Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/4.3.1
4.3.1 Inleiding
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197318:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 9 december 1994, nr. 13427/87 (Stran Greek Refineries en Stratis Adreadis/Griekenland), NJ 1996, 592 m.nt. Dommering, par. 59.
EHRM 3 juli 2003, nr. 38746/97 (Buffalo Srl en liquidation c. Italie), par. 28.
EHRM 23 februari 2006, nr. 25632/02 (Stere and others v. Romania), par. 42.
EHRM 9 maart 2006, nr. 10162/02 (Eko-Elda AVEE v. Greece). Zie over dit arrest Vakhitov 2006, p. 583-585.
EHRM 9 maart 2006, nr. 10162/02 (Eko-Elda AVEE v. Greece), par. 27.
Jacobs, White & Ovey 2014, p. 500-503.
EHRM 28 september 2004, nr. 44912/98 (Kopecký v. Slovakia), EHRC 2004/97 m.nt. Van Kampen, par. 52.
In de vorige paragraaf signaleerde ik dat het EHRM belastingverminderende posten mogelijk als een vordering (“claim”) op de overheid beschouwd, ook als deze posten onderdeel uitmaken van een belastingaanslag die per saldo leidt tot een te betalen bedrag. Het ruime eigendomsbegrip van artikel 1 Eerste Protocol omvat daarnaast ook ‘echte’ belastingvorderingen, bijvoorbeeld omdat een (voorlopige) aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld of omdat recht bestaat op teruggaaf van input-BTW. Dit soort vorderingen behoren ook in civielrechtelijke zin tot iemands vermogen. Als een vordering “sufficiently established to be enforceable” is – ik vertaal dat als rechtens afdwingbaar – vormt deze een binnen de reikwijdte van artikel 1 Eerste Protocol vallende possession.1 Het bestaan van een vordering kan worden gebaseerd op een voldoende heldere bepaling in de belastingwet2, maar kan ook zijn bevestiging vinden in een onherroepelijke rechterlijke uitspraak:3
“The Court first notes that it is not in dispute that, by virtue of a final decision of 27 March 2001, the applicants had a claim against the State that was sufficiently established to be enforceable. The Ministry of Defence, moreover, paid them the amounts owed and they had peaceful enjoyment of those amounts until the Supreme Court of Justice ordered their reimbursement in a judgment of 30 January 2002. That judgment therefore constituted interference with the applicants’ right to receive such payment and, accordingly, with their right to the peaceful enjoyment of their possessions.”
Ook kan het feitelijke handelen van de belastingautoriteiten meebrengen dat het bestaan van een vordering moet worden aangenomen. In Eko-Elda AVEE v. Greece4 had de belanghebbende op 24 juni 1988 verzocht om teruggaaf van belasting. Dit verzoek werd aanvankelijk geweigerd, waarna de belanghebbende in Griekenland een gerechtelijke procedure begon. Ruim vijf jaar later, op 12 november 1993, maar nog voordat de rechter uitspraak had gedaan, kwamen de belastingautoriteiten alsnog aan het verzoek van de belanghebbende om terugbetaling tegemoet. Volgens het EHRM kon er in dit geval niet aan worden getwijfeld dat de belanghebbende een onder artikel 1 Eerste Protocol vallende possession had:5
“In doing so [TCG: het feitelijk terugbetalen van de belasting], the authorities acknowledged that they owed the applicant company the tax that had been unduly paid. There is no doubt that the applicant company had a pecuniary interest amounting to a “possession” within the meaning of Article 1 of Protocol No. 1 regarding the refund of the tax unduly paid (…).”
Bij de beoordeling of een fiscaal aftrekrecht (waaronder begrepen een aanspraak op verliescompensatie) kan worden gekwalificeerd als eigendom kunnen gerechtvaardigde verwachtingen (legitimate expectations) van een belastingplichtige een rol spelen. Een verwachting is legitimate als zij een voldoende solide basis in de nationale wet of de rechtspraak heeft.6 Een “genuine dispute” of een “arguable claim” is daartoe onvoldoende.7 De aftrekpost of de aanspraak op verliescompensatie of het verrekeningsrecht of het recht op voorkoming van internationale dubbele belasting op grond van een belastingverdrag of het teruggaverecht wegens schending van EU-recht moet dus voldoende precies en onvoorwaardelijk voortvloeien uit de nationale wet, het belastingverdrag of het EU-recht. Als er gerechtvaardigde verwachtingen van belastingplichtigen zijn geschonden, is dat ook een factor die wordt meegewogen bij de beoordeling van de fair balance.