Beheer van familievermogen door middel van certificering
Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/6.6:6.6 Flexibiliteit inrichten en aanpassen van structuur
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/6.6
6.6 Flexibiliteit inrichten en aanpassen van structuur
Documentgegevens:
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS958003:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 5.6 van het vorige hoofdstuk is beschreven dat er zowel bij de inrichting van de stak als bij de inrichting van de administratievoorwaarden veel vrijheid bestaat. Deze vrijheid is niet afhankelijk van het soort vermogen dat is gecertificeerd.
Op bepaalde onderdelen bestaat wel verschil in de inrichting. Een voorbeeld is art. 2:291 lid 1 BW op basis waarvan bij de certificering van onroerend goed uitdrukkelijk in de statuten van de stak moet worden opgenomen dat het bestuur van de stak bevoegd is tot het aangaan van een rechtshandeling tot verkrijging van onroerend goed.1
Een tweede voorbeeld is een regeling inzake decertificering. In paragraaf 6.3.1 kwam al aan de orde dat bij certificering van onroerend goed en kunstobjecten decertificering enkel kan plaatsvinden op het moment dat alle certificaathouders tot decertificering overgaan. Na de decertificering worden alle voormalige certificaathouders deelgenoten in de gemeenschap waar het vermogen in terecht komt. Van der Grinten pleit om die reden bij certificering van onroerend goed dat decertificering moet worden uitgesloten. Wel stelt hij daarbij de voorwaarde dat er eenvoudig moet kunnen worden gehandeld in de certificaten.2 Dat laatste kan op problemen stuiten als het de bedoeling is dat het economisch belang in de familie wordt behouden.
Een mogelijke oplossing zou hier kunnen zijn dat certificaten kunnen worden ingekocht door de stak op het moment dat het niet lukt om certificaten over te dragen aan andere certificaathouders en decertificering ook geen mogelijkheid is. Aangezien de stak bij de certificering van onroerend goed en kunst in veel gevallen over extra vermogen zal beschikken, kan een deel daarvan mogelijk worden benut voor de inkoop van certificaten. Vervolgens moet dan een regeling worden getroffen over de gevolgen van de inkoop. Leidt dat tot intrekking van de certificaten, waardoor het aandeel in het gecertificeerde goed voor de overige certificaathouders toeneemt? Of behoudt de stak de certificaten om ze op een later moment weer te kunnen verstrekken aan certificaathouders?
Tot slot kan nog als verschil worden genoemd dat de tegenstelling tussen de belangen van de vennootschap en die van de certificaathouders niet speelt. Bij het bepalen van de doelstelling hoeft geen rekening te worden gehouden met die tegenstelling. Wel kan het belang van het behoud van het vermogen botsen met het mogelijke belang van certificaathouders om inkomsten te ontvangen.3 Daarmee is het opstellen van een heldere doelstelling waarin de verhouding tussen de verschillende belangen is weergegeven ook relevant voor de stak waarin ander vermogen dan aandelen wordt ingebracht.