RAV 2020/103
Staatsaansprakelijkheid. Heeft de Staat onrechtmatig gehandeld omdat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in een vreemdelingenzaak het Unierecht zou hebben geschonden?
HR 02-10-2020, ECLI:NL:HR:2020:1538
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
2 oktober 2020
- Magistraten
Mrs. C.A. Streefkerk, G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh
- Zaaknummer
19/01915
- Conclusie
A-G mr. M.H. Wissink
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS249616:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
EU-recht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Staatsrecht / Rechtspraak
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2020:1538, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑10‑2020
ECLI:NL:PHR:2020:413, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑04‑2020
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑06‑2019
- Wetingang
Essentie
Staatsaansprakelijkheid. Onrechtmatige rechtspraak.
Heeft de Staat onrechtmatig gehandeld omdat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in een vreemdelingenzaak het Unierecht zou hebben geschonden?
Samenvatting
Eiser in cassatie is afkomstig uit Afghanistan. Hij heeft in 1998 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend en een verblijfsvergunning aangevraagd, waarbij hij verklaarde dat hij had gewerkt bij de Afghaanse veiligheidsdienst onder het communistische bewind (1978-1992), omgevormd tot de WAD. Deze KhAD/WAD heeft zich op grote schaal schuldig gemaakt aan schendingen van de mensenrechten. In 2001 is aan eiser een verblijfsvergunning asiel verleend voor onbepaalde tijd. In 2012 is ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.