Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/
Verhandeling
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS361913:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin art. 21 lid 2 Wet op de Landverzekeringsovereenkomst (België). Zie ook par. 29 abs 3VVG 2008 dat in geval opzet tot misleiding aan het verval van het recht op uitkering niet de eis van een belangenbenadeling verbindt.
A.I.M. van Mierlo en J.H. Wansink, titel 7.17 NBW: l'assurance oblige, NJB 2000, p. 1738. Zie ook in deze zin RvT V-90/5. Een vraag die opkomt, is of dit ontvallen van het vertrouwen mede van invloed is op de uitkering ingeval van verzekering ten behoeve van een derde. Salomons verdedigt in zijn dissertatie (Verzekering ten behoeve van een derde, Tjeenk Willink: 1996, p. 383) de opvatting dat hij er bezwaar tegen heeft dat ook bij opzet van de verzekeringnemer tot misleiding van de verzekeraar, de rechten van de tot uitkering gerechtigde vervallen. Kort weergegeven miskent een dergelijke gezamenlijke verantwoordelijkheid van verzekeringnemer en derde de zelfstandige rechtspositie van de derde. Hoewel het uitgangspunt juist is, ben ik geneigd op dit punt Asser/Clausing & Wansink 1998, nr. 165, te volgen, daar waar zij stellen dat het niet gerechtvaardigd lijkt om het opzet tot misleiden door de verzekeringnemer niet van invloed te laten zijn op de aanspraak van de tot uitkering gerechtigde derde jegens de verzekeraar indien deze laatstgenoemde door het - misleidend - handelen van de verzekeringnemer niet tot een verantwoord oordeel over het recht op uitkering van de derde kan komen.
De Raad van Toezicht had in een reeks van uitspraken vanaf 1993 aan het vervalbeding bij partieel bedrog een genuanceerde toepassing gegeven met verwijzing naar het bepaalde in art. 6:237, aanhef en sub h, BW: zodra de verzekeraar vaststelt dat de verzekerde bij zijn opgave of bewijsvoering van een opgegeven schade op enig punt een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven, acht de Raad het begrijpelijk dat een verzekeraar over de gehele linie strenge eisen aan het bewijs van een opgegeven schade stelt en zijn vergoedingsplicht strikt beperkt tot hetgeen langs andere weg dan de eigen verklaring van de verzekerde is komen vast te staan (zie o.m. RvT II 93/7). Met andere woorden: geen beroep mocht worden gedaan op het vervalbeding indien de schade met inachtneming van die strenge eisen van bewijs was komen vast te staan, behalve ten aanzien van de zaak waarop het bedrog betrekking had.
Zie voor vindplaatsen en een bespreking van de bedoelde arresten J.H. Wansink, Partieel verzekeringsbedrog: het vertrouwensbeginsel herwint terrein!, AV&S 2001, p. 67 e.v.
RvT 2002/11 Br.
NJ 2005, 160, m.nt. MMM. Zie voor een bespreking J.G.C. Kamphuisen, Ook de Hoge Raad aanvaardt verlies van dekking bij bedrog, AV&S 2005, p. 32 e.v.
Waar de Raad van Toezicht nog de opening hield dat de (geringe) ernst van het bedrog een factor zou zijn om niet tot algeheel verval - maar een minder vergaande sanctie - over te gaan, heeft de Hoge Raad juist - het oordeel van het Hof in stand latend - dat de omstandigheid dat de fraude slechts een gering gedeelte van de schade betrof, niet een zodanig bijzondere omstandigheid is, dat op grond daarvan het verval van het recht op uitkering niet gerechtvaardigd is. Zie hierna onder 5.2.6.2.
Vgl. voor Frankrijk Cour d'appel Paris 19 april 1984, RGAT 1984-398: 'Considérant qu'eu égard aux termes de cet article, la déchéance ne peut se limiter ä la non-garantie des bijoux faisant l'objet de la fausse attestation; qu'elle es indivisible; que l'utilisateur de ladite attestation ne peut qu'être déchu de tous ses droits.'
Ingeval verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde een verplichting als bedoeld in de leden 1 en 2 van art. 941 BW, zoals hiervoor omschreven, niet nakomt met het opzet de verzekeraar te misleiden, dan - zo bepaalt lid 5 van dat artikel - vervalt het recht op uitkering.1 De achtergrond van de regeling is helder: de verzekeraar, immers, is bij de verwezenlijking van het risico in hoge mate afhankelijk van de door de verzekerde verschafte informatie en bij welbewuste beschaming van dit vertrouwen ontvalt - in de woorden van Van Mierlo en Wansink - de basis aan de verzekeringsover-eenkomst.2 De regeling in lid 5 voorziet door toevoeging van de woorden 'behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt' eveneens in een sanctieregeling bij partieel bedrog en beoogt antwoord te geven op de vraag of het partiële bedrog het verval van het recht op uitkering voor het geheel rechtvaardigt.
Op dit punt heeft in de afgelopen jaren een verschuiving plaatsgehad: nadat eerst een aantal gerechtshoven op het punt van de sanctionering van partieel bedrog - onder opzijzetting van de genuanceerde aanpak van de Raad van Toezicht Verzekeringen3 - de 'harde lijn' had gevolgd en tot uitgangspunt had genomen dat het opzet tot misleiding in het kader van de schaderegeling in beginsel het verlies van elk recht op uitkering rechtvaar-digt,4 ging de Raad van Toezicht om. In zijn uitspraak van 8 april 20025heeft ook de Raad - ingeval de verzekeraar in de verzekeringsvoorwaarden een vervalbeding heeft opgenomen - het totale verval van het recht op uitkering tot uitgangspunt genomen. Als sluitstuk van de hier kort weergegeven ontwikkeling heeft te gelden de uitspraak van de Hoge Raad van 3 december 2004,6 die met zoveel woorden ingaat op het hiervoor geciteerde vijfde lid van art. 941 BW en waarin, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van Toezicht uit 2002, de harde lijn in stand is gebleven en zelfs is versterkt.78
De regeling van verval van uitkering ingeval van (partieel) bedrog kent een aantal bewijsrechtelijk relevante aspecten. Dat is allereerst het bewijs van het opzet, alsmede - in de sanctiefase - de toepassing van de voormelde uitzondering in lid 5 ('behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt'). Op deze twee punten zal ik hieronder ingaan.