De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/2.1:2.1 Inleiding
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS395262:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Daarbij wordt dus niet gedoeld op buiten het grondgebied van de Europese Unie gevestigde ondernemers.
HvJ 9 februari 1982, zaak 270/80, Jur. 1982, blz. 329 (Polydor), r.o. 16 en HvJ 5 mei 1982, zaak 15/81, BNB 1982/225 (Gaston Schul), r.o. 33.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderzoek wordt de invulling van de vier vestigingsplaatsvormen, zoals die zijn verwoord in de regels voor de plaats van dienst, onderzocht en hoe hun onderlinge verhouding is. Ook wordt aandacht besteed aan de vraag hoe moet worden omgegaan met kostendoorbelastingen en tegen vergoeding verrichte werkzaamheden tussen twee vestigingen van één ondernemer en hoe het recht op aftrek van voorbelasting van een ondernemer met verscheidene vestigingen moet worden bepaald. Bij de invulling van de vier vestigingsplaats-vormen evenals de beantwoording van de vraag hoe moet worden omgegaan met kostendoorbelastingen, tegen vergoeding verrichte werkzaamheden tussen vestigingen onderling en het aftrekrecht van een ondernemer met verscheidene vestigingen, is het van belang de doelstellingen van de omzetbelasting alsmede de praktische beperkingen door de wijze van heffen in ogenschouw te nemen. Slechts dan kan tot een invulling respectievelijk een antwoord worden gekomen dat in overeenstemming is met de principes die aan de omzetbelasting ten grondslag liggen. Een ander zeer belangrijk beginsel in de omzetbelasting is het neutraliteitsbeginsel. De heffing van omzetbelasting in de vorm van een belasting over de toegevoegde waarde (btw) is ontstaan ter bevordering van het tot stand komen van de interne markt. Het is de bedoeling dat ondernemers ongeacht of zij in een bepaalde lidstaat (gesproken wordt van: het binnenland en binnenlandse ondernemers) of een van de andere lidstaten (gesproken wordt van: het buitenland en buitenlandse ondernemers1) zijn gevestigd met elkaar kunnen concurreren als ware sprake van één grote binnenlandse markt in Europa.2 Wanneer het gaat om de regels voor de plaats van dienst is het van groot belang de concurrentiepositie van binnenlandse ondernemers en buitenlandse ondernemers in het binnenland in ogenschouw te nemen. Indien een buitenlandse ondernemer verplicht is in het binnenland omzetbelasting van zijn eigen land in rekening te brengen, kan hij zich in een voor- (als in zijn eigen land bijvoorbeeld een lager tarief geldt) of nadeligere (als in zijn land bijvoorbeeld een hoger tarief geldt) positie bevinden en dus niet op gelijke voet concurreren met binnenlandse ondernemers. In dit hoofdstuk zullen zowel het rechtskarakter van de omzetbelasting als het neutraliteitsbeginsel worden besproken. Zij vormen het toetsingskader van dit onderzoek. In hoofdstuk 3 zullen aan de hand van het rechtskarakter, het neutraliteitsbeginsel en de heffingssystematiek een aantal uitgangspunten worden onderscheiden die van belang zijn bij de invulling van de regels voor de plaats van dienst en derhalve voor de invulling van de vier vestigingsplaatsvormen.