het gedrag van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wolf en aldus de risico's vroegtijdig tot een minimum te beperken. Evenmin blijkt dat het nationale rechtskader in dat opzicht een wetenschappelijk gefundeerde regeling of wetenschappelijk gefundeerde richtsnoeren bevat.
61
62
Gelet op een en ander dient de prejudiciële vraag als volgt te worden beantwoord:
- —
Artikel 12, lid 1, onder a), van de habitatrichtlijn moet aldus worden uitgelegd dat de vangst en het vervoer van een specimen van een krachtens bijlage IV bij deze richtlijn beschermde diersoort, zoals de wolf, aan de rand van een door de mens bewoond gebied of in een dergelijk gebied onder het in deze bepaling neergelegde verbod kunnen vallen.
- —
Artikel 16, lid 1, van die richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat de opzettelijke vangst van specimens van deze diersoort in bovengenoemde omstandigheden steeds verboden is wanneer de bevoegde nationale instantie geen afwijking op grond van deze bepaling heeft toegestaan.
Kosten
63
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 12, lid 1, onder a), van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EU van 13 mei 2013, moet aldus worden uitgelegd dat de vangst en het vervoer van een specimen van een krachtens bijlage IV bij deze richtlijn beschermde diersoort, zoals de wolf, aan de rand van een door de mens bewoond gebied of in een dergelijk gebied onder het in deze bepaling neergelegde verbod kunnen vallen.
Artikel 16, lid 1, van die richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat de opzettelijke vangst van specimens van deze diersoort in bovengenoemde omstandigheden steeds verboden is wanneer de bevoegde nationale instantie geen afwijking op grond van deze bepaling heeft toegestaan.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑06‑2020
Conclusie 13‑02‑2020
Inhoudsindicatie
‘Verzoek om een prejudiciële beslissing — Richtlijn 92/43/EEG — Instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna — Systeem van strikte bescherming voor de in bijlage IV, onder a), vermelde diersoorten — Natuurlijk verspreidingsgebied — Vangen van in het wild levende specimens van deze soorten — Wolf (Canis lupus) — Specimens die hun natuurlijke habitat verlaten — Afwijkingen — Openbare veiligheid — Sancties’
J. Kokott
Partij(en)
Zaak C-88/191.
Asociaţia ‘Alianţa pentru combaterea abuzurilor’
tegen
TM,
UN,
Asociaţia DMPA
(verzoek van de Judecătoria Zărneşti [rechter in eerste aanleg Zărneşti, Roemenië] om een prejudiciële beslissing)
I. Inleiding
1.
De habitatrichtlijn2. vereist de instelling van een systeem van strikte bescherming voor soorten zoals de wolf (Canis lupus), die zijn vermeld in bijlage IV, onder a), ervan. Moet dat systeem van bescherming echter ook worden toegepast wanneer een wolf in een dorp met honden speelt? In de onderhavige procedure wordt het Hof deze vraag voorgelegd.
2.
Ook in de vorm waarin de vraag concreet is geformuleerd, kan zij van grotere praktische betekenis zijn dan zou kunnen worden gedacht.3. Het antwoord erop is echter vooral doorslaggevend voor de vraag of de inhoudelijk verstrekkende bescherming van de soorten waarin de habitatrichtlijn voorziet primair van belang is voor natuurlijke en halfnatuurlijke gebieden, en dus met name voor activiteiten zoals de land- en bosbouw en de jacht, dan wel onbegrensd bij alle menselijke activiteiten in acht moet worden genomen, bijvoorbeeld bij het gebruik van wegen.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Volkenrecht
1. Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten
3.
Artikel 1, lid 1, van het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten4. omschrijft de begrippen ‘verspreidingsgebied’ en ‘het onttrekken van dieren aan de populatie’:
‘Voor de toepassing van dit verdrag […]
- f)
[betekent] ‘verspreidingsgebied’ […] alle land- en wateromvattende gebieden waarbinnen een trekkende soort leeft of tijdelijk verblijft of waardoor zij trekt of waarover zij vliegt op een bepaald moment op de gebruikelijke trekroute; […]
- i)
[wordt verstaan onder] ‘het onttrekken van dieren aan de populatie’ […] het onttrekken, jagen, vissen, vangen, opjagen, opzettelijk doden of het trachten één van de bovengenoemde handelingen te verrichten;
[…]’
2. Verdrag van Bern
4.
Artikel 6 van het Verdrag van Bern5. bevat eveneens bepalingen inzake de bescherming van soorten:
‘Iedere verdragsluitende partij neemt passende en noodzakelijke maatregelen in de vorm van wetten en voorschriften om te zorgen voor bijzondere bescherming van de in het wild voorkomende diersoorten, genoemd in bijlage II. Waar het deze soorten betreft, is met name verboden:
- a.
iedere vorm van opzettelijk vangen, in bezit houden en opzettelijk doden;
[…]’
5.
De wolf (Canis lupus) wordt in bijlage II bij het verdrag van Bern vermeld als een strikt beschermde diersoort.
B. Unierecht
1. Habitatrichtlijn
6.
De eerste zin van de vijftiende overweging van de habitatrichtlijn heeft betrekking op de bescherming van soorten:
‘[…] in aanvulling op [de vogelbeschermingsrichtlijn6.] [moet] een algemeen stelsel […] worden opgezet voor de bescherming van bepaalde soorten flora en fauna’.
7.
Artikel 1, onder b), f) en i), van de habitatrichtlijn omschrijft verschillende begrippen:
‘[…]
- b)
‘natuurlijke habitats’: land- of waterzones met bijzondere geografische, abiotische en biotische kenmerken, en die zowel geheel natuurlijk als halfnatuurlijk kunnen zijn;
[…]
- f)
‘habitat van een soort’: een door specifieke abiotische en biotische factoren bepaald milieu waarin de soort tijdens één van de fasen van zijn biologische cyclus leeft;
[…]
- i)
‘staat van instandhouding van een soort’: het effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort op het in artikel 2 bedoelde grondgebied.
De ‘staat van instandhouding’ wordt als ‘gunstig’ beschouwd wanneer:
- —
uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en
- —
het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en
- —
er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden;
[…]’
8.
Artikel 2, lid 1, beschrijft de doelstelling van de habitatrichtlijn als volgt:
‘Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is.’
9.
Artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn regelt op welke wijze de lidstaten de gebieden kiezen die zij voorstellen voor zonebescherming:
‘Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke lidstaat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. […]’
10.
Artikel 12 van de habitatrichtlijn bevat de fundamentele verplichtingen met betrekking tot de bescherming van de soorten:
- ‘1.
De lidstaten treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, onder a), vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op:
- a)
het opzettelijk vangen of doden van in het wild levende specimens van die soorten;
- b)
het opzettelijk verstoren van die soorten, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek;
- c)
het opzettelijk vernielen of rapen van eieren in de natuur;
- d)
de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen.
- 2.
Met betrekking tot deze soorten verbieden de lidstaten het in bezit hebben, vervoeren, verhandelen of ruilen en het te koop of in ruil aanbieden van aan de natuur onttrokken specimens, uitgezonderd die welke reeds legaal waren onttrokken vóór de toepassing van deze richtlijn.
[…]’
11.
Artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn bevat afwijkingen van artikel 12:
‘Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, mogen de lidstaten afwijken van het bepaalde in de artikelen 12, 13, 14 en 15, onder a) en b):
- a)
in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
- b)
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom;
- c)
in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
- d)
ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie van deze soorten, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten;
- e)
teneinde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, door de bevoegde nationale instanties vastgesteld aantal van bepaalde specimens van de in bijlage IV genoemde soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben.’
12.
Bijlage IV, onder a), bij de habitatrichtlijn vermeldt onder andere de wolf:
‘Canis lupus (met uitzondering van de Griekse populaties benoorden de 39e breedtegraad; de Estse populaties, de Spaanse populaties benoorden de Duero; de Bulgaarse, de Letse, de Litouwse, de Poolse, de Slowaakse populaties en de Finse populaties in het rendierbeschermingsgebied als omschreven in paragraaf 2 van de Finse wet nr. 848/90 van 14 september 1990 inzake rendierbescherming)’.
2. Vogelbeschermingsrichtlijn
13.
Artikel 5 van de vogelbeschermingsrichtlijn bevat het algemene systeem voor de bescherming van vogels:
‘Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de lidstaten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen:
- a)
een verbod om, ongeacht de gebruikte methode, opzettelijk de bedoelde vogels te doden of te vangen;
- b)
een verbod om opzettelijk hun nesten en eieren te vernielen of te beschadigen of hun nesten weg te nemen;
- c)
een verbod om in de natuur eieren van deze vogels te rapen en deze — zelfs leeg — in bezit te hebben;
- d)
een verbod om deze vogels, met name gedurende de broedperiode, opzettelijk te storen, voor zover een dergelijke storing, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, van wezenlijke invloed is;
- e)
een verbod om vogels te houden van soorten die niet mogen worden bejaagd of gevangen.’
C. Nationaal recht
14.
Artikel 4, punt 14, van de Ordonanţa de urgenţă nr. 57/2007 privind regimul ariilor naturale protejate, conservarea habitatelor naturale, a florei şi faunei sălbatice (spoedverordening nr. 57/2007 houdende de regeling inzake beschermde natuurgebieden, de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna; hierna: ‘spoedverordening nr. 57/2007’) omschrijft het begrip ‘natuurlijke habitat’ als volgt:
‘het geheel van natuurlijke fysisch-geografische, biologische en biogenetische bestanddelen, structuren en processen, te water en te land, die het leven in stand houden en de noodzakelijke hulpbronnen voortbrengen’.
15.
Artikel 33, lid 1, van spoedverordening nr. 57/2007 zet artikel 12, lid 1, van de habitatrichtlijn om:
‘Met betrekking tot de in de bijlagen nr. 4 A en 4 B bedoelde wilde planten en diersoorten die te land, te water en onder de grond leven, uitgezonderd de vogelsoorten die al dan niet in de beschermde natuurgebieden leven, wordt een verbod ingesteld op:
- a)
het verzamelen, vangen, doden, vernielen of verwonden van specimens die zich in hun natuurlijke habitat bevinden, ongeacht de fase van de biologische cyclus waarin zij zich bevinden;
- b)
het opzettelijk verstoren tijdens de perioden van voortplanting, groei, overwintering en trek;
- c)
het opzettelijk beschadigen, vernielen en/of rapen van nesten en/of eieren in de natuur;
- d)
de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen;
- e)
het plukken van bloemen en vruchten, evenals het verzamelen, afsnijden, ontwortelen of het opzettelijk vernielen van dergelijke planten in hun natuurlijke habitat, ongeacht de fase van hun biologische cyclus;
- f)
het — ongeacht het doel ervan — in bezit hebben, vervoeren, verhandelen of ruilen, evenals het in ruil of te koop aanbieden van aan hun natuurlijke habitat onttrokken specimens, ongeacht de fase van hun biologische cyclus.’
16.
Artikel 38 van spoedverordening nr. 57/2007 regelt afwijkingen van de verbodsbepalingen in artikel 33, lid 1. Zij worden volgens artikel 38, lid 2, na advies van de Academia Română (Roemeense Academie) vastgesteld bij besluit van het hoofd van de centrale overheidsdienst voor milieu- en bosbescherming.
17.
Volgens artikel 52, onder d), van spoedverordening nr. 57/2007 vormt de schending van artikel 33, lid 1, een misdrijf dat wordt bestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar of een geldboete.
III. Feiten en verzoek om een prejudiciële beslissing
18.
Het Roemeense dorp Şimon in de gemeente Bran, district Braşov, ligt ongeveer een kilometer ten oosten van de grens van het gebied ‘Bucegi’, dat de Commissie op voorstel van Roemenië onder de code ROSCI0013 op de lijst van gebieden van communautair belang heeft geplaatst.7. Een ander dergelijk gebied, ‘Munţii Făgăraş’, ROSCI0122, bevindt zich op ongeveer acht kilometer ten westen van het dorp.8. Voor beide gebieden wordt op het standaardgegevensblad9. de aanwezigheid van wolven vermeld.
19.
Op 6 november 2016, om ongeveer 19.00 uur, hebben medewerkers van de vereniging ‘Direcţia pentru Monitorizarea şi Protecţia Animalelor’ (Directie toezicht op en bescherming van dieren; hierna: ‘DMPA’) zich samen met dierenarts UN, onder leiding van TM, naar Şimon begeven. Zij waren van plan een wolf te vangen en te verplaatsen die zich sinds enige dagen ophield op het erf van een lokale bewoner, waar hij met de honden van het gezin had gespeeld en gegeten.
20.
De wolf is verdoofd door middel van een pijl, die was gevuld met verdovende en psychotrope middelen voor diergeneeskundig gebruik. Na observatie is het dier bij staart en nekvel van de grond opgetild, naar een voertuig gebracht en in een kooi voor hondenvervoer gelegd.
21.
Vervolgens hebben medewerkers van de DMPA gezorgd voor het transport van de wolf naar het berenreservaat Libearty van de stad Zărneşti in de provincie Braşov (Roemenië), dat ook over een omheind verblijf beschikt waar wolven leven die uit dierentuinen zonder vergunning zijn gered. Het dier kon tijdens het transport echter ontsnappen en zich verschuilen in de bossen in de omgeving.
22.
Op 9 mei 2017 heeft de vereniging ‘Alianţa pentru combaterea abuzurilor’ (bond ter bestrijding van misbruik) aangifte gedaan tegen:
- —
verweerster TM, werkzaam voor de DMPA;
- —
verweerster UN, dierenarts;
- —
de rechtspersoon DMPA, met inbegrip van andere aldaar werkzame personen.
23.
Uit de aangifte blijkt dat er geen goedkeuring is verkregen voor het vangen en transporteren van de wolf.
24.
Naar aanleiding van deze procedure legt de Judecătoria Zărneşti (rechter in eerste aanleg Zărneşti, Roemenië) het Hof de volgende prejudiciële vraag voor:
‘Moet artikel 16 van de habitatrichtlijn aldus worden uitgelegd dat de lidstaten ook afwijkingen van de artikelen 12, 13 en 14 en artikel 15, onder a) en b), dienen vast te stellen voor gevallen waarin dieren die tot een bedreigde soort behoren, hun natuurlijke habitat verlaten en zich al dan niet in de onmiddellijke nabijheid daarvan ophouden?’
25.
De vereniging ‘Alianţa pentru combaterea abuzurilor’ (hierna: ‘APCA’), Roemenië en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
IV. Juridische beoordeling
26.
De prejudiciële vraag is volgens het verzoek om een prejudiciële beslissing bedoeld om vast te stellen of het opzettelijk vangen van in het wild levende wolven kan plaatsvinden zonder dat een afwijking in de zin van artikel 16 van de habitatrichtlijn wordt toegestaan wanneer het dier wordt aangetroffen aan de rand van een dorp, of het grondgebied van een lokale overheid betreedt. Een dergelijke afwijking zou alleen nodig zijn wanneer de beschermingsbepalingen in zulke gevallen in principe toepassing vinden.
27.
De concrete vraag van de verwijzende rechter is echter gebaseerd op een misverstand dat naar aanleiding van de Roemeense omzetting van de habitatrichtlijn is ontstaan. Zij brengt niettemin een terecht vraagstuk onder woorden, dat een diepgaande beschouwing verdient.
28.
Het misverstand vloeit voort uit de gedachte dat de bescherming van de soorten alleen geldt wanneer de beschermde soorten zich ophouden in hun natuurlijke habitat. Dat is de strekking van artikel 33, lid 1, onder a), van de Roemeense spoedverordening nr. 57/2007. Voor die benadering kan echter noch in de tekst van de habitatrichtlijn — met inbegrip van de Roemeense taalversie ervan — noch in de doelstelling ervan steun worden gevonden.
29.
Natuurlijke habitats worden omschreven in artikel 1, onder b), van de habitatrichtlijn. Zij moeten volgens de artikelen 3 tot en met 6 als zodanig worden beschermd in het kader van de beschermingszones van het Natura 2000-netwerk. Tegelijkertijd omvat dat netwerk echter de in artikel 1, onder f), afzonderlijk omschreven habitats van de soorten die in bijlage II zijn opgenomen. Aangezien de wolf in deze bijlage is vermeld, moeten er voor deze soort bijzondere beschermingszones worden aangewezen. De feiten die tot de onderhavige procedure hebben geleid, speelden zich af in een dorp dat tussen twee grote beschermingszones ligt, waarin ook de wolf wordt beschermd.
30.
In casu gaat het echter niet om de bescherming van de wolf in het kader van de beschermingszones, maar om de bescherming van de soorten overeenkomstig artikel 12, lid 1, van de habitatrichtlijn. Volgens die bepaling treffen de lidstaten de maatregelen die nodig zijn om een systeem van strikte bescherming in te stellen voor de in bijlage IV, onder a), vermelde diersoorten — dus ook voor de wolf — in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Volgens artikel 12, lid 1, onder a), verbiedt dat systeem het opzettelijk vangen of doden van in het wild levende specimens van die soorten.
31.
Teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, moet derhalve worden nagegaan of voor de toepassing van artikel 12, lid 1, van de habitatrichtlijn menselijke nederzettingen deel uitmaken van het natuurlijke verspreidingsgebied van de wolf. Verder moet met het oog op het hoofdgeding worden besproken of de verdoving van een wolf op het erf van een woning en het transport van dat dier in een kooi moeten worden beschouwd als de vangst van een in het wild levend specimen in de zin van artikel 12, lid 1, onder a). Ten slotte is het zinvol kort in te gaan op de mogelijkheid van een afwijking overeenkomstig artikel 16 en op de Unierechtelijke grenzen van een mogelijke sanctie wegens schending van het systeem van strikte bescherming van artikel 12.
A. Natuurlijk verspreidingsgebied in de zin van artikel 12 van de habitatrichtlijn
32.
De in artikel 12 van de habitatrichtlijn gebruikte biologische vakterm ‘natuurlijk verspreidingsgebied’ — in de Engelse taalversie ‘natural range’, in de Franse taalversie ‘aire de répartition naturelle’ — wordt niet omschreven in de richtlijn.
33.
Uit het gebruik van de term ‘natuurlijk’ zou kunnen worden afgeleid dat de wolf van het hoofdgeding zich buiten zijn natuurlijk verspreidingsgebied heeft begeven. Een menselijke nederzetting is immers prima facie geen natuurlijk gebied. Bovendien vormen menselijke nederzettingen niet de natuurlijke verblijfplaats van in het wild levende wolven — dat leert althans de algemene ervaring.
34.
Deze algemene ervaring zou evenwel wetenschappelijk moeten worden bevestigd voordat op basis daarvan kan worden besloten of de bepalingen betreffende de bescherming van de soorten van toepassing zijn.10. Aangezien dergelijke wetenschappelijke gegevens van feitelijke aard zijn, zouden zij in de samenwerkingsrelatie die kenmerkend is voor de prejudiciële procedure door de nationale rechter moeten worden onderzocht. Niettemin merk ik op dat enige Unierechtelijk beschermde soorten zoals bepaalde vleermuizen, juchtleerkevers (Osmoderma eremita) of kleine torenvalken (Falco naumanni)11. zonder twijfel habitats binnen menselijke nederzettingen hebben. En uit wetenschappelijk oogpunt zijn er aanwijzingen dat ook wolven zich — weliswaar zelden, maar toch geregeld — ophouden in de buurt van menselijke nederzettingen.12.
35.
Los van deze wetenschappelijke vraag zou het onverenigbaar zijn met het doel van de bepalingen betreffende de bescherming van de soorten, alsook met de bewoordingen en de wetgevende context ervan, om menselijke nederzettingen uit te sluiten van het toepassingsgebied ervan.
36.
Wat om te beginnen het doel van de beschermingsregeling van artikel 12 van de habitatrichtlijn betreft, moet worden benadrukt dat volgens die bepaling een systeem van strikte bescherming moet worden ingevoerd. Een dergelijk systeem van bescherming moet de in artikel 12, lid 1, genoemde aantastingen van de vermelde diersoorten derhalve daadwerkelijk kunnen voorkomen.13. Het zou daarmee niet verenigbaar zijn specimens van de beschermde soorten (automatisch14.) aan bescherming te onttrekken wanneer hun habitats zich binnen menselijke nederzettingen bevinden of wanneer zij toevallig in nederzettingen verzeild raken.
37.
Bij nader inzien staat ook de letterlijke betekenis van het begrip ‘natuurlijk verspreidingsgebied’ er niet aan in de weg dat menselijke nederzettingen daaronder vallen. Dat begrip heeft namelijk betrekking op het gebied waar de betrokken soort zich in het kader van haar natuurlijk gedrag ophoudt respectievelijk uitbreidt. Wanneer het alleen de ‘natuurlijke’ habitats zou omvatten waar de soorten zich ophouden, zou het bijvoeglijk naamwoord ‘natuurlijk’ ergens anders hebben gestaan, bijvoorbeeld om duidelijk te maken dat de verbodsbepalingen alleen gelden in de natuurlijke gebieden waar de soort is verspreid.
38.
Een soortgelijke betekenis blijkt uit de definitie in artikel 1, onder f), van het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten, dat de Commissie aanvoert. Volgens deze definitie omvat het verspreidingsgebied alle land- en wateromvattende gebieden waarbinnen een trekkende soort leeft of tijdelijk verblijft of waardoor zij trekt of waarover zij vliegt op een bepaald moment op de gebruikelijke trekroute. Een beperking tot natuurlijke gebieden ontbreekt. Veeleer wordt om het even welk gebied waardoor dergelijke soorten trekken, uitdrukkelijk in het verspreidingsgebied ervan opgenomen.
39.
Deze definitie is weliswaar niet direct doorslaggevend voor het onderhavige geval, aangezien het hier niet om de toepassing van het verdrag gaat, maar verduidelijkt niettemin de wetenschappelijke betekenis van de relevante biologische vakterm. Derhalve moet zij bij de uitlegging van deze term in aanmerking worden genomen, hetgeen ook tot uiting komt in een document dat de Commissie ter coördinatie van de toepassing van de habitatrichtlijn heeft opgesteld in het kader van een werkgroep met vertegenwoordigers van de lidstaten15., evenals later in haar met de lidstaten uitgewerkte richtsnoeren met betrekking tot de bescherming van de soorten.16.
40.
Van groter juridisch belang is een ander verdrag, namelijk het Verdrag van Bern, waarvan artikel 6, onder a), juncto bijlage II, wordt omgezet door artikel 12 van de habitatrichtlijn.17. Krachtens die eerste bepaling moet met name elke vorm van opzettelijk vangen van wolven worden verboden. Ruimtelijke grenzen worden niet gesteld. Daarentegen pleit het feit dat het verbod geldt voor elke vorm van opzettelijk vangen voor een ruime toepassing ervan.
41.
In dezelfde richting wijst de vijftiende overweging van de habitatrichtlijn, volgens welke de bescherming waarin de habitatrichtlijn voor bepaalde soorten voorziet, die van de vogelbeschermingsrichtlijn beoogt aan te vullen. De verwijzing naar de vogelbeschermingsrichtlijn is een verwijzing naar de verbodsbepalingen van artikel 5 ervan, die in hoge mate overeenstemmen met die van artikel 12 van de habitatrichtlijn. Die verbodsbepalingen voorzien evenmin in ruimtelijke grenzen. Tegen deze achtergrond heeft het Hof de handelwijze afgekeurd van een lidstaat die de blauwe reiger (Ardea cinerea) en de aalscholver (Phalacrocorax carbo), wanneer die zich ophielden in en rond visvijvers, geheel van de bescherming van artikel 5 uitzonderde.18.
42.
De regelingen van de habitatrichtlijn betreffende de zonebescherming laten bovendien zien dat de bescherming van de soorten niet kan ophouden aan de grenzen van de beschermingszones. Deze beschermingszones zijn namelijk niet afgebakend met het doel de habitat van de wolven volledig te omsluiten. Wolven zijn diersoorten die grote habitats vergen.19. Artikel 4, lid 1, tweede volzin, van de habitatrichtlijn bepaalt dat bij dergelijke soorten de beschermingszones moeten worden beperkt tot de plaatsen, binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van deze soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Deze regeling erkent derhalve dat het natuurlijke verspreidingsgebied van deze soorten ook gebieden omvat die zich buiten de beschermingszones bevinden. In dat verband zij eraan herinnerd dat het dorp Şimon tussen twee grote beschermingszones ligt, waarin ook wolven voorkomen, zodat te verwachten valt dat er wolven van de ene naar de andere zone trekken.
43.
Om de bescherming geografisch af te bakenen, gebruikt de habitatrichtlijn overigens een andere regelingstechniek: zoals de aantekening voor de wolf in bijlage IV, onder a), laat zien, worden de van bescherming uitgezonderde gebieden, zoals bepaalde delen van lidstaten — Griekenland benoorden de 39e breedtegraad, Spanje benoorden de Duero en het rendierbeschermingsgebied in Finland —, duidelijk genoemd.
44.
De belanghebbenden wijzen derhalve het uitzonderen van nederzettingen van de bescherming van artikel 12 van de habitatrichtlijn, terecht af.
45.
Derhalve moet worden vastgesteld dat het natuurlijke verspreidingsgebied van de wolf en bijgevolg het ruimtelijke toepassingsgebied van artikel 12 van de habitatrichtlijn met betrekking tot deze soort menselijke nederzettingen kan omvatten.
B. Artikel 12, lid 1, onder a), van de habitatrichtlijn: ‘in het wild levend’
46.
Verder moet worden onderzocht of het vangen van een wolf binnen een menselijke nederzetting onder het verbod van artikel 12, lid 1, onder a), van de habitatrichtlijn valt. Krachtens deze bepaling moeten de lidstaten met name het opzettelijk vangen van in het wild levende specimens van de beschermde soorten, dus ook van de wolf, verbieden.
47.
Het gebruik van het begrip ‘Entnahme’ (het onttrekken aan de natuur) in de Duitse taalversie zou wel eens een vertaalfout kunnen zijn. Enerzijds is het niet zinvol om te spreken over het vangen van aan de natuur onttrokken specimens, aangezien het onttrekken het vangen omvat.20. Anderzijds gaat het in de meeste21. oorspronkelijke taalversies om het vangen in de natuur, bijvoorbeeld in de Franse (letterlijk ‘dans la nature’) en in de Engelse taalversie (‘in the wild’).
48.
Ongeacht dat vertaalprobleem zou de stelling kunnen worden verdedigd dat het vangen van een wolf binnen een menselijke nederzetting niet kan worden beschouwd als vangen in de natuur of in het wild.
49.
Daartegen pleiten evenwel de argumenten met betrekking tot de wetgevende context en met betrekking tot het met de bescherming van de soorten nagestreefde doel, die ik reeds heb besproken in verband met de uitlegging van het begrip ‘natuurlijk verspreidingsgebied’.22.
50.
Verhelderend is veeleer de Nederlandse taalversie van de bepaling. Daarin is sprake van het vangen van ‘in het wild levende’ specimens. In deze taalversie althans heeft de verwijzing naar de natuur of het wild geen betrekking op de plaats van de vangst, maar op de herkomst van het dier.
51.
Met deze uitlegging kan het doel van het verbod op het doden of vangen van strikt beschermde soorten dat in artikel 12, lid 1, onder a), van de habitatrichtlijn is neergelegd, worden verwezenlijkt. Het gaat er niet om deze soorten alleen op bepaalde plaatsen te beschermen; het gaat erom de specimens daarvan te beschermen die in de natuur of in het wild leven en dus een rol vervullen in natuurlijke ecosystemen.
52.
Een vergelijking met artikel 12, lid 2, van de habitatrichtlijn, volgens hetwelk het in bezit hebben, vervoeren, verhandelen of ruilen en het te koop of in ruil aanbieden van aan de natuur onttrokken specimens moet worden verboden, bevestigt dat. Dat verbod is niet van toepassing op specimens die reeds legaal aan de natuur waren onttrokken vóór de toepassing van deze richtlijn.
53.
Een dergelijk verbod zou in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar zijn wanneer eerst zou moeten worden nagegaan op welke plaats een dier is ‘onttrokken’. Het is waarschijnlijk reeds moeilijk genoeg om het tijdstip van het onttrekken vast te stellen. Bovendien zou het in strijd zijn met het doel van het systeem van strikte bescherming dat dergelijke handelingen zouden mogen worden verricht met specimens van strikt beschermde soorten die worden ‘onttrokken’ terwijl zij de natuur kortstondig hebben verlaten.
54.
Zelfs wanneer de in artikel 12, lid 1, onder a), van de habitatrichtlijn opgenomen verbodsbepalingen inzake het vangen en het doden aldus zouden worden opgevat dat zij tot de natuur zijn beperkt en dat derhalve nederzettingen daarvan zijn uitgezonderd, zou die opvatting bij het verbod op het verstoren krachtens artikel 12, lid 1, onder b), echter niet mogelijk zijn, aangezien volgens deze bepaling het opzettelijk verstoren van de strikt beschermde soorten zonder enige ruimtelijke beperking moet worden verboden. Het vangen en al helemaal het doden van een specimen van deze soorten zou echter altijd op zijn minst ook als verstoren moeten worden beschouwd.
55.
Zoals ook de Commissie betoogt, moet derhalve de verwijzing naar de natuur [(het wild)] in artikel 12, lid 1, onder a), van de habitatrichtlijn aldus worden uitgelegd dat de erdoor geboden bescherming niet slechts op bepaalde plaatsen geldt, maar zich uitstrekt tot alle specimens van de beschermde soort die in de natuur of in het wild leven en dus een rol vervullen in natuurlijke ecosystemen. Zij mogen niet worden gevangen, gedood, in bezit worden gehouden, vervoerd, verhandeld of geruild. Deze beperkingen zijn daarentegen niet van toepassing op in gevangenschap gefokte specimens.
C. Afwijkingen krachtens artikel 16 van de habitatrichtlijn
56.
Deze conclusie betekent evenwel niet dat het in alle gevallen voor lief moet worden genomen wanneer strikt beschermde soorten menselijke nederzettingen opzoeken en zich aldaar ophouden. Met name bij diersoorten die naar hun aard gevaarlijk zijn of bepaalde risico's meebrengen, biedt artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn enige speelruimte ter bestrijding van gevaren.
57.
Aldus staat artikel 16, lid 1, onder b) en c), van de habitatrichtlijn maatregelen toe ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen en de veehouderijen [(onder b)] of in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard [(onder c)].
58.
De beslissing om dergelijke afwijkingen toe te staan, moet worden genomen op basis van uiterst nauwkeurige wetenschappelijke gegevens23. respectievelijk de beste wetenschappelijke gegevens24..
59.
Bij de wolf mag een dergelijk risico prima facie niet worden uitgesloten en nog duidelijker lijkt dat bijvoorbeeld het geval te zijn bij de beer (Ursus arctos), die eveneens strikt beschermd wordt en naar het schijnt in Roemenië ook af en toe in nederzettingen verzeild raakt.25.
60.
De APCA is van mening dat het toestaan van een afwijking niet is gerechtvaardigd, omdat de betrokken wolf geen schade heeft veroorzaakt. Er hoeft evenwel niet te worden gewacht tot er schade ontstaat wanneer op basis van de beste wetenschappelijke gegevens die beschikbaar zijn, moet worden aangenomen dat er een voldoende risico bestaat op een voldoende ernstige schade.
61.
Een dergelijk risico moet door de bevoegde nationale instanties worden vastgesteld en moet in geval van geschillen door de nationale rechter worden getoetst. Niettemin kan niet zonder meer aan zo'n risico worden voorbijgegaan wanneer een wolf gedurende verscheidene dagen mensen herhaaldelijk tot minder dan 30 meter nadert.26. Aangezien de betrokken wolf zich gedurende enige dagen op het erf van een lokale bewoner heeft opgehouden en met de honden van het gezin heeft gespeeld en gegeten, kan in het hoofdgeding een dergelijk risico niet worden uitgesloten.
62.
Derhalve zouden afwijkingen van de verbodsbepalingen in artikel 12, lid 1, van de habitatrichtlijn krachtens artikel 16, lid 1, onder b) en c), in principe gerechtvaardigd geweest kunnen zijn. Behalve de voornoemde afwijkingsgronden vermeldt deze bepaling echter uitdrukkelijk de voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat en dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
63.
Wat een ‘andere bevredigende oplossing’ betreft, zou vooral moeten worden gedacht aan het wegnemen van prikkels voor de wolf, bijvoorbeeld voer of loslopende honden27., wat geen afwijking krachtens artikel 16 van de habitatrichtlijn zou vereisen en dus de voorkeur zou verdienen.28. Alleen wanneer de wolf desondanks de nabijheid van de mens blijft zoeken, komt de zogenaamde ‘afschrikking’ in aanmerking, waarbij het dier wordt verjaagd onder bijvoorbeeld beschieting met rubberkogels. De doeltreffendheid van dergelijke methoden is evenwel onzeker.29.
64.
Het Hof beschikt niet over bewijs dat eventuele prikkels zijn weggenomen. In de praktijk lijkt de vangst van de wolf, met de daaropvolgende ontsnapping van het dier, een afschrikkend effect te hebben gehad.
65.
Het lijkt echter twijfelachtig dat het voorgenomen overbrengen van de wolf naar een afgesloten verblijf had kunnen worden aanvaard als een bevredigende oplossing. Het is evenmin duidelijk of de gevolgen van deze handelwijze voor de staat van instandhouding van de wolvenpopulatie in aanmerking zijn genomen.
D. Evenredigheid van de sanctie
66.
In het hoofdgeding zijn er echter aanwijzingen dat de verwijzende rechter de voorwaarden voor een afwijking niet hoeft te onderzoeken, omdat de bevoegde autoriteiten de handelwijze volgens de beschikbare informatie niet hebben goedgekeurd. Zoals de APCA aanvoert, was dat ook bekend bij de verwerende partijen in het hoofdgeding. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat is voldaan aan de voorwaarden waaronder overeenkomstig de Roemeense omzetting van de habitatrichtlijn een sanctie kan worden opgelegd.
67.
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de sanctie krachtens artikel 49, lid 3, van het Handvest evenredig, dat wil vooral zeggen passend, moet zijn.30. Zij moet dus overeenstemmen met de ernst van het strafbare feit en er moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het concrete geval.31.
68.
Daarbij zou in het onderhavige geval van belang zijn dat de aangerichte schade blijkbaar zeer gering was, als het inderdaad zo is dat de betrokken wolf daadwerkelijk weer is ontsnapt.
69.
Bovendien maakt het Roemeense recht het volgens de beschikbare informatie niet mogelijk binnen korte tijd adequaat te reageren op het gedrag van de betrokken wolf en de daaraan verbonden risico's vroegtijdig te minimaliseren. Het is evenmin duidelijk of Roemenië wetenschappelijk gefundeerde regelingen of richtsnoeren kent aangaande de vraag hoe een dergelijke reactie er zou moeten uitzien.
70.
Deze omstandigheden pleiten tegen een zware sanctie. Ook hier geldt echter dat het de taak van de nationale rechter is deze te onderzoeken en alle relevante omstandigheden in aanmerking te nemen.
V. Conclusie
71.
Ik geef het Hof derhalve in overweging het verzoek om een prejudiciële beslissing als volgt te beantwoorden:
- ‘1)
Het natuurlijke verspreidingsgebied van de wolf (Canis lupus) en bijgevolg het ruimtelijke toepassingsgebied van artikel 12 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna kan met betrekking tot deze soort menselijke nederzettingen omvatten.
- 2)
De verwijzing naar de natuur [(het wild)] in artikel 12, lid 1, onder a), van richtlijn 92/43 moet aldus worden uitgelegd dat de erdoor geboden bescherming niet slechts op bepaalde plaatsen geldt, maar zich uitstrekt tot alle specimens van de beschermde soort die in de natuur of in het wild leven en dus een rol vervullen in natuurlijke ecosystemen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑02‑2020
Oorspronkelijke taal: Duits
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7), in de bij richtlijn 2013/17/EU van de Raad van 13 mei 2013 (PB 2013, L 158, blz. 193) gewijzigde versie.
Besluit 82/461/EEG van de Raad van 24 juni 1982 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten (PB 1982, L 210, blz. 10).
Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk milieu in Europa, op 19 september 1979 neergelegd te Bern (PB 1982, L 38, blz. 3); namens de Gemeenschap geratificeerd bij besluit 82/72/EEG van de Raad van 3 december 1981 (PB 1982, L 38, blz. 1).
Ten tijde van het hoofdgeding was richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB 2010, L 20, blz. 7) van toepassing, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EU van de Raad van 13 mei 2013 (PB 2013, L 158, blz. 193).
Beschikking 2009/91/EG van de Commissie van 12 december 2008 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van een tweede bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de alpiene biogeografische regio (PB 2009, L 43, blz. 21).
De ligging van het dorp blijkt uit de Natura 2000 Network Viewer, https://natura2000.eea.europa.eu/.
Zie arresten van 10 oktober 2019, Luonnonsuojeluyhdistys Tapiola (C-674/17, EU:C:2019:851, punten 45, 51, 66 en 71), en, in deze zin, 8 juni 2006, WWF Italia e.a. (C-60/05, EU:C:2006:378, punten 27 en 28).
Arrest van 28 juni 2007, Commissie/Spanje (Vogelbeschermingsgebieden) (C-235/04, EU:C:2007:386).
Zie Boitani, Action Plan for the conservation of the wolves (Canis lupus) in Europe [Raad van Europa, T-PVS (2000) 23, blz. 15 en 16], Large Carnivore Initiative for Europe (LCIE), Management of bold wolves (1 maart 2019, blz. 2), evenals Reinhardt e.a., Konzept zum Umgang mit Wölfen, die sich Menschen gegenüber auffällig verhalten, BfN-Skripten 502 (2018), blz. 11 en 12.
In deze zin arresten van 9 juni 2011, Commissie/Frankrijk (Cricetus cricetus) (C-383/09, EU:C:2011:369, punt 21); 15 maart 2012, Commissie/Cyprus (Natrix n. cypriaca) (C-340/10, EU:C:2012:143, punt 62), en 17 april 2018, Commissie/Polen (Bosgebied Białowieska) (C-441/17, EU:C:2018:255, punt 231).
Zie aangaande mogelijke uitzonderingen hieronder punten 56 e.v.
Europese Commissie, Note to the Habitats Committee van 15 maart 2005, Assessment, monitoring and reporting of conservation status — Preparing the 2001 – 2007 report under Article 17 of the Habitats Directive (DocHab-04-03/03 rev.3), bijlage F.
Europese Commissie, Guidance document on the strict protection of animal species of Community interest under the ‘Habitats’ Directive 92/43/EEC, blz. 11 en 12.
Verslag betreffende het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa (1997–1998) (artikel 9, lid 2) (door de Commissie ingediend), SEK/2001/515 def. Zie eveneens reeds de resolutie van de Raad van de Europese Gemeenschappen en van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 19 oktober 1987 inzake de voortzetting en uitvoering van een communautair milieubeleid en milieuactieprogramma (1987-1992) (PB 1987, C 328, blz. 1, punt 5.1.6). Het arrest van 13 februari 2003, Commissie/Luxemburg (C-75/01, EU:C:2003:95, punt 57), staat er niet aan in de weg dat dat verdrag in aanmerking wordt genomen, aangezien het Hof aldaar alleen heeft vastgesteld dat omzetting van dat verdrag niet geldt als omzetting van de habitatrichtlijn voor zover het verdrag minder ver gaat dan de richtlijn.
Arrest van 26 januari 2012, Commissie/Polen (C-192/11, niet gepubliceerd, EU:C:2012:44, punt 63).
Boitani, Action Plan for the conservation of the wolves (Canis lupus) in Europe [Raad van Europa, T-PVS (2000) 23, blz. 16].
Arrest van 10 oktober 2019, Luonnonsuojeluyhdistys Tapiola (C-674/17, EU:C:2019:851, punt 32).
Alleen de Griekse en de Portugese taalversie schijnen op de Duitse taalversie te lijken.
Punten 36 e.v. van de onderhavige conclusie.
Arresten van 10 oktober 2019, Luonnonsuojeluyhdistys Tapiola (C-674/17, EU:C:2019:851, punten 45 en 71 [de Nederlandse vertaling is hier niet uniform]), en in deze zin, 8 juni 2006, WWF Italia e.a. (C-60/05, EU:C:2006:378, punten 27 en 28).
Arrest van 10 oktober 2019, Luonnonsuojeluyhdistys Tapiola (C-674/17, EU:C:2019:851, punten 51 en 66).
De DMPA houdt zich ook met dergelijke gevallen bezig: https://dpmpa-bv.com/home/english-home/blog-translated/shooting-the-bear-cub-in-sibiu/.
LCIE (voetnoot 12, blz. 2 en 3) evenals Reinhardt e.a. (voetnoot 12, blz. 18 e.v. en 23).
Reinhardt e.a. (voetnoot 12, met name blz. 13, 24 en 27) evenals LCIE (voetnoot 12, blz. 5).
Zie arrest van 10 oktober 2019, Luonnonsuojeluyhdistys Tapiola (C-674/17, EU:C:2019:851, punt 48).
Reinhardt e.a. (voetnoot 12, blz. 29 e.v.) evenals LCIE (voetnoot 12, blz. 1 en 5).
Arrest van 4 oktober 2018, Link Logistik N&N (C-384/17, EU:C:2018:810, punt 41).
Arrest van 4 oktober 2018, Link Logistik N&N (C-384/17, EU:C:2018:810, punten 42 en 45).