Rb. Overijssel, 05-11-2024, nr. 08.960003.18
ECLI:NL:RBOVE:2024:5741
- Instantie
Rechtbank Overijssel
- Datum
05-11-2024
- Zaaknummer
08.960003.18
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOVE:2024:5741, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 05‑11‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBOVE:2019:936, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 08‑03‑2019; (Beschikking)
Uitspraak 05‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Ontneming. De rechtbank stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 6.384.150,- en legt hem de veroordeling op om dit bedrag the betalen. Veroordeelde was schuldig bevonden aan medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, en witwassen.
Partij(en)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.960003.18
Datum vonnis: 5 november 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 6.384.150,00.
2. De procedure
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 25 september 2024. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.A. Prins, advocaat in 's-Hertogenbosch, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting van 25 september 2024 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 6.384.150,00 en dat de betalingsverplichting € 6.000.000,00 bedraagt.
De raadsman heeft primair verzocht het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde enkele getuigen te horen. De raadsman heeft subsidiair aangevoerd, voor het geval het onderzoek niet wordt geschorst, dat het niet aannemelijk is geworden dat het geldbedrag van € 1.033.445,00, bestaande uit de betalingen aan [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V., wederrechtelijk verkregen voordeel betreft.
3. De beoordeling van de vordering
3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van 10 december 2018 veroordeeld voor de misdrijven: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, en witwassen.
3.2
De beoordeling van het verzoek om getuigen te horen
Ten aanzien van het verzoek van de verdediging om getuigen te horen, overweegt de rechtbank dat de verdediging onvoldoende onderbouwd heeft dat deze getuigen iets kunnen verklaren wat in redelijkheid van belang zou kunnen zijn voor enige in deze ontnemingsprocedure te nemen beslissing, waarbij de rechtbank ten aanzien van de reeds eerder verzochte getuigen verwijst naar hetgeen zij hieromtrent heeft overwogen in haar beslissing van 6 februari 2024. De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging af.
3.3
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het met deze vordering
samenhangende strafdossier en het in de onderhavige zaak opgemaakte Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 13 november 20201..
De officier van justitie is voor het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van een eenvoudige kasopstelling. Bij een eenvoudige kasopstelling worden de totale contante uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale contante gelden over een bepaalde periode. Indien de totale contante uitgaven groter zijn dan de beschikbare legale contante gelden, is sprake van uit onbekende bron afkomstige contante ontvangsten. Dit negatieve resultaat dient te worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Volgens het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel bedroeg het legale contante beginsaldo van veroordeelde aan het begin van de onderzochte periode
€ 8.630,00. De kasopstelling gaat verder uit van de volgende bedragen:
- contante uitgaven: € 325.084,002.;
- contante stortingen: € 2.541.500,003.;
- contant geld in de woning: € 95.845,004.;
- externe bankoverboekingen (contant gestort of gegeven): € 2.580.350,005.;
- contante uitgave aandelen Vhicorp SA: € 250.000,006.;
- contante uitgaven 3 snelle motorboten: (geschat) € 600.000,007..
Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in totaal gesteld op een bedrag van € 6.384.150,00.
De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de hiervoor beschreven berekening. De verdediging heeft slechts gesteld dat een bedrag van € 1.033.445,00 niet kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat in strafzaken tegen de heer [naam] en [bedrijf 4] B.V. niet is aangenomen dat sprake was van witwassen van ditzelfde bedrag (bestaande uit betalingen op
20 september 2017 van recyclingbedrijf [bedrijf 4] B.V. aan [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V.).
De rechtbank is van oordeel dat de vrijspraak van [naam] en [bedrijf 4] B.V. niet met zich brengt dat de veroordeelde zich eveneens niet schuldig heeft gemaakt aan witwassen van het genoemde bedrag. Voor het vaststellen of sprake is van witwassen zijn meerdere feiten en omstandigheden van belang en de verdediging heeft niets gesteld over de vraag in hoeverre de feiten en omstandigheden in de verschillende strafzaken overeenkomen. Van groot belang is verder dat de rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde heeft geoordeeld dat hij zich wél schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van deze geldbedragen met een totaalwaarde van € 1.033.445,00. Nu de verdediging niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat de bedragen afkomstig zijn van legale inkomsten, oordeelt de rechtbank dat het bedrag moet worden meegenomen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 6.384.150,00.
3.4
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna te noemen: EVRM) het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist.
In deze zaak is de redelijke termijn ruimschoots overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de betalingsverplichting te verminderen met een bedrag van € 384.150,00.
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 6.000.000,00.
4. De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
5. De beslissing
De rechtbank:
- -
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 6.384.150,00;
- -
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van een bedrag van € 6.000.000,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- -
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. de Loor, voorzitter, mr. S.K. Huisman en
mr. M.W. Eshuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2024.
Uitspraak 08‑03‑2019
Inhoudsindicatie
Beschikking op bezwaarschrift op grond van artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Bezwaarschrift gegrond.
Partij(en)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08-960003-18
Bezwaarschriftnummer: 19/70
Beschikking van de enkelvoudige rechtbank op het bezwaarschrift op grond van artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, van:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteplaats] ,
nu verblijvende in PI Achterhoek - Ooyerhoeksweg in Zutphen,
verder te noemen: de veroordeelde.
1. Het verloop van de procedure
Het bezwaarschrift, is op 23 januari 2019 op de griffie van de rechtbank ontvangen.
Het is ingediend namens veroordeelde, door mr. M.A. Prins, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.
Het bezwaarschrift is behandeld achter gesloten deuren op de zitting van de raadkamer van
6 maart 2019. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. G.J. Jansen en de raadsman mr. M.A. Prins gehoord. De veroordeelde heeft afstand gedaan van het recht om te worden gehoord.
De raadkamer heeft kennis genomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak tegen de veroordeelde en van de schriftelijke reactie op het bezwaarschrift van de officier van justitie.
2. De standpunten van de veroordeelde en de raadsman en de officier van justitie
Het standpunt van de raadsman houdt samengevat in dat veroordeelde hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, waardoor hij nog niet onherroepelijk veroordeeld is en er rekening gehouden moet worden met de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6 EVRM. Het delict witwassen is sterk vergelijkbaar met een delict als valsheid in geschrifte dat volgens de wetgever een misdrijft betreft waarbij DNA-onderzoek voor de opsporing ervan niet van betekenis kan zijn. Voorts blijkt niet dat er sprake is van recidivegevaar nu veroordeelde niet eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld en uit de reclasseringsrapportage geen sprake blijkt van enig recidiverisico.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond verklaard en verwijst ter onderbouwing naar de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie.
3. De ontvankelijkheid
Het bezwaarschrift is tijdig ingediend en met redenen omkleed. De raadkamer stelt vast dat het klaagschrift ontvankelijk is.
4. De beoordeling
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.
Gang van zaken DNA-afname bij veroordeelde
De veroordeelde is bij vonnis van de meervoudige kamer van Overijssel van 10 december 2018 veroordeeld voor twee feiten (medeplegen van) witwassen tot een gevangenisstraf van 3 jaren, waarbij de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht in mindering zal worden gebracht.
De officier van justitie heeft op grond van artikel 2 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, verder: de Wet, op 15 januari 2019 het bevel gegeven dat van de veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel.
Op 17 januari 2019 is van de veroordeelde zijn celmateriaal afgenomen.
Toetsingskader
De veroordeelde is veroordeeld voor een misdrijf als bedoeld in artikel 2 van de Wet en omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. Aan de veroordeelde is daarvoor een straf als bedoeld in artikel 1 van de Wet opgelegd. In zoverre is voldaan aan de in artikel 2, eerste lid van de Wet gestelde eisen en bestond voor de officier van justitie de plicht het bevel te geven.
Het bezwaar van de veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel dient beoordeeld te worden in het licht van de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet geregelde uitzonderingen op die plicht. De vraag die de raadkamer moet beantwoorden is of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Bespreking en beoordeling aangevoerde feiten en omstandigheden
De wetsgeschiedenis van de Wet leert het volgende. Het afnemen van DNA-materiaal is een dwangmaatregel die inbreuk maakt op het door artikel 8, eerste lid, EVRM beschermde grondrecht. Met het oog daarop is de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet aangebracht en is de bezwaarschriftprocedure ingesteld als waarborg voor proportionele toepassing van het DNA-onderzoek bij veroordeelden. De motivering die de veroordeelde in deze zaak aan zijn bezwaarschrift ten grondslag heeft gelegd, levert onvoldoende grond op om te oordelen dat van een uitzonderingssituatie als bedoeld sprake is.
De raadkamer overweegt dat uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2002-2003, 28 685, nr. 3) blijkt dat de uitzondering genoemd in artikel 2 lid 1 aanhef en onder b van de Wet slechts een zeer beperkte reikwijdte heeft. Tekst, alsmede doel en strekking van de Wet, zoals blijkend uit de wetsgeschiedenis, hebben als uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in art. 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen.
De Hoge Raad stelt in zijn arresten van 13 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC8231 en ECLI:NL:HR:2008:BC8234) ook voorop dat de Wet ertoe strekt gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen alsmede veroordeelden te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. De Hoge Raad stelt daarnaast voorop dat de officier van justitie verplicht is een daartoe strekkend bevel te geven tenzij zich één van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet en dat voor een verdere belangenafweging in het systeem van de Wet geen plaats is.
De raadkamer dient te beoordelen of zich de in art. 2, eerste lid onder b, van de Wet genoemde uitzondering voordoet, te weten of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing.
De raadkamer is van oordeel dat in dit concrete geval, gelet op de veroordeling voor ‘(medeplegen) witwassen’, DNA-onderzoek in beginsel redelijkerwijs niet van betekenis zal kunnen zijn voor de opheldering van dergelijke strafbare feiten. In een geval als het onderhavige zal in beginsel ook in het voorbereidend onderzoek geen celmateriaal voor DNA-onderzoek worden afgenomen vanwege het vereiste belang van het onderzoek, zodat er sprake is van een door de wetgever bedoelde uitzondering.
Recidivegevaar Indien de aard van het concreet gepleegde delict zich verzet tegen de DNA-afname, dient het DNA-profiel van veroordeelde onder bepaalde in de wetsgeschiedenis genoemde omstandigheden toch te worden bepaald en verwerkt. Zo kunnen er omstandigheden zijn die aannemelijk maken dat de veroordeelde zal recidiveren ter zake van andere misdrijven waarvoor DNA-onderzoek van belang kan zijn of indien de veroordeelde in het verleden ook andere misdrijven heeft begaan waarbij doorgaans celmateriaal achterblijft. Hierbij is van belang of in zijn algemeenheid, bijvoorbeeld op grond van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie of andere bijzondere omstandigheden deze persoon betreffend, sprake kan zijn van een concreet recidivegevaar voor misdrijven waar DNA-onderzoek in de toekomst wel kan bijdragen aan het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten daarvan. Van belang hierbij is dat het niet - als voorwaarde verbonden aan het geven van het bevel - aan het openbaar ministerie is om dit recidivegevaar aan te tonen. De Wet vereist slechts dat op grond van de bijzondere omstandigheden van de persoon kan worden vastgesteld dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde van belang kan zijn. Van dergelijke omstandigheden is naar het oordeel van de raadkamer, daarbij in aanmerking nemende dat veroordeelde geen eerdere soortgelijke veroordelingen heeft op zijn strafblad, in het onderhavig geval evenwel niet gebleken.
Bespreking en beoordeling overige aangevoerde feiten en omstandigheden
Voorts voert veroordeelde aan dat zolang er nog geen onherroepelijke veroordeling is, er geen afname van DNA mag worden bevolen. De officier van justitie mag gelet op artikel 1 lid 1 onder c Wet DNA-onderzoek celmateriaal van een veroordeelde afnemen voor het DNA-profiel, ook als deze ‘al dan niet onherroepelijk is veroordeeld tot een straf’ en hoeft de uitkomst van het hoger beroep niet af te wachten. Indien later blijkt dat veroordeelde in hoger beroep is vrijgesproken, wordt het afgenomen celmateriaal alsnog vernietigd.
Conclusie
De raadkamer is van oordeel dat in dit geval sprake is van een uitzondering op de regel dat in de bij wet bepaalde gevallen van afgenomen celmateriaal een DNA-profiel wordt verwerkt gelet op de aard van het misdrijf en het ontbreken van recidivegevaar. Gelet op deze omstandigheden ziet de raadkamer termen aanwezig om het bezwaarschrift in dit specifieke geval gegrond te verklaren.
5. De beslissing
De raadkamer:
- -
verklaart het bezwaarschrift gegrond;
- -
beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.H. Meijer, rechter, in tegenwoordigheid van
M.I. Boerdijk, griffier, ondertekend door de rechter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2019.