Vgl. a contrario HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:880, rov. 2.3.
HR, 15-10-2024, nr. 23/01932 B
ECLI:NL:HR:2024:1406
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-10-2024
- Zaaknummer
23/01932 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1406, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑10‑2024; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:601
ECLI:NL:PHR:2024:601, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1406
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0241
Uitspraak 15‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op personenauto onder ander (familielid van klager) i.v.m. de tegen die ander aanhangige ontnemingsprocedure, waarna klager stelt eigenaar van auto te zijn. Heeft Rb juiste maatstaf toegepast? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2018:2144 m.b.t. te hanteren maatstaven als o.g.v. art. 94a Sv beslag rust op voorwerp en derde in beklagprocedure ex art. 552a Sv om teruggave verzoekt. Uit overwegingen Rb blijkt niet dat zij deze maatstaf heeft aangelegd bij beoordeling van klaagschrift. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden. Rb heeft geoordeeld dat er sterke aanwijzingen zijn dat auto niet aan klager, maar aan ander toebehoort. Daaraan heeft Rb ten grondslag gelegd dat auto nabij woning van ander in beslag is genomen, dat auto t.t.v. inbeslagneming op naam van die ander stond en dat verklaring van klager hierover niet geloofwaardig is. In dat niet onbegrijpelijke oordeel ligt besloten dat niet buiten redelijke twijfel staat dat klager als eigenaar van inbeslaggenomen auto moet worden aangemerkt. Klager heeft bij vernietiging en terugwijzing dan ook geen belang, nu Rb o.g.v. oordeel het klaagschrift ongegrond had moeten verklaren. Volgt verwerping. CAG (anders t.a.v. strekking): vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 22/02398 P (niet gepubliceerd; ontnemingszaak tegen ander, art. 80a RO).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01932 B
Datum 15 oktober 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag van 14 februari 2023, nummer RK 22/015079, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft R.A.J. Verploegh, advocaat in Den Haag, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
2.1
De cassatiemiddelen klagen dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2.1
Bij de stukken bevindt zich een schriftelijke toelichting van 29 december 2022 van het openbaar ministerie als reactie op het ingediende klaagschrift. Deze toelichting houdt onder meer in:
“Grond inbeslagname (klassiek beslag 94a Svex 94 Sv of conservatoir beslag ex 94a Sv).
(...)
Afdoening strafzaak / stand van zaken [betrokkene 1] is veroordeeld (...).strafzaak De strafzaak is onherroepelijk.
De ontnemingszaak is nog nietonherroepelijk. (...)”
2.2.2
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen:
“Onder [betrokkene 1] is op 19 juni 2022 in beslag genomen een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, [kenteken]. De klager heeft gesteld rechthebbende van de auto te zijn en verzoekt om teruggave ervan.
In dit geval dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er sterke aanwijzingen dat de auto niet aan de klager, maar aan [betrokkene 1] toebehoort. Daartoe is redengevend dat de auto nabij de woning van [betrokkene 1] in beslag is genomen. Ook staat de auto op naam van [betrokkene 1]. De rechtbank overweegt daarbij dat [betrokkene 1] een op dat moment veroordeelde opzetheler van auto’s en auto-onderdelen was, met een nog lopende ontnemingszaak waarin in eerdere aanleg een forse ontnemingsmaatregel is opgelegd. De rechtbank is met het Openbaar Ministerie van oordeel dat de stelling van de klager, dat hij nu juist deze voor fraude veroordeelde [betrokkene 1] heeft uitgekozen om als katvanger te dienen om zijn auto op naam te zetten, omdat de klager dat zelf niet kon in verband met een fraude registratie, als zeer merkwaardig en niet geloofwaardig aan te merken is.
De rechtbank betrekt in haar overwegingen dat is gebleken dat de auto een paar uur na inbeslagname door de politie snel op naam is gezet van de klager, iets wat eerder volgens de klager niet mogelijk was omdat er bij hem sprake was van een frauderegistratie. Dat was nu juist de reden die de klager had gegeven voor het feit dat de auto op naam van [betrokkene 1] was gezet.
Gelet hierop is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter de auto later, als toebehorend niet aan de klager maar aan [betrokkene 1], verbeurd zal verklaren.Het belang van strafvordering verzet zich daarom tegen opheffing van het beslag, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard.”
2.3
Artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“1. In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.2. In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
3. Ingeval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.4. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen (...), kunnen in beslag worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.5. In het geval, bedoeld in het vierde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het vierde lid bedoelde voorwerpen.6. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.”
2.4
Bij de beoordeling van de cassatiemiddelen moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval waarin op grond van artikel 94a Sv beslag is gelegd en een derde in een beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of buiten redelijke twijfel staat dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt. De rechter moet daarvan in zijn beslissing blijk geven. Als die derde als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter ook moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van artikel 94a leden 4 of 5 Sv voordoet. (Vgl. HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2144.)
2.5
Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt niet dat zij deze maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het klaagschrift. De cassatiemiddelen klagen hierover terecht. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden. De rechtbank heeft geoordeeld dat er sterke aanwijzingen zijn dat de auto niet aan de klager, maar aan [betrokkene 1] toebehoort. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat de auto nabij de woning van [betrokkene 1] in beslag is genomen, dat de auto ten tijde van de inbeslagneming op naam van [betrokkene 1] stond en dat de verklaring van de klager hierover niet geloofwaardig is. In dat niet onbegrijpelijke oordeel ligt besloten dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van de inbeslaggenomen auto moet worden aangemerkt. De klager heeft bij vernietiging en terugwijzing dan ook geen belang, nu de rechtbank op grond van dat oordeel het klaagschrift ongegrond had moeten verklaren.
2.6
De cassatiemiddelen zijn tevergeefs voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2024.
Conclusie 02‑07‑2024
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01932 B
Zitting 2 juli 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 14 februari 2023 het klaagschrift ex art. 552a Sv strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van een personenauto, waarvan de klager stelt dat die hem in eigendom toebehoort ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Het eerste middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat “de strafrechter de auto later, als toebehorend niet aan de klager maar aan [betrokkene 1], verbeurd zal verklaren”. Het tweede middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat er sterke aanwijzingen bestaan dat de auto niet aan de klager, maar aan [betrokkene 1] toebehoort.
2. Procesgang
2.1
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
2.2
Jegens [betrokkene 1] is op 3 september 2020 een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag ex art. 94a Sv uitgevaardigd ter bewaring van het recht van verhaal voor een op te leggen geldboete of op te leggen verplichting tot afdracht van wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van ruim € 250.000 in verband met strafrechtelijke vervolging wegens heling. Op 19 juni 2022 is onder [betrokkene 1] een voertuig in beslag genomen. De klager in deze zaak, een familielid van [betrokkene 1], stelt rechthebbende te zijn op de auto en heeft op 14 juli 2022 een klaagschrift ex. art. 552a Sv ingediend strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van de auto aan hem.
2.3
Voordat ik de middelen bespreek, citeer ik eerst de in de bestreden beschikking weergegeven standpunten van de klager en het openbaar ministerie, alsmede het oordeel van de rechtbank:
“Het standpunt van klager
De klager heeft verzocht om teruggave van de auto, omdat hij de rechthebbende is. Hij is op 15 juni 2022 eigenaar geworden van de auto door koop en levering. De auto is geregistreerd op naam van [betrokkene 1], omdat de klager een frauderegistratie heeft bij Stichting Centraal Informatie Systeem.
Namens de klager is ter terechtzitting naar voren gebracht dat het antwoord op de vraag of de klager als rechthebbende kan worden aangemerkt, ligt in de verzekeringskwestie. Zowel de klager als zijn partner hadden op dat moment een frauderegistratie. Om die reden is de auto tijdelijk op naam van [betrokkene 1] gezet, zodat de auto onder een verzekering kon blijven. De angst de auto te verliezen, leidde tot paniek, reden waarom kort na het beslag de auto op naam van de klager is gezet.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard.
Aangezien het klaagschrift is ingediend door een ander dan degene tegen wie het strafvorderlijk onderzoek zich richt, moet de vraag worden beantwoord of het buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt. Het OM overweegt dat de auto in beslag is genomen ter hoogte van de woning van [betrokkene 1]. Dat roept op zichzelf al vragen op over wie nu de eigenaar is van de auto. Daarbij neemt het OM in aanmerking dat de auto ook op naam staat van [betrokkene 1], een op dat moment veroordeelde opzetheler van auto’s en auto-onderdelen met een nog lopende ontnemingszaak, waarin in eerdere aanleg een forse ontnemingsmaatregel is opgelegd. Omdat de kans op beslaglegging op vermogensbestanddelen van [betrokkene 1] aanzienlijk is, is de stelling van de klager, dat hij nu juist deze voor fraude veroordeelde [betrokkene 1] heeft uitgekozen om als katvanger te dienen om zijn auto op naam te zetten, omdat de klager dat zelf niet kon in verband met een frauderegistratie, volgens het OM zeer merkwaardig en niet geloofwaardig. Te meer omdat de auto een paar uur na inbeslagname door de politie, snel op naam is gezet van de klager. Het geheel komt op het OM als onbetrouwbaar over, waardoor het OM bij het standpunt blijft dat degene op wiens naam het voertuig stond bij inbeslagname en voor wiens woning de auto werd aangetroffen, zijnde [betrokkene 1], de eigenaar van de auto is.
Gelet op het voorgaande is het OM van oordeel dat in ieder geval niet buiten redelijke twijfel kan worden gesteld dat de auto eigendom is van de klager. Het belang van strafvordering verzet zich voorts tegen teruggave van de auto aan [betrokkene 1], omdat zowel de rechtbank in eerste aanleg als het hof een ontnemingsmaatregel hebben uitgesproken en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de Hoge Raad, later oordelend, dit arrest zal bekrachtigen.
Het oordeel van de rechtbank
Onder [betrokkene 1] is op 19 juni 2022 in beslag genomen een personenauto, merk Volkswagen, type Golf, kenteken [kenteken]. De klager heeft gesteld rechthebbende van de auto te zijn en verzoekt om teruggave ervan.
In dit geval dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er sterke aanwijzingen dat de auto niet aan de klager, maar aan [betrokkene 1] toebehoort. Daartoe is redengevend dat de auto nabij de woning van [betrokkene 1] in beslag is genomen. Ook staat de auto op naam van [betrokkene 1]. De rechtbank overweegt daarbij dat [betrokkene 1] een op dat moment veroordeelde opzetheler van auto’s en auto-onderdelen was, met een nog lopende ontnemingszaak waarin in eerdere aanleg een forse ontnemingsmaatregel is opgelegd. De rechtbank is met het Openbaar Ministerie van oordeel dat de stelling van de klager, dat hij nu juist deze voor fraude veroordeelde [betrokkene 1] heeft uitgekozen om als katvanger te dienen om zijn auto op naam te zetten, omdat de klager dat zelf niet kon in verband met een fraude registratie, als zeer merkwaardig en niet geloofwaardig aan te merken is.
De rechtbank betrekt in haar overwegingen dat is gebleken dat de auto een paar uur na inbeslagname door de politie snel op naam is gezet van de klager, iets wat eerder volgens de klager niet mogelijk was omdat er bij hem sprake was van een frauderegistratie. Dat was nu juist de reden die de klager had gegeven voor het feit dat de auto op naam van [betrokkene 1] was gezet.
Gelet hierop is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter de auto later, als toebehorend niet aan de klager maar aan [betrokkene 1], verbeurd zal verklaren. Het belang van strafvordering verzet zich daarom tegen opheffing van het beslag, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard.”
3. De middelen
3.1
Het eerste middel klaagt dat nu het gaat om een conservatoir beslag ex art. 94a Sv in verband met een lopende ontnemingsprocedure, de rechtbank door te oordelen dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de auto later verbeurd zal verklaren een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, namelijk de maatstaf die behoort bij een beslag dat op de grond van art. 94 Sv is gelegd.
Het tweede middel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat er sterke aanwijzingen bestaan dat de auto niet aan klager, maar aan [betrokkene 1] toebehoort, hetgeen volgens de steller van het middel eveneens getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de rechtbank had moeten onderzoeken of het buiten redelijke twijfel staat dat klager als eigenaar van de auto moet worden aangemerkt. Daarnaast is het oordeel dat de auto niet aan klager, maar [betrokkene 1] toebehoort volgens de steller van het middel in het licht van hetgeen door de klager is aangevoerd onbegrijpelijk.
3.2
De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
4. Bespreking van de middelen
4.1
Allereerst verdient opmerking dat de rechtbank niet heeft vastgesteld op welke wettelijke bepaling(en) het beslag berust. Uit de onderliggende stukken, waaronder het klaagschrift en het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie, kan echter worden afgeleid dat sprake is van een conservatoir beslag ter veiligstelling van een ontnemingsvordering, zodat in cassatie kan worden getoetst of de rechtbank de juiste maatstaf heeft aangelegd.1.
4.2
De middelen klagen terecht dat de rechtbank dat niet heeft gedaan. Nu het gaat om een conservatoir beslag ex art. 94a Sv op een auto en de klager een derde is die op de voet van artikel 552a Sv om teruggave van de auto verzoekt, had de rechtbank dienen te beoordelen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat die derde als eigenaar van die inbeslaggenomen auto moet worden aangemerkt en daarvan in haar beslissing blijk moet geven. Indien die derde als eigenaar zou zijn aangemerkt had de rechter tevens moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van art. 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet.2.De rechtbank heeft dit toetsingskader miskend door de uit art. 94 Sv voortvloeiende maatstaf toe te passen te weten: of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.3.
4.3
Bovendien is ook het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat “de strafrechter de auto later, als toebehorend niet aan de klager maar aan [betrokkene 1], verbeurd zal verklaren”, onbegrijpelijk, omdat in de strafzaak tegen [betrokkene 1] alleen nog een ontnemingsprocedure loopt, in het kader waarvan verbeurdverklaring – zoals de steller van het middel in de toelichting van de schriftuur terecht opmerkt – niet mogelijk is.
5. Slotsom
5.1
De middelen slagen.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑07‑2024
HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:579, rov. 2.4.
HR 28 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. Mevis, rov. 2.8.