Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/7.1
7.1 De stand van de discussie in Nederland
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364083:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verjaring heeft zwakke werking. Dat wil zeggen dat door de verjaring niet het vorderingsrecht, maar de rechtsvordering verloren gaat. In de praktijk betekent dat over het algemeen dat de crediteur zijn materiële recht niet meer kan verwezenlijken.
Snijders, WPNR 2005, p. 79 schrijft over het fenomeen van de onderbelichte algemene gezichtspunten het volgende: 'Zoekt men naar wat [over de grondslagen — ILS] bij de totstandkoming van het nieuwe vermogensrecht naar voren is gebracht, dan dringt zich onontkoombaar de gedachte op aan één van de wetten van Parkinson. Die wet komt erop neer dat, als in een vergadering een moeilijk, belangrijk en discutabel besluit moet worden genomen, niemand zijn mond open doet, maar dat, wanneer het gaat om zoiets triviaals als de wijze van koffie rondbrengen door de koffiejuffrouw, iedereen ineens het hoogste woord heeft.' Inderdaad is over detailpunten van de bevrijdende verjaring wél erg veel geschreven.
Koopmann, diss. p. 4.
Lichtenauer, diss. lijkt met 5 pagina's (15 t/m 19) uitgebreider, maar zijn betoog strekt overwegend ter betwisting van het opleggen van straf als grondslag van verjaring; de redenering waarin hij uiteenzet waarin dan het motief wél gelegen zou zijn, beslaat twee alinea's.
Tjittes, WPNR 2002, p. 53.
Als men naast bescherming tegen bewijsnood niet tevens bescherming tegen verouderde vorderingen als verjaringsdoel erkent, wordt het bijvoorbeeld heel lastig de verjaring van vorderingen waarvan de gegrondheid vaststaat te rechtvaardigen; daar doet zich het probleem van teloorgang van bewijs niet voor en kan het dus ook niet als rechtvaardiging voor verjaring dienen. Zie nader § 8.2.2.
Brunner, Themis 2001.
Valk, diss. p. 71 e.v.
Van Schaick, WPNR 2000.
Wiersma, PP 2003.
Dat een vordering door voldoening teniet gaat, is vanzelfsprekend. Het is niet goed denkbaar dat een vordering blijft bestaan nadat zij is voldaan. Het tenietgaan van een vordering door verjaring1 is veel minder vanzelfsprekend. Waarom zou louter tijdsverloop de schuldeiser zijn vordering ontnemen?
In het kader van een betoog waarin hij zich keerde tegen doorbreking van de absolute termijn door de Hoge Raad in Van Hese/De Schelde schreef Van Schaick: "We lijken ons nauwelijks druk te maken over de zin en strekking van de bevrijdende verjaring. Problemen met betrekking tot de bevrijdende verjaring worden vooral ad hoc opgelost." Onbegrijpelijk is deze kritiek van Van Schaick niet: inderdaad lijkt in Nederland over de fundamenten van de verjaring nog maar beperkt echte gedachteuitwisseling te hebben plaatsgevonden.2
Zo is er in de twee Nederlandse proefschriften over de bevrijdende verjaring weinig over te vinden: Koopmann wijdt één alinea aan de grondslagen van verjaring3 en Lichtenauer twee.4 In tijdschriftartikelen worden vaak als opmaat tot bespreking van een concreet verjaringsprobleem wel enkele zinnen aan het doel van de verjaring gewijd, maar de daarin verwoorde opvattingen zijn meestal niet erg uitvoerig onderbouwd. Tjittes geeft de stand van het Nederlandse debat als volgt weer:
"Rechtsregels zijn veelal de vastlegging van een belangenafweging. Het recht betreffende bevrijdende verjaring vormt daarop geen uitzondering. Aan de ene zijde staat het belang van de schuldeiser om zijn vordering geldend te kunnen maken. Aan de andere zijde staat het belang van de debiteur om niet na lange tijd geconfronteerd te worden met een rechtsvordering. De wetgever wijst erop dat als de tijd verstrijkt bewijsstukken van het al dan niet bestaan van een rechtsvordering niet meer voorhanden zijn, er geen getuigen meer (te achterhalen) zijn en de waarde van het getuigenbewijs door het falende menselijke geheugen afwezig of verminderd is. Het verjaringsrecht staat aldus in de sleutel van tegemoetkoming aan bewijsproblemen van de debiteur als gevolg van een zeker tijdsverloop voordat hij door de crediteur is aangesproken. Een andere sleutel waarin de verjaring gezet kan worden, is sanctie op inactief gedrag van de crediteur. Indien de crediteur geen gebruik maakt van een füre kans om zijn recht geldend te maken, verjaart zijn rechtsvordering. Die gedachte ligt ten grondslag aan verjaringsrecht waarvan het aanvangstijdstip afhankelijk is van de wetenschap van de crediteur met omstandigheden die relevant zijn voor het geldend kunnen maken van zijn recht. Dat gezichtspunt is prominent aanwezig bij subjectieve verjaringstermijnen. Maar het leerstuk van de verjaring dient niet alleen het belang van een individuele debiteur of individuele crediteur. Verjaring dient tevens een algemeen belang om — zoals het in Duitsland wordt uitgedrukt — de `Rechtsfrieden' (rechtsvrede, maatschappelijke rust) te bevorderen. Voorts dient de verjaring een vlot lopend economisch verkeer, waar een crediteur niet onnodig lang mag talmen om een rechtsvordering tegen een debiteur aanhangig te maken.(...)"5
Zo op het eerste gezicht stemt wellicht dit beeld niet tot ontevredenheid, maar bij doordenken rijzen misschien toch vragen. Bijvoorbeeld:
(i) Er staat dat de verjaring de debiteur beoogt te behoeden voor bewij snood door tijdsverloop. Is dat de enige dienst die de verjaring de debiteur verricht? Ik zal bepleiten dat voor de debiteur even belangrijk is dat verjaring hem behoedt voor vorderingen waarmee hij bij het inrichten van zijn vermogenspositie geen rekening meer had gehouden.6 (ii) Een aantal van de genoemde verjaringsdoelen vraagt eigenlijk om nadere duiding. Zo spreekt de "sanctie op inactief gedrag van de crediteur" als verjaringsmotief niet vanzelf, omdat het opleggen van een sanctie bij wijze van represaille een maatregel is die enigszins vreemd is aan ons privaatrecht; "Het algemeen belang van de maatschappelijke rust" is een op zichzelf serieus te nemen kwestie, maar de vraag is of niet eigenlijk het gehele privaatrecht of zelfs het recht in het algemeen ertoe strekt de maatschappelijke rust te bevorderen; wat betreft het bevorderen van vlot lopend economisch verkeer is niet direct duidelijk of een maatregel die ingrijpt in de individuele rechtsverhouding nu wel geëigend is om dat algemene belang te dienen. (iii) Is het ene verjaringdoel wellicht belangrijker dan het andere? Er staat dat verjaring strekt tot bescherming tegen bewijsnood, dat een "andere sleutel" waarin men verjaring kan zetten de sanctie op inactief gedrag is, en dat de verjaring "niet alleen" het belang van de individuele debiteur dient, maar ook het algemene belang. Welk belang is nu het meest wezenlijk? Is er één zelfstandig dragend, of hebben we ze allemaal nodig? (iv) Tot slot: in de beschouwing wordt een aantal verjaringsdoelen geïdentificeerd, zonder dat daarna expliciet de vraag aan de orde komt of die doelen de verjaring ook inderdaad rechtvaardigen. Om die vraag te beantwoorden is vereist dat men tevens in ogenschouw neemt hoe hard de ondergang van zijn vordering de debiteur treft. Slechts vanuit een perspectief waarin zowel het doel van verjaring als het offer dat zij van de debiteur vergt zijn betrokken, kan men zinvol over verjaring denken.
Het meest diepgravend over doel en rechtvaardiging in de Nederlandse doctrine zijn een artikel van Brunner uit 2001,7 een passage in de dissertatie van Valk over rechtsverwerking8 en artikelen van Van Schaick9 en Wiersma.10 Het is op zichzelf denkbaar dat met deze publicaties de discussie tot het einde gevoerd is, maar ik geloof niet dat dat zo is. Waarom niet zal blijken uit het onderstaande betoog.