HR, 12-06-2018, nr. 16/05494
ECLI:NL:HR:2018:907
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-06-2018
- Zaaknummer
16/05494
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:907, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 12‑06‑2018; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:614
ECLI:NL:PHR:2018:614, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 17‑04‑2018
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:907
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑06‑2018
Inhoudsindicatie
Met 16/05683 P samenhangende peek (verdachte n-o in cassatieberoep, geen middelen ingediend).
Partij(en)
12 juni 2018
Strafkamer
nr. S 16/05494
LBS/EC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 18 augustus 2016, nummer 22/004553-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2018.
Conclusie 17‑04‑2018
Inhoudsindicatie
Met 16/05683 P samenhangende peek (verdachte n-o in cassatieberoep, geen middelen ingediend).
Nr. 16/05494
Mr. D.J.C. Aben
Zitting: 17 april 2018
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 18 augustus 2016 het jegens de verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 oktober 2015 bevestigd. Bij dat vonnis is de verdachte wegens 1 "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod" en 2 "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel onder C van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - dat de verdachte zal meewerken aan diagnostiek bij de Forensische Polikliniek Palier en een daaruit mogelijk voortvloeiende behandeling.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 16/05683. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden