Inhoudsopgave
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.3.2.3:4.3.2.3 De Invoeringswet 1984
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.3.2.3
4.3.2.3 De Invoeringswet 1984
Documentgegevens:
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS383617:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
PG Boek 5 Inv. BW, p. 1073-1075.
Kamerstukken II 1986/87, 17541, 22, p. 1. (Lijst van vragen 3 juni 1987). De Commissie verwees naar een publicatie van De Jong 1986, p. 168. Zie ook Kamerstukken II 1986/87, 17 541, 23, p. 1 (Lijst van antwoorden, 10 juni 1987).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de behandeling van de Invoeringswet werd lid 3 toegevoegd aan art. 5:91 BW waarmee werd verzekerd dat toestemming voor overdracht ook bedongen kon worden bij de overdracht van appartementsrechten die waren ontstaan door splitsing van een erfpachtrecht in appartementsrechten. Daarnaast werden enige in de praktijk veelvoorkomende voorwaarden aan de wetgever voorgelegd, met name uit de praktijk van maatschappelijk gebonden eigendom.1 Bij beantwoording van schriftelijke vragen van de Kamercommissie hierover verduidelijkte de minister dat deze bedingen moesten worden geformuleerd als voorwaarden aan het toestemmingsvereiste bij overdracht.2