Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.5.6.1
IX.3.5.6.1 Vorderingen uit de wet
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS361244:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie Pitlo/Reehuis, Heisterkamp 2006, nr. 324 en Faber 1995, p. 38. Vgl. Houwing 1940, p. 83; Bloembergen in zijn conclusie (nr. 3.1) voor het arrest WUH/Emmerig q.q. (NJ 1987, 530) en Meijers 1958, p. 93.
Zie HR 24 mei 1991, NJ 1992, 246, m.nt. PvS. Vgl. ook: HR 12 december 1979, NJO 1980/1, m.nt. MB (De Staat/Van der Wende) waarin de Hoge Raad met betrekking tot een investeringsbijdrage oordeelde dat het recht daarop “rechtstreeks uit de wet voortvloeit en derhalve door een ieder die voldoet aan de daarvoor in de wettelijke regeling gestelde vereisten, kan worden verkregen (…)” (curs. MHER).
Zie hiervoor: nr. 865. Vgl. reeds met betrekking tot wanprestatie: HR 20 juni 1924, NJ 1924, p. 1107 e.v.
Zie HR 3 mei 2002, NJ 2002, 393, m.nt. PvS.
Zie art. 6:10 (jo art. 7:866) BW.
In HR 6 juni 2008, NJ 2010, 12, m.nt. Hijma (Bras/The Satisfactorie BV), lijkt de Hoge Raad daarentegen te oordelen dat de regresvordering van de borg een toekomstige vordering is die eerst ontstaat met de betaling door de borg van de schuldeiser. Zie Hijma in zijn noot onder het arrest onder nr. 6.
Zowel het arrest Ontvanger/Amro, als het arrest Gomez/Joral is op dit punt niet of nauwelijks gemotiveerd. Overigens zou toepassing van het ‘criterium van Kleijn’ (zie nr. 877) tot de conclusie moeten leiden dat de schadevergoedingsvordering uit onrechtmatige daad een bestaande vordering is, aangezien zij afhankelijk is van een ‘extern’ element, nl. het lijden van schade, terwijl de regresvordering een toekomstige vordering zou moeten zijn, aangezien deze vordering afhankelijk is van een ‘intern’ element, de betaling door de borg.
Zie nr. 882.
Zie nr. 883.
Afdeling 6.1.5 BW is niet rechtstreeks van toepassing op door de wet gestelde voorwaarden, maar kan eventueel analoog toepasselijk zijn. Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 162 en TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 145.
Daarbij zij opgemerkt dat de bewoordingen van de wet en de parlementaire geschiedenis niet beslissend hoeven te zijn, aangezien in veel gevallen de wetgever niet zal hebben gedacht aan de problematiek van het ontstaan van vorderingen.
Zie HR 24 mei 1991, NJ 1992, 246, m.nt. PvS.
Zie voor deze opvatting: Lindenbergh 2008, nrs. 35 en 51; Van Boom 1993, p. 702; Olthof 1988, p. 124 en Bloembergen 1965, nr. 94. In dezelfde zin: Parl. Gesch. Overgangsrecht (Inv. 3, 5 en 6), p. 149-150 en p. 160. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 381.
Zie ook: Verhagen & Rongen 2000, p. 67-68. Het feit dat nog niet bekend is of er schade is of zal worden geleden en wat de omvang daarvan is, brengt niet met zich dat het object van de verbintenis tot schadevergoeding onvoldoende bepaalbaar is. Duidelijk is immers dat de schuldenaar de schade moet vergoeden die uiteindelijk zal worden geleden. Vgl. voorts: Klaassen & Akkermans 1998.
Met betrekking tot schadevergoedingsvordering uit wanprestatie acht ik het zelfs verdedigbaar dat het rechtsfeit dat de vordering doet ontstaan (de ontstaansbron) gelegen is in het ontstaan van de verbintenis waarin wordt tekortgeschoten. Zo brengt in geval van een overeenkomst de verbindende kracht daarvan met zich (exoneraties daargelaten) dat reeds ten tijde van het sluiten van de overeenkomst vaststaat dat als aan de voorwaarden van art. 6:74 BW is voldaan, de schuldenaar gehouden is de geleden schade te vergoeden. Behalve de eis van het bestaan van een verbintenis (i.e. de verbintenis waarin mogelijk wordt tekortgeschoten) zouden in deze benadering alle vereisten van art. 6:74 BW voor aansprakelijkheid opschortende voorwaarden zijn. In ieder geval heeft de overeenkomst te gelden als de rechtsverhouding waaruit de schadevergoedingsvordering rechtstreeks wordt verkregen in de zin van de artikelen 3:94 lid 3 en 239 lid 1 BW.
Vgl. HR 14 december 1984, NJ 1985, 288, m.nt. G (Floritex).
Zie de tekst van art. 6:271 BW: “ontstaat voor partijen een verbintenis” en zie MvT Inv., Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1833. Vgl. ook de regeling van art. 37a Fw. Wel geldt dat aan de wettelijke vereisten voor ontbinding moet zijn voldaan, zodat de ontbindingsverklaring werkelijk tot ontbinding van de overeenkomst leidt (zie art. 6:265 BW). Ook de verbintenis tot waardevergoeding van art. 6:272 BW ontstaat pas op het moment van het uitbrengen van de ontbindingsverklaring. De te ontbinden overeenkomst kan in ieder geval worden aangemerkt als de rechtsverhouding als bedoeld in de artikelen 3:94 lid 3 en 239 lid 1 BW waaruit de vordering rechtstreeks wordt verkregen. Zie hierna: nr. 943.
Vgl. met betrekking tot contractuele restitutievorderingen: HR 3 december 2010, NJ 2010, 653 (ING Bank/Nederend q.q.), waar de Hoge Raad ter zake van verschillende contractuele ongedaanmakings- en restitutievorderingen oordeelt dat deze pas ontstaan als gevolg van de beëindiging van de betreffende overeenkomsten door de faillissementscurator van de tot restitutie gerechtigde contractspartij.
Zie de tekst van art. 6:24 BW: “Nadat een ontbindende voorwaarde is vervuld, is de schuldeiser verplicht”. In ieder geval heeft de rechtsverhouding waaruit de verbintenis onder ontbindende voorwaarde voortvloeit (bijvoorbeeld een overeenkomst) tevens te gelden als de rechtsverhouding waaruit de ongedaanmakingsvordering rechtstreeks wordt verkregen als bedoeld in de artikelen 3:94 lid 3 en 239 lid 1 BW.
De (definitieve) terugneming van de zaak heeft de ontbinding van de koopovereenkomst tot gevolg. Zie art. 7:39 BW en voor huurkoop art. 7A:1576s BW. Het ligt dan in de rede om voor de vraag naar het ontstaansmoment van de vordering tot ongedaanmaking, de uitoefening van een recht van reclame of een eigendomsvoorbehoud hetzelfde te behandelen als de ontbinding van een overeenkomst op grond van art. 6:265 BW.
901. Doctrine en jurisprudentie. Ten aanzien van vorderingen uit de wet wordt in de literatuur wel verdedigd dat deze pas ontstaan, indien alle door de wet genoemde vereisten zijn vervuld.1 Steun voor deze opvatting kan onder andere worden gevonden in het arrest Ontvanger/Amro,2 waaruit lijkt te volgen dat een schadevergoedingsvordering uit onrechtmatige daad pas ontstaat, indien aan alle vereisten voor aansprakelijkheid is voldaan.3
Daarentegen lijkt uit het arrest Gomez/Joral4 te kunnen worden opgemaakt dat de Hoge Raad een dergelijke algemene regel niet aanvaardt. Volgens dit arrest is voor het ontstaan van de wettelijke regresvordering van de borg niet nodig dat aan alle door de wet gestelde vereisten is voldaan.5 De regresvordering ontstaat op het moment van de totstandkoming van de borgtochtovereenkomst en is afhankelijk van de opschortende voorwaarde dat de borg meer heeft betaald dan zijn interne draagplicht. De betaling door de borg is derhalve, anders dan het element van de schade bij een vordering uit onrechtmatige daad, geen ontstaansvereiste voor de regresvordering.6 Uit de genoemde arresten kan niet worden afgeleid waarop dit verschil is gebaseerd.7
902. Uitgangspunt: de vordering bestaat, indien de wezenskenmerken van een verbintenis aanwezig zijn. Ook voor vorderingen uit de wet zou naar mijn mening als uitgangspunt moeten gelden dat de vordering ontstaat, zodra is voldaan aan de in § 3.5.1 genoemde wezenskenmerken van een verbintenis.8 Evenals bij vorderingen uit rechtshandeling betekent dit dat de vordering in de regel tegelijk met haar ontstaansbron zal ontstaan. Het zal in veel gevallen echter niet eenvoudig zijn om vast te stellen in welk rechtsfeit of samenstel van rechtsfeiten de ontstaansbron van de vordering is gelegen. Naar mijn mening kan het bestaan van de vordering in ieder geval worden aangenomen, indien vaststaat dat de schuldenaar de prestatie nu of in de toekomst moet verrichten. Het feit dat de verbintenis eerst na het verstrijken van een termijn (tijdsbepaling) behoeft te worden voldaan, doet aan het bestaan van de vordering niet af.9
Zoals blijkt uit het arrest Gomez/Joral geldt bovendien dat ook verbintenissen uit de wet voorwaardelijk kunnen zijn. De werking van de verbintenis kan krachtens wetsbepaling afhankelijk zijn gesteld van een of meer toekomstige onzekere gebeurtenissen (voorwaarden).10 Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld, mede aan de hand van de wetsgeschiedenis, of volgens de (ratio van de) toepasselijke wettelijke regeling de betreffende “eisen” die aan de verbintenis zijn gesteld ontstaansvereisten zijn of dat sommigen daarvan als opschortende voorwaarden kunnen worden aangemerkt.11 In het laatste geval moet worden beoordeeld welk element van de wettelijke “eisen” het verbintenisscheppende rechtsfeit oplevert dat de vordering doet ontstaan.
903. Enkele voorbeelden. Het valt buiten het bestek van dit hoofdstuk om hier nader op in te gaan. Volstaan wordt met enkele voorbeelden.
Voor wat betreft de vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad of wanprestatie lijkt, zoals opgemerkt, uit het arrest Ontvanger/Amro12 te moeten worden afgeleid dat alle elementen die de wet voor aansprakelijkheid bevat (waaronder in het bijzonder het element van de schade), ontstaansvereisten voor de schadevergoedingsvordering zijn.13 Een andere opvatting zou echter goed verdedigbaar zijn geweest. De onrechtmatige daad of de tekortkoming kan men beschouwen als het rechtsfeit dat de schadevergoedingsvordering doet ontstaan, terwijl het element van schade een opschortende voorwaarde is voor de opeisbaarheid van de vordering.14,15 Eenzelfde benadering zou men kunnen hanteren bij vorderingen uit ongerechtvaardigde verrijking en zaakwaarneming (art. 6:212 en 200 BW). De verrijking en de zaakwaarneming kunnen als de ontstaansbron worden aangemerkt van een bestaande vordering onder opschortende voorwaarde van schade. Het valt niet in te zien waarom voor de schadevergoedingsvordering tot een ander oordeel moet worden gekomen dan voor de regresvordering van de borg. Ook de borg lijdt als het ware pas “schade” indien hij krachtens de borgtocht aan de begunstigde heeft betaald. Niettemin dient de regresvordering als een bestaande vordering onder opschortende voorwaarde te worden beschouwd.
In geval van een vordering tot ongedaanmaking uit onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) is het relevante rechtsfeit dat de vordering doet ontstaan het moment waarop er zonder rechtsgrond wordt gepresteerd. Dit geldt ook indien een overeenkomst met terugwerkende kracht wordt vernietigd. De terugwerkende kracht van de vernietiging brengt met zich dat de vordering uit onverschuldigde betaling wordt geacht te zijn ontstaan op het moment waarop achteraf bezien onverschuldigd is gepresteerd.16 Met betrekking tot een vordering tot ongedaanmaking van reeds verrichte prestaties na ontbinding ex art. 6:265 BW, lijkt de wet ervan uit te gaan dat deze vordering ontstaat als gevolg van het afleggen van de ontbindingsverklaring.17,18 In geval van een prestatie verricht ter voldoening van een verbintenis onder ontbindende voorwaarde lijkt de wet ervan uit te gaan dat de ongedaanmakingsvordering ontstaat op het moment van het in vervulling gaan van de voorwaarde.19 In geval van de uitoefening van het recht van reclame of de terugneming van een onder eigendomsvoorbehoud afgeleverde zaak, ontstaat de ongedaanmakingsverbintenis als gevolg van de (definitieve) opvordering van de verkochte zaak.20